Hij was de sterke man van Uruzgan, officieel hoofd van de politie, in werkelijkheid maffia-baas, drugshandelaar en warlord. En nu is hij vermoord. Wat betekent dat voor de Nederlandse erfenis in Uruzgan?

Het is woensdagavond 18 maart als ik op het scherm van mijn laptop een berichtje zie oplichten. Het is afkomstig van een Australische collega die ik nog ken uit mijn tijd als correspondent voor NRC Handelsblad in Afghanistan. Hij zit nog steeds in Kaboel en volgt het nieuws daar op de voet. ‘MK… RIP’, lees ik. Voor buitenstaanders misschien een cryptische boodschap, maar ik weet meteen waar het over gaat. Matiullah Khan is vermoord. De sterke man van Uruzgan, officieel hoofd van de politie, in werkelijkheid maffiabaas, drugshandelaar en warlord. Een man om wie ook de Nederlandse militairen uit Kamp Holland al niet heen konden. Híj was het die de Nederlanders geld afperste in ruil waarvoor hij bevoorradingstransporten doorliet. En híj was ook de man die in augustus 2009 opdracht gaf bermbommen te leggen toen de Nederlanders het in hun hoofd haalden om een keertje niet te betalen. Gevolg: acht gewonden.

Na de beëindiging van de missie in Uruzgan najaar 2010 groeide Khan definitief uit tot de alleenheerser van de provincie. Ook al stond hij wijd en zijd bekend als machtswellusteling, een gangster en een sadist, de Amerikanen en Australiërs deden graag zaken met hem. Hij was immers de man met de ijzeren vuist, hij zou zorgen voor rust en orde na het vertrek van de NAVO-troepen. Dat hij mensen martelde? Opium verhandelde? Dat wilden ze niet geloven.
En nu is hij dus dood.

Khan was in Kaboel voor een privébezoek en werd niet beschermd. Zijn lijk is gevonden in een steegje in een buitenwijk van Kaboel. Aanvankelijk meldden de autoriteiten dat Khan was omgekomen bij een aanslag door een prostituee, die zou zijn geronseld door de taliban. Zij zou een bomgordel om hebben gehad. Volgens de eerste berichten zou het lichaam van Khan onherkenbaar zijn verminkt. Maar op sociale media circuleerden al snel foto’s van het lijk, en daarop waren nauwelijks sporen van geweld te zien. Alleen rond zijn kruis zat een grote rode vlek op zijn kleding.
In Kaboel deden de wildste geruchten de ronde over de daders en hun motieven. Khan zou het slachtoffer zijn geworden van een afrekening, niet vreemd gezien zijn staat van dienst, maar ook werd gefluisterd dat president Ashraf Ghani van deze lastpost af wilde. De daders zijn nooit gepakt.

In Uruzgan werd het in de dagen en weken die volgden steeds onrustiger. Was er al weinig meer over van de Nederlandse opbouwmissie, die tot goed bestuur en veiligheid in de provincie had moeten leiden, nu brokkelden in al het tumult ook de laatste restjes af.

Bedreigingen

Ik ontmoette Matiullah Khan voor het eerst op een koude januaridag in 2010. Aan het einde van de middag meldde ik me bij zijn villa in Tarin Kowt, de grootste van de stad, met spuuglelijke spiegelende groene ramen, zoals gebruikelijk bij huizen van Afghaanse gangsters. Voor de deur krioelde het van de bedelaars en andere minderbedeelden die om een gunst of een baantje kwamen smeken. Toen ik door de voordeur binnenstapte, zag ik zeker dertig paar schoenen staan, waaruit ik opmaakte dat Khan die middag veel gasten had. Verder lagen overal wollen tapijten op de grond, en stonden her en der neo-rococo-stoelen met gouden krullen, de zittingen nog in plastic. Aan de muren overal portretten van de heer des huizes, als jongeman, als commandant van de politie, als vrijheidsstrijder en ga zo maar door. Ook ik deed mijn schoenen uit, een lastige klus omdat ik zware wandelschoenen met veters aanhad. Voorovergebogen viel ook nog mijn hoofddoek half af. Ik voelde me onhandig en ook wat gespannen. Toen ik overeind kwam en me omdraaide, stond Khan opeens tegenover me. Dat was hoogst ongebruikelijk in Afghanistan, mannen als Khan lieten je vaak eindeloos antichambreren. Ik moest omhoog kijken – zelf ben ik 1 meter 88, Khan was minstens twee meter. Hij glimlachte, bracht zijn rechterhand naar zijn hart, en zei met zijn donkere, ietwat zwoele stem: ‘Salaam’.

Van taxichauffeur tot gangsterleider: Khan gebruikte de Nederlandse militairen bij wat eigenlijk een stammenstrijd was | Foto: Kate Geraghty / The Sydney Morning Herald / Getty Images

Hij mocht dan een gangster zijn, charmant was hij wel. Fijngesneden gezicht, warme bruine ogen, innemende blik, zelfverzekerd. Ik was onder de indruk, misschien zelfs wel een beetje van mijn stuk gebracht, maar óók in de war. Een paar weken eerder was mijn assistent en vertaler immers door deze zelfde knappe verschijning telefonisch bedreigd. En die bedreigingen waren aan míjn adres gericht. Ik had namelijk vlak daarvoor een weinig vleiend portret van Khan gemaakt voor de Australische televisie. Hij had erover gehoord en zei dat ik Uruzgan beter kon mijden als het item echt zou worden uitgezonden. Ik liet daarop mijn naam van de titelrol afhalen, maar de uitzending ging wél door. Na uitwisseling van de eerste beleefdheden gingen we zitten aan weerszijden van een smal tafeltje. Op de eerdere bedreigingen kwam hij niet meer terug. Was hij ze vergeten?

Anekdotes

Ik bezocht Kahn om uit te vinden waarom hij steeds maar weer Nederlandse troepen, die er op dat moment nog waren, naar het district Mirabad dirigeerde. De officiële verklaring, zoals die ook in de persberichten van Kamp Holland stond, was dat de Nederlanders daar ‘de taliban’ verjoegen. Maar ik had van stamhoofden en dorpsbewoners gehoord dat er iets heel anders aan de gang was. In de valleien en dorpjes van Mirabad woedde al jaren een fel oorlogje tussen stammen die elkaar de macht betwisten. Het ging onder andere om de Toghi-stam en de Popolzai, en tot die laatste behoorde Khan. Met andere woorden: Khan gebruikte de Nederlanders om de Toghi en aan hen gerelateerde stammen eronder te houden. En deze stammen hadden op hun beurt hulp gezocht bij de taliban, omdat ze wapens en bermbommen nodig hadden om verzet te bieden. Ook eerder al, tussen 1996 en 2001, hadden ze de kant van de taliban gekozen toen die aan de macht waren in Kabul. Maar daarmee waren ze zélf nog niet meteen ‘taliban’ geworden.

Ik was een beetje van mijn stuk gebracht, maar óók in de war door deze knappe verschijning.

Kwesties als deze zijn al decennia en misschien al wel honderden jaren aan de orde van de dag in Uruzgan en de rest van Afghanistan. Maar voordat ik goed en wel kon beginnen nam Khan het initiatief. Uit zijn borstzakje haalde hij glimmende medailles. ‘Gekregen van de Amerikanen,’ zei hij trots. Ook wees hij naar de muur, waar oorkondes van de Special Forces hingen. Vervolgens haalde hij zijn mobiele telefoon tevoorschijn en liet hij een filmpje zien van een paar weken eerder: een jongen van een jaar of veertien met een bomgordel die het terrein van zijn villa opliep. De jonge zelfmoordenaar, die het gemunt had op Khan, was verraden en werd opgewacht door een rij mannen met geweren in de aanslag. Minutenlang werd hij beschoten, totdat de bomgordel ontplofte. Ik deinsde terug, het waren afschuwelijke beelden.

Foto: Kate Geraghty / The Sydney Morning Herald / Getty Images

‘Kun je hier naar kijken?’ vroeg ik Khan. Hij keek me wat verbaasd aan, voor hem was het filmpje het bewijs van zijn almacht, iets wat hij graag liet zien aan vrienden en bekenden. Zijn totale gebrek aan empathie, het resultaat van jarenlange oorlogservaringen – ik kreeg het er koud van. Ik herinnerde me dat een medewerker van de Nederlandse Militaire Inlichtingen- en veiligheidsdienst (MIVD), die in Uruzgan werkte, me ooit had verteld over een telefoongesprek van Khan dat ze hadden afgeluisterd. Het gesprek ging over de manier waarop een andere vermeende dader van een verijdelde aanslag moest worden behandeld. De man was opgepakt, aan een touw achter een auto gehangen en Khan gaf opdracht om hem ook nog te overrijden. Maar doodgaan mocht hij niet. De mannen die de straf uitvoerden waren echter iets te enthousiast geweest, en het slachtoffer was tot Khans ergernis wel degelijk overleden. Om de sfeer niet verder te bederven rakelde ik deze anekdote maar niet op.

Blijven slapen

Uiteindelijk kwam het gesprek toch op de gebeurtenissen in Mirabad. Ik vertelde Khan dat de diplomaten op Kamp Holland wilden dat de gevechten stopten en dat er onderhandelingen zouden komen om de oude stamtegenstellingen te neutraliseren. De Nederlanders waren zelfs zo ver gegaan dat ze de taliban-leiding in de Pakistaanse stad Quetta een brief hadden gestuurd met de vraag of ze bereid waren tot een gesprek met Khan. Hoezeer ik ook aandrong, Khan wilde niet antwoorden en beperkte zich tot opmerkingen als: ‘Dit zijn gewoon taliban, die Nederlanders weten niet waarover ze het hebben, het is goed als ze vertrekken.’

Inmiddels was buiten de avond gevallen. Toen mijn tolk even naar het toilet ging en Khan en ik alleen in de kamer zaten, vroeg hij tot mijn verbazing of ik de nacht in zijn huis door wilde brengen. ‘Het is gevaarlijk buiten,’ zei hij, of tenminste, dat maakte ik ervan met mijn gebrekkige kennis van het pashtu. Ik moest wat lachen in mezelf, want als er iemand verantwoordelijk was voor de gevaarlijke situatie in Uruzgan, was het de man die tegenover me zat. Ik bedankte beleefd, zei dat ik nog een andere afspraak had, en onder veel plichtplegingen vertrokken we uiteindelijk.

Toen ik Khan in 2010 sprak, was hij de machtigste man van Uruzgan. Maar dat was hij nog niet zo lang. Van oorsprong was Khan een eenvoudige taxichauffeur in de provinciehoofdstad Tarin Kowt. Maar wel eentje met goede connecties, zijn oom was namelijk Jan Mohammed, gouverneur van Uruzugan en leider van de Popolzai-stam. Toen de Amerikanen in 2001 het land binnen vielen, koos Jan Mohammed meteen hun kant. En dat legde de Popolzai geen windeieren. Opeens hadden ze de grootste militaire macht van de wereld aan hun zijde. Gezamenlijk bestreden ze rivaliserende stammen als de Toghi, de Barakzai en de Ajakzai, waardoor de Popolzai al snel oppermachtig werden in Uruzgan.

Rond 2003 verscheen Matiullah op het toneel, toen nog zonder de eretitel Khan (wat ‘heer’ betekent). Hij werd door zijn oom benoemd tot hoofd van de Highway Police in de provincie, een wat groteske naam voor de mannen die vrachtwagenchauffeurs afpersten op de enige fatsoenlijke verbindingsweg tussen de grote stad Kandahar en Tarin Kowt. In no time schopte Matiullah het tot miljonair, zo blijkt uit Amerikaanse diplomatieke documenten, die via WikiLeaks werden geopenbaard. Zijn grootste ‘klant’ was de NAVO, die lokale transportbedrijven inhuurde om voedsel, water en brandstof naar Uruzgan te vervoeren. Eerst waren het de Amerikaanse NAVO-troepen, later ook de Nederlanders en Australiërs.

Met het geld dat hij verdiende onderhield Khan een drieduizend man tellende militie, die zich al snel met veel meer bemoeide dan het garanderen van de veilige doorgang op de weg naar Kandahar. Op hun mouw hadden ze een insigne met een foto van de leider. Met zo’n privéleger hoefde Matiullah naar niemand meer te luisteren. En nadat in juli 2011 zijn oom gouverneur Jan Mohammed werd vermoord, werd Matiullah definitief de machtigste man van Uruzgan.

‘Heer’ Matiullah in Tarin Kowt: Grootste klant van zijn militie? De NAVO. | Foto: Kate Geraghty / The Sydney Morning Herald / Getty Images
Diep in de outback

De Nederlanders in Kamp Holland zagen het met lede ogen aan. Zij streefden er juist naar in Uruzgan stammen vreedzaam naast elkaar te laten leven. Daarvoor moesten gebieden die al door de Popolzai waren gezuiverd weer worden teruggegeven aan hun tegenstanders. Ook moest er een evenwichtig bestuur komen waarin alle stammen waren vertegenwoordigd. Omdat Khan zo duidelijk een zogenaamde ‘spoiler’ was, kwam hij op een zwarte lijst terecht.
De Nederlanders wilden niet met hem praten.

Ondertussen kregen stamoudsten van andere groepen dankzij interventie van de Nederlanders weer toegang tot en controle over gebieden waar ze eerder uit waren verjaagd. Khan militair rechtstreeks confronteren, is nooit echt een optie geweest. Hij had immers – en dat maakte het ingewikkeld – de volledige steun van de Amerikanen. Zíj zagen in Khan de sterke man die ze nodig hadden om ‘de taliban’ te verjagen. De Amerikaanse Special Forces en Khans milities vochten vaak zij aan zij, terwijl de Nederlanders in diezelfde gebieden probeerden via onderhandelingen rust te brengen. In Kamp Holland moesten ze ook knarsentandend toezien hoe de Australiërs nauw met Khan samenwerkten. Dat ging zelfs zo ver dat ze Khans strijders in een vliegtuig laadden om die ergens diep in de outback te trainen.

In 2013 begon Khans imperium te wankelen na het vertrek van de Amerikanen uit Uruzgan. Vanaf dat moment moest hij het zonder zijn machtige beschermers doen. Khans situatie werd nog onzekerder toen president Hamid Karzai, ook een Popolzai en daarmee steun en toeverlaat in Kaboel, opstapte. Karzai’s opvolger Ashraf Ghani moest niets hebben van de cliëntelistische netwerken van Karzai. Om zijn belangen veilig te stellen, ging Khan vervolgens tegen heug en meug de samenwerking aan met een paar van zijn voormalige tegenstanders van de andere stammen in Uruzgan. Gevolg was niet meer stabiliteit of vrede, maar juist dat de groep maffiosi die het voor het zeggen had verder werd uitgebreid en de groepen die niet mee mochten doen harder werden onderdrukt.
En toen werd Kahn opeens vermoord.

Familiegraf: Het graf van Matiullah Khan. Op de achtergrond het graf van Jan Mohammed Khan, de ‘warlord’ die hem voorging, tevens zijn oom. | Foto: Bette Dam

In Uruzgan bleef het aanvankelijk rustig. Leden van de Popolzai stelden meteen voor Khans broer Rahimullah op de troon te hijsen. Dat hij piepjong was en geen enkele ervaring had bij de politie, deed er niet toe. President Ghani trok zich niets aan van deze lobby en benoemde een volslagen buitenstaander als hoofd van de politie. Dat zette kwaad bloed. Een maand of twee na Khans dood begon het te gisten in Uruzgan. Leden van Khans militie die roadblocks en commandoposten bemanden, liepen boos weg. Sommigen waren echt boos, op andere plaatsen ging het om een gecoördineerde actie die was opgezet door loyalisten van Matiullah, zo werd me verteld door inwoners van het district Deh Rawod, oud-gouverneur Assadulah Hamdam en regeringswoordvoerder Javed Faisel. Dat het inderdaad ook om een gecoördineerde actie ging, bleek toen Popolzai-stamoudsten op de nationale televisie in debatprogramma’s verschenen om met waarschuwende vinger het aloude mantra ‘steun ons, anders verlies je Uruzgan aan de taliban’ verkondigden.

Alleen asfalt en stenen

Ook in Nederland werd het nieuws over de onrust in ‘onze provincie’ door de media opgepikt. ‘Taliban dreigen Uruzgan in te nemen’, kopte de NOS in mei van dit jaar. Het bericht werd door diverse andere media overgenomen. In werkelijkheid was de situatie veel gecompliceerder: de aloude stammentegenstellingen waren immers weer opgelaaid. De Toghi uit Mirabad die jarenlang waren vernederd, verjaagd en buitengesloten, deden weer eens een gooi naar de macht. Ze namen de verlaten roadblocks over en er werd hevig gevochten om de door Khan en zijn mannen geroofde landerijen en dorpen te heroveren.

Khan militair confronteren was nooit een optie. Hij had immers de volledige steun van de Amerikanen.

Die stammen vochten inderdaad met wapens die ooit door de taliban waren geleverd, maar evengoed met wapens die ze van Matiullah hadden gekregen in een periode dat het contact met hem wél goed was. Van een centraal taliban-commando was geen sprake. Sterker: dat bestaat helemaal niet in Uruzgan. Ook hangt niet een van de stammen de wahabitische geloofsleer aan die de taliban uitdragen. Zelf heb ik daar in ieder geval nooit iets van gemerkt tijdens mijn ontmoetingen met vertegenwoordigers van die stammen.

Na een week van hevige gevechten boog president Ghani alsnog voor de Popolzai: Kahns broer Rahimullah werd in het zadel gehesen, niet als politiecommandant, maar als ‘veiligheidschef’, een voor de gelegenheid gecreëerde functie. Al meteen na zijn aantreden liet Rahimullah weten dat de militie die hij van zijn broer erfde niet zal luisteren naar de door Kaboel benoemde politiecommandant.

Nu, een half jaar na de moord op Khan, laaien in het noorden van de provincie nog regelmatig gevechten op. In het district Khas Uruzgan liep de situatie onlangs volledig uit de hand nadat een corrupte politiecommandant een meisje zou hebben verkracht. Bewoners van het district kwamen massaal in opstand, aldus de denktank Afghanistan Analyst Network. Toen gevechten uitbraken, gingen plaatselijke bestuurders op de vlucht voor de boze bewoners. De politiecommandant werd op het nippertje gered door een airlift van een toegesnelde Amerikaanse helikopter. Alleen met deze noodgreep wisten de Amerikanen hun bondgenoot levend uit de chaos te vissen. Het moment dat ik dit schrijf, begin september, is het nog steeds onrustig in het district.

Ondertussen heeft Khans opvolger Rahimullah zijn eerste aanslag overleefd. Eind augustus reed zijn auto op een bom toen hij op weg was naar Kandahar. Rahimullah overleefde, maar zijn bijrijders sneuvelden.

En de Nederlandse erfenis? De beloofde veiligheid? Daar is weinig van over. Goed bestuur? Daar is het nooit van gekomen.

Het enige wat rest van honderden miljoenen kostende Task Force Uruzgan zijn de infrastructurele projecten. De asfaltweg die het district Chora verbindt met hoofdstad Tarin Kowt wordt nog volop gebruikt. En de technische school staat nog overeind, net als de gevangenis en de aankomstterminal bij het vliegveld. Maar voor hoe lang?