Iedereen heeft tegenwoordig recht op een podium om meningen te verkondigen, of ze nou gefundeerd zijn of niet. Zo worden talkshows het feest van de matige opiniemaker om eens lekker de algemene tendens tegen de haren in te strijken.
Een transgender vrouw en een man die transgenders veracht moeten samen een opdracht uitvoeren. Ze weten niets van elkaar terwijl ze meubels in elkaar schroeven en grote blokken tegen elkaar aan schuiven. Als ze klaar zijn staat er ineens een bar met twee krukken. Pak allebei een biertje, is de volgende aanwijzing, en kijk naar de korte filmpjes op het scherm. ‘Ik ben een dochter, een echtgenote. Ik ben transgender,’ horen we de vrouw zeggen. De man fronst. Dan kunnen de twee kiezen of ze weglopen of onder het genot van een Heineken-biertje over hun verschillen praten. Al na een paar slokjes zegt de man: ‘Ik ben opgegroeid in een wereld waar alles zwart-wit is, maar niet alles ís zwart-wit.’ De vrouw lacht: ‘Ja, ik ben gewoon mezelf.’ Proost!
In het utopische reclame-universum van Heineken worden er vervolgens telefoonnummers uitgewisseld. Shiny happy people holding hands. Eind goed, al goed. Maar in de praktijk loopt het meestal iets anders af.
Want als de wereld niet zwart-wit is dan máken we hem toch zwart-wit?
Met kromme tenen luisterde ik dit weekend naar het programma Kwesties op NPO Radio 1, waarin onder leiding van Rob Oudkerk werd gedebatteerd over de vraag of Nederland een seksistisch land is. Econoom en Volkskrant-columnist Heleen Mees schoof aan, maar er moest natuurlijk ook een tegengeluid te horen zijn. Iemand die alle vrouwen kuthoeren vindt, bij voorkeur. Want als de wereld niet zwart-wit is dan máken we hem toch zwart-wit? De redactie kwam uit bij een obscure versiercoach en een nog obscuurdere anti-feministische filosofiestudent, die sprak van ophef-exploitanten met fascistoïde ideeën en vooral snuivend lachte als een ander aan het woord was. ‘Stel je niet aan,’ zei hij, en ‘Lieverd, lees mijn stuk.’ ‘Ik heb zelf niet het gevoel als luisteraar dat jullie naar elkaar luisteren, klopt dat?’ had Oudkerk nog geprobeerd. Maar dat was natuurlijk ook helemaal niet de bedoeling.
‘In het populisme staat het idee centraal dat de elite niet luistert,’ stelde politicoloog Sarah de Lange dit weekend in NRC Handelsblad. Geen wonder dat er nu voor de zekerheid met gespitste oren naar iedereen wordt geluisterd, of iemand er nou een jarenlange wetenschappelijke carrière op heeft zitten of op een regenachtige dinsdag de Wikipedia-pagina over rode hond tot zich heeft genomen. Een feest voor matige opiniemakers dus, die sinds de onverwachte winst van Trump dagelijks ergens kunnen aanschuiven om de algemene tendens heerlijk tegen de haren in te strijken. Seksisme bestaat niet. Met het klimaat is alles piekfijn in orde. En olifanten zijn zoogdieren zeggen jullie? Dat zullen we nog weleens zien.
Vaak doet het nog het meest denken aan het internetfenomeen trolling, volgens Urban Dictionary ‘de kunst om mensen moedwillig, behendig en stiekem kwaad te maken binnen een dialoog.’ Het belangrijkste aspect ervan is doen alsof je echt gelooft wat je zegt. En het loont, irriteren om het irriteren. Financieel dan, want grotere intellectuele armoede bestaat er bijna niet.
Priester Jonathan Swift, een trol avant la lettre, schreef in de achttiende eeuw anoniem het essay A Modest Proposal, waarin hij voorstelde dat de welgestelde Ierse elite de baby’s van hun arme landgenoten op zouden eten. Op die manier zou er geen honger en overbevolking meer zijn. En geen armoede, want de ouders van de babyfricassée of zuigelingenragout in spe zouden natuurlijk ruimschoots gecompenseerd worden. Satire. Trollen met een missie. Namelijk de harteloze omgang van de elite met de armen aan de kaak stellen. In tijden van nihilistisch geklier kunnen we daar alleen maar van dromen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.