De bruisende stadseconomie blaast bubbels van ongelijkheid. De grote vraag is: willen we dit wel?

De bruisende stadseconomie blaast bubbels van ongelijkheid. De grote vraag is: willen we dit wel?

Het leven van de toekomst is stadsleven. Verstedelijking is een wereldwijde trend, zie ook de columns van collega Ko Colijn deze en vorige week. Als steden onze toekomst zijn, dan is de stad van nu dus te beschouwen als een glazen bol. Wat vertellen steden ons over de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt? En wat betekent verstedelijking voor onze economie? Laten we een blik werpen op onze eigen hoofdstad. Amsterdam groeit en bloeit: meer inwoners, meer huizen, meer bedrijven, meer banen, meer geld, meer toeristen, meer hotels. De stad is een groeigenerator, blijkt uit het uitgebreide onderzoek ‘De Staat van de Stad’, dat de statistiekafdeling van de gemeente net heeft gepubliceerd. De Amsterdamse economie groeide afgelopen jaar 1,3 procent (het landelijke gemiddelde is 0,9 procent), en zal dit jaar naar verwachting ruim 3 procent groeien. Amsterdam blijkt een broedplaats voor innovatie en ondernemerschap; 23 procent van de Amsterdammers is ondernemer, tegen gemiddeld 16 procent in de rest van Nederland.

Mensen en bedrijven zijn in steden sowieso productiever. Dit houdt verband met wat economen ‘agglomeratie-effecten’ noemen. Denk hierbij aan het gemak waarmee je in de stad via persoonlijk contact een netwerk op kan bouwen. Denk aan een groot arbeidsaanbod en een soepeler selecterende arbeidsmarkt. Denk aan het eenvoudig delen van informatie. Agglomeratievoordelen zijn betekenisvol. Verdubbeling van een stad kan wel tien procent productiviteitsgroei opleveren, blijkt uit een recente studie van het CPB.
Binnen de ringweg wordt het leven steeds beter, buiten de ring hebben mensen het steeds moeilijker.

Stadsleven is bruisend leven. Agglomeratie-effecten jagen de economische groei aan. Vanzelfsprekend heeft dit ook een keerzijde. De stad spiegelt ons een kansrijke dynamische toekomst voor. De andere kant van de medaille is een harde meritocratische mannenwereld. Wie hoog opgeleid en ondernemend is, verdient goed. Het aandeel hoge inkomens stijgt. In 2012 hoorde een op de acht Amsterdammers (12,4 procent) tot de grootverdieners. Tien jaar terug was dat nog een op de veertien (7 procent). Aan de andere kant moet 20 procent van de Amsterdammers het doen met een laag inkomen en dat verandert amper. De middeninkomens, dat is een algemene trend, gaan er ook in de stad relatief op achteruit. De ongelijkheid in inkomen en in vermogen is in Amsterdam groter dan gemiddeld in Nederland. De rijke Amsterdammers zijn gemiddeld rijker, de arme Amsterdammers gemiddeld armer.

Jonge vrouwen zijn, zowel qua opleiding als inkomensniveau, bezig met een spectaculaire inhaalrace. Maar toch, kijken we naar het algehele welzijn, dan hebben vrouwen van 45 jaar en ouder het in Amsterdam significant minder goed dan mannen van die leeftijd. En van de bijstandsmoeders heeft 72 procent moeite om rond te komen.

Witte dominantie

Ook de witte dominantie springt in het oog. Op alle fronten doen Amsterdammers met een niet-westerse achtergrond het slechter dan de blanke bevolking. Terwijl Amsterdam bloeide, zijn Surinaamse Amsterdammers er de afgelopen twee jaar zelfs op achteruitgegaan.

Het bruisende leven blaast bubbels van ongelijkheid. Binnen de ringweg (de snelweg A10) wordt het leven steeds beter. Buiten de ring hebben mensen het steeds moeilijker. Wie even uitzoomt, ziet sterke concentraties van welvaart en welzijn in het centrum en in Amsterdam-Zuid en opeenhopingen van misère in Noord, Zuidoost en Geuzenveld/Slotermeer.

Steden zijn de toekomst. Amsterdam houdt ons een spiegel voor. Meer dynamiek, meer meritocratie, meer verschil tussen arm en rijk, tussen hoog en laag opgeleid, tussen goede wijken en slechte wijken, tussen de overwegend blanke bovenlaag en de gekleurde kansarme onderlaag. Dat is de richting van de stadseconomie. De grote vragen zijn hierbij: willen we dit? En, zo nee, wat doen we er dan aan?