Fotodocument

Deze vissers zijn zelf vis geworden

Ed Croonenberg
Wie de Griekse eilanden bezoekt, ziet de laatste generatie vissers de laatste vis uit zee halen in de laatste generatie houten vissersboten.

Iconisch zijn ze, de kleurige kaïkia-bootjes in de door eethuisjes omlijste vissershaventjes van Griekenland. Even vertrouwd zijn de mannen met de gegroefde koppen die hun lunchhapjes wegspoelen met ouzo of raki. ‘Luie Grieken op terrassen,’ in Telegraaf-taal. In werkelijkheid zijn het vaak vissers, die om vier uur ’s ochtends van wal steken om tsipoura (brasem) te gaan vangen, of barbouni (mul). Vissen waarvan de prijs in de zomer verdubbelt vanwege de toeristen. ’s Winters moet je niet gek opkijken wanneer een visser erop aandringt dat je je naam invult op een verfomfaaid vel papier vol nummers: de visloterij. ‘Grapse t’onoma sou,’ zegt hij – schrijf je naam op. ‘Ik heb zeebaars vandaag. Eén euro per nummer, vooruit dan: drie nummers voor twee euro.’ Rond acht uur ’s avonds vraagt hij een willekeurige cafébezoeker om uit een smoezelig katoenen zakje twee genummerde houten knikkers op te diepen, waarna hij de tavernes afloopt om de deelnemers op de hoogte te stellen van het trekkingsresultaat.

Deze visser maakt deel uit van een uitstervende populatie. Vanaf de jaren negentig stelde de EU subsidies in voor de ‘reductie’ van de Europese vissersvloten. De Griekse overheid begon vissers uit te kopen, op voorwaarde dat ze hun boten vernietigden. Traditionele kaïkia, trechandiria en andere scheepstypes die eeuwenlang van de scheepswerven op Lesbos, Syros, Paros en andere eilanden afkwamen.

Lesbische olijfolie

Met hun ongerepte baaien en middeleeuwse dorpjes lijkt de vooruitgang aan de Griekse eilanden te zijn voorbijgegaan. Maar wie oplet, ziet overal de tekenen van een bedrijvig verleden. De industriële revolutie van de negentiende eeuw heeft de Egeïsche zee niet overgeslagen – integendeel. In fabrieken vergemakkelijkte de stoommachine de verwerking van allerlei traditionele producten, en ingebouwd in schepen bracht de stoommachine markten dichterbij. In Klein-Aziatische steden als Smyrna en Aïvali bevond zich een Griekse handelselite die een omvangrijk Ottomaans achterland bediende. De haremdames van de Sultan wasten zich naar verluidt met zeep gemaakt van de allerbeste Lesbische olijfolie. In havenstadjes als Perama en Plomari steken de in onbruik geraakte schoorstenen nog altijd boven de daken uit. De ondergang van de zeephandel zou aan de begerigheid van de fabrikanten te wijten zijn, zo luidt het verhaal. Toen handelaren in Smyrna ontdekten dat de fabrikanten steeds meer klei aan de zeep toevoegden, weigerden ze het Lesbische product nog in te kopen.

Naast zeep exporteerden de Griekse eilanden uiteenlopende producten als olijfolie, aluin, glas, textiel, marmer, mastiek en, vooral dus ook, schepen. De trots van de scheepswerven op de eilanden was de trechandiri. Dat scheepstype werd in de zeventiende eeuw ontwikkeld op Hydra, het Saronische eiland nabij de Oostelijke Peloponnesos. Al snel liepen ze ook op andere eilanden van de helling. De kleinste zijn vijf meter lang, de grootste wel dertig. Ze werden niet gebouwd op snelheid, wel op robuustheid. Want de Middellandse Zee heeft een grillig humeur. Trechandiria werden overal voor gebruikt: transport, visserij en het vervoeren van de post. Tegenwoordig zit er meestal een dieselmotor in en vervoeren ze duikers en toeristen.

Humanitair drama

De scheepsbouwers bouwden hun houten trechandiria en andere boten zonder tekeningen. Net als instrumentmakers die lyres en bouzoukia bouwen voor muzikanten die ze al decennialang kennen, hebben ze genoeg aan de mondelinge instructie van de klant. En net als die muziekinstrumenten was ieder schip uniek. Het was een ambacht dat van generatie tot generatie overging, totdat het kapot sloeg op de rotsen van de moderniteit: bureaucraten die betalen om boten stuk te mogen maken. En uniforme, in serie geproduceerde boten van polyester.

De malaise zou overigens al eerder inzetten. Na de Grieks-Turkse oorlog van 1922 werd in het verdrag van Lausanne bepaald dat Klein-Azië van alle Grieken en de eilanden van alle Turken gezuiverd zouden worden – een humanitair drama waarbij ook alle handelsbanden werden doorgesneden. Beroofd van hun traditionele markten stroomden de eilanden snel leeg richting de grote Griekse steden, en naar Amerika, Zuid-Afrika en Australië. Want migreren is een Griekse traditie sinds in de diepe oudheid jonge eilandbewoners door hun ouders de zee op gedwongen werden om nieuwe kusten te ontginnen.

Wie de Griekse eilanden bezoekt, ziet de laatste generatie vissers de laatste vis uit zee halen in de laatste generatie houten vissersboten. Steeds vaker worden hun netten opengescheurd door hongerige dolfijnen die geen vis meer kunnen vinden. De toekomst is aan de viskwekerijen, en aan de opgewekte Griekse hobbyvissers die ontsnapte kweekvissen ‘per ongeluk’ aan hun harpoen rijgen.
Fotograaf Christian Stemper legde de laatste vissers en botenbouwers op Paros vast in een boek en een documentaire. ‘Gedaan. Voorbij. Dat was het dan. Niemand leert dit ambacht nog,’ zegt scheepsbouwer Petros Aliprantis. Visser Konstantinos Stratis: ‘De vissers hebben in het aas van de EU gebeten en zijn zelf de vis geworden.’

‘Lupimaris’, door Christian Stemper, www.lupimaris.com.

Deze vissers zijn zelf vis geworden

Filippas Tsantanis: ‘Mijn opa was visser. Ik erfde zijn bijnaam, de Professor.’ Foto: Christian Stemper

De Ilias Maria, boot van Filippas Tsantanis. Foto: Christian Stemper

De laatste wilde vis: van links boven met de klok mee: baars, zonnevis, zeebrasem en schorpioenvis. Foto: Christian Stemper

Alexandros Kritsalis: ‘Zoals de dolfijnen met De Coral spelen, zo speelt zij met ons.’ Foto: Christian Stemper

Athanasios Karapetis: Met de Despoina redde Karapetis in 2000 drenkelingen van de zinkende ferry Samina. Foto: Christian Stemper

Nikita Malamatenios: ‘Ik ben altijd visser geweest – niet uit noodzaak maar als keuze.’ Rechts zijn boot De Panagia. Foto: Christian Stemper

Petros Delentas: ‘De Manolis heeft me gered van een leven als matroos. Door haar was ik in staat hier een leven op te bouwen.’ Foto: Christian Stemper