De netwerk-idealisten

Aart van Veller (24) eet biologisch, is vegetariër, heeft hip halflang haar en draagt een gebloemd Hans Ubbink-overhemd. Op zijn zestiende las hij een boekje over de voorspellingen van de Club van Rome, en hij was geschokt. Tot dan toe was het zijn bedoeling om na zijn studie lekker carrière te maken bij een grote consultant. ‘Grote auto, mooi huis – die kant zit in mij. Maar ik dacht ook, shit, dit gaat niet goed. Er moet iets gebeuren.’ Toen hij vervolgens op school een spreekbeurt hield over het onderwerp, deed hij dat in pak. Met een stropdas, die bij nadere bestudering versierd bleek met het logo van het Wereldnatuurfonds.

Waarschijnlijk had Van Veller niet kunnen bevroeden dat hij acht jaar later omringd zou worden door zoveel gelijkgestemden, én gelijkgekleden. Tijdens Clean Drinks, een mede door hemzelf georganiseerde ontmoetingsavond voor jonge duurzame ondernemers, loopt niemand er sjofel bij. Bij de ingang word je weliswaar gemerkt met een aardappelstempel, wat een veeg teken lijkt. Maar binnen, in het Amsterdamse restaurant Fifteen, dartelen vrijwel alleen maar jonge, mooie mensen om elkaar heen. Er wordt goede wijn geschonken, in grote glazen. Hier en daar slingert een laptop. En iedereen is zo enthousiast aan het netwerken dat de afzegging van gastspreker Wubbo Ockels nauwelijks een domper is.

Aart van Veller (links)
Aart van Veller (links)

Voor de niet-ingewijde is het even met de ogen knipperen. Nog niet zo lang geleden was een evenement met een milieuvriendelijk doel zonder twijfel een parade geweest van linnen Waddenzeetasjes, serieuze gezichten, hennahaar en pakken shag in de borstzakken van ongestreken overhemden.

Zelfs de bijbehorende taal lijkt veranderd. De aanwezigen hebben het steevast over ‘groen’ of ‘duurzaam’. Het woord ‘milieu’ is uitgebannen. Deze avond zou, zo op het oog, ook een bijeenkomst van aankomende advocaten kunnen zijn. En dat vindt Van Veller helemaal niet erg. Als oprichter van Wij Zijn Koel, een adviesbureau op het gebied van klimaatneutraal ondernemen, geeft hij regelmatig presentaties. Dan komt hij op in pak, tilt zijn broekspijpen op en onthult een paar geitenwollen sokken, die hij vervolgens demonstratief uittrekt. ‘Om te tonen: dat is voorbij,’ zegt hij lachend.

En dit is nu: een netwerkavond in stijl. Waar je het naar je zin hebt. Maar ook met een concreet doel. ‘Want er is behoefte aan onderling contact,’ zegt Van Veller. ‘Ze rennen wel hard, die duurzame gasten, maar vaak langs elkaar heen.’ Logisch ook, meent hij, op zo’n breed en grotendeels onontgonnen terrein. ‘De een zit op het social justice-stuk, met het helpen van mensen in ontwikkelingslanden, de ander op het planet-stuk. Wat ze bindt, is het bewustzijn dat we het sámen moeten oplossen. Daarom is er ook geen concurrentie in deze scene. Het is open source, kennis delen. Het draait om het gevoel: vet dat jij er ook mee bezig bent.’

Zo te zien is GroenLinks-politica Marijke Vos, die stralend rondloopt tussen de verschillende tafels, het daar helemaal mee eens. ‘Groen is de toekomst,’ jubelt ze. ‘En als er érgens mensen zijn die dat begrijpen, dan is het wel hier!’

Patat
Doen die mensen dat uit bezorgdheid over de toekomst van de wereld, of omdat er een goede carrière zit in duurzaamheid? Waren dezelfde mensen tien jaar geleden niet allemaal een IT-bedrijfje begonnen, toen dát de markt was waar de kansen lagen? En gesteld dat het zo is: is dat dan erg? Om de zoveel tijd borrelt de vraag weer op: is de huidige generatie jongeren maatschappelijk betrokken? Zijn ze geëngageerd, idealistisch, bereid om iets te doen voor een betere wereld? Vaak is het antwoord negatief. Jongeren wordt doorgaans onverschilligheid verweten door de generatie vóór hen. En je kunt je afvragen of dat, in elk geval deels, komt omdat het engagement van een nieuwe generatie eeuwig wordt afgezet tegen dat van de jaren zeventig, toen de Nederlander er zo’n beetje dagelijks op uittrok om, gewapend met vlag en gitaar, het Walhalla dichterbij te brengen.

In de jaren negentig werden de Nederlandse twintigers gezien als een apathische generatie. Een generatie – of je het nu ‘X’, ‘Nix’, of ‘patat’ noemde – die zich liet inspireren door pulpcultuur, zich liet leiden door desinteresse, kranten noch boeken las en haar eigen egoïsme als ideaal beschouwde. Engagement was niet eens een vies woord, het bestond simpelweg niet. De hoogopgeleide jongere, ‘de vormgever van de toekomst’, ontbrak het aan enige vorm van maatschappelijke inzet en betrokkenheid.

De antiglobaliseringsbeweging, die rond het millennium in vrijwel alle ons omringende landen voor veel ophef zorgde, werd in Nederland nauwelijks serieus genomen. Weliswaar werden de boeken van Naomi Klein en Noreena Hertz gretig gelezen, maar het kwam niet tot protest op straat. Antiglobalisten bleven voor velen een soort krakers met een mobiele telefoon. Geen serieuze deelnemers aan het publieke debat.

Marijke Vos (midden)
Marijke Vos (midden)

De vraag ‘waarom niet?’ kunnen ze geen van allen simpel beantwoorden. Maar ergens raakt het aan het thema van hun volgende symposium: overvloed. En dan vooral: een overvloed aan beelden en informatie. ‘Onze ouders waren afhankelijk van twee tv-zenders en een paar kranten,’ zegt Steije Hofhuis. ‘Voor ons is er geen excuus meer om niet te weten wat de problemen zijn. Het gaat erom: wat doe je met al die informatie?’ Volgens Hofhuis raak je daardoor ‘een beetje lamgeslagen’.

‘Ik zie bij mijn generatie zo’n sterk realiteitsbesef,’ zegt Rob Wijnberg, ‘dat ze de optie om idealistisch te worden niet eens meer overwegen.’ Die realiteit is weliswaar overrompelend, maar klopt bij de Nederlandse jongere toch nog niet echt op de deur. ‘We zijn nog altijd enorm welvarend, onze zorgen zijn betrekkelijk en de grote problemen zijn abstract. Wij zien de economische crisis in cijfers en grafieken. Terrorisme is een soort alarmschaal met de kleuren groen, oranje en rood. Of het is letterlijk ver weg, in Irak of Afghanistan.’

Wellicht is dat een reden waarom problemen bij het de happyChaos-studenten niet echt ‘binnenkomen’. Als ze eerlijk is, zegt Jolien Francken (22), voelt ze niet de behoefte om zich na haar studie in te zetten voor een betere wereld. ‘Maar dat vind ik heel raar van mezelf. Ik snap niet hoe iets je wél kan aangrijpen, maar dat je er niet de motivatie van krijgt om er ook iets aan te doen.’

‘Er gebeurt de hele tijd zoveel, dat het al gauw geen indruk meer maakt,’ zegt Fernande van Tets (23). ‘Het ene moment is de Mexicaanse griep iets verschrikkelijks, een week later is het: een weekje in bed, en niks aan de hand.’ En een ‘historische’ revolutie in Iran wordt van de krantenpagina’s verdreven door de dood van Michael Jackson. ‘Dus zet je je Twitter-account op groen om te tonen dat je de opstand in Iran steunt. Maar is dat dan engagement, of toch weer disco-idealisme?’ Wat in de tussentijd wel concreet is, zegt Steije Hofhuis, is de druk om snel af te studeren. ‘Mijn docenten konden vroeger eindeloos doorstuderen en hadden al die tijd een beurs. Dat is in ons geval ondenkbaar. En ik denk dat studenten daarom minder activistisch zijn.’ Lachend: ‘Zo’n Mohammed B. kon ook de hele dag filmpjes kijken op internet omdat hij een uitkering had. Dan ontstaat er ruimte voor activisme.’ Christian le Clerq: ‘Ik denk dat er alleen een massa op de been te brengen is voor een goede zaak als er een aansprekende leider achter gaat staan.’

Geloof in het goede leven
Geworstel met het eigen engagement: Wij Zijn Koel-oprichter Aart van Veller heeft er weinig last van. Wel denkt hij dat demonstreren en activisme niet van deze tijd zijn. ‘De milieubeweging van de jaren zeventig heeft veel dingen aangekaart. Als zij niets hadden gedaan, zaten we nu nog met zure regen en een enorm gat in de ozonlaag. Maar het was ook een beweging die vooral tégen dingen was. Die uitdroeg: eigenlijk moeten we ons als mens schuldig voelen dat we hier op aarde zijn. Eigenlijk moeten we in een hutje op de hei gaan wonen. De grote industrieën en de multinationals, dat zijn de schuldigen, en dus ketenen we ons vast aan kerncentrales.’ De mensen van nu, zegt Van Veller, ‘staan veel meer in de wereld. Ze snappen hoe enorm complex dingen in elkaar zitten, en dat het niet zoveel zin heeft om je daar tegen af te zetten. Je moet proberen het van binnenuit te veranderen. Inclusief, niet exclusief. Dus is het een heel andere beweging. Met geloof in het goede leven, en dat we ons niet schuldig hoeven te voelen dat we hier zijn.’ Kortom; je zegt niet langer: die multinational deugt niet, daar ga ik niet werken. Je neemt die baan wél. ‘En je spreekt je baas aan: “Gast, dit kan zo niet meer, dit gaan we anders doen.”‘

Die houding is nieuw, meent Gabi Spitz (24), al was het maar omdat mensen in het verleden zelden in zo’n positie terechtkwamen. Spitz was jongerenvertegenwoordigster bij de Verenigde Naties en werkt nu bij de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO). ‘Als je in de jaren zeventig een hippie was, dan was samenwerken met het bedrijfsleven een taboe. Want de commercie was vies. Was je geen hippie, dan wilde je niks weten van duurzaamheid en internationale samenwerking. Dat was geitenwollensokkengedoe. Wij zijn de generatie die afstand heeft genomen van dat stigma. We zijn doordrongen van het besef dat we het samen moeten doen: politiek, bedrijfsleven, en privé. En dat is hoopvol.’

Ook Karen Vintges, filosofe aan de Universiteit van Amsterdam en auteur van het boek De terugkeer van het engagement, ziet onder jongeren een nieuwe, praktische variant van engagement de kop opsteken. ‘Het wordt vaak afgedaan als niet interessant, omdat er geen grote ideologie achter zit. En dat vind ik jammer. Geef mij dat engagement van nu maar. Het idealisme van toen was een soort fundamentalistische religie, met een gesloten wereldbeeld, dogmatisch. Nu gaan jongeren niet meer uit van een blauwdruk van de ideale samenleving. Ze zijn soepeler, juist omdat ze minder grote pretenties hebben. Geen grote woorden, maar laten zien wat je doet.’

Een nieuwe vorm van sociale betrokkenheid, meent Vintges, ‘maar dan zonder -isme’. Volgens haar gaat het dieper dan het praktisch idealisme. ‘Het is voor veel jongeren een nieuwe levenswijze aan het worden, waarbij ze hun hele leven in het teken zetten van bepaalde doelen. Het gaat niet meer alleen om borrelen en bomen planten.’

– ‘Je spreekt je baas bij de multinational aan: “gast dit kan zo niet meer, dit gaan we anders doen”‘

Gabi Spitz zat ooit zelf in de hoek van het praktisch idealisme, deed mee aan maatschappelijke projecten. ‘Maar allemaal meer voor de leuk,’ zegt ze. Terugkijkend vind ze het ‘een beetje een wassen neus’. ‘Ze hebben “goed doen” tot een hype gemaakt, en dat is in zekere zin wel revolutionair. Maar ik denk dat de meeste praktisch idealisten inmiddels wel inzien dat het niet genoeg is. En misschien komt het wel door hen dat de huidige generatie verder wil gaan. Want ik zie extreem veel jongeren die zich actief inzetten, hun eigen stichting beginnen, duurzame bedrijfjes uit de grond stampen. Er is iets gaande.’

Zelf omschrijft ze zich inmiddels als een ‘ambitieus idealist’. Al vroeg kwam ze terecht bij de Verenigde Naties, ze reisde de wereld over en ontmoette mensen als Kofi Annan. ‘Ik zit in de “betere wereld-business”,’ zegt ze lachend. ‘Een wereld waarin iedereen zeer gedreven is, maar wel op een heel abstract niveau.’ Ze heeft wel eens twijfels over wat het allemaal oplevert. ‘In het VN-circuit is dat vaak beperkt. Je bent al dolgelukkig als er drie woorden die jij bedacht hebt in een VN-tekst terechtkomen. En dan is het maar hopen dat iemand het leest, en er vervolgens ook iets mee gaat doen.’

Dat kan een valkuil zijn, denkt Spitz. Het engagement mag dan borrelen onder haar generatiegenoten, ‘die zitten allemaal niet op de plekken waar de invloed zit. En de mensen met macht gaan door op de oude voet. Neem zo’n milieutop in Kopenhagen: de hele maatschappij wordt gemobiliseerd voor een bijeenkomst waarvan je de uitkomst al weet. Het gaat namelijk weinig opleveren. Zullen die jongeren zich de volgende keer weer inzetten? Je loopt het risico dat het engagement implodeert.’

Ga eerst eens studeren
Karen Vintges ziet bij de jonge generatie een hernieuwd enthousiasme om naar ontwikkelingslanden af te reizen en vrijwilligerswerk te doen. Dat wordt gestaafd door recent onderzoek van NCDO. Eenenzeventig procent van de jongeren meent dat het goed staat op je cv, negenenveertig procent noemt ontwikkelingswerk ‘hip’, en zeven procent – nog altijd een op de vijftien – doet het daadwerkelijk.

Dat is heel mooi, maar is het ook werkelijk zinvol? Schrijfster Renske de Greef (25) verbleef een tijd in Tanzania om er een tijdschrift over jongerencultuur op te zetten, en zag inderdaad een stroom van jonge westerse vrijwilligerswerkers die geloofden de wereld te redden met het werk dat ze daar verrichtten. ‘Het is een heel individualistische vorm van idealisme,’ zegt De Greef. ‘Ze willen geen geld geven aan iemand anders. Ze willen het zelf doen, het met eigen ogen zien. Dan wordt het tastbaar, en daarin zit de aantrekkingskracht. Je kunt naar een lachend weeskind kijken dat met jouw oude blokkendoos aan het spelen is.’

In haar ervaringen met vrijwilligers vond De Greef inspiratie voor haar tweede roman, En je ziet nog eens wat, die volgende maand verschijnt. ‘Vrijwilligerswerk is het nieuwe backpacken,’ zegt ze. ‘Vroeger ging je een jaar op reis, maar nu weet iedereen dat je aan de andere kant van de wereld toch je klasgenootjes weer tegenkomt. Er is niets lonely meer aan deze planet. Dus bouwen ze nu scholen, slaan putten en werken in weeshuizen.’

De voormalige Spunk-columniste twijfelt niet zozeer aan de oprechtheid van de wereldverbeteraars, maar vindt ze wel vaak naïef. ‘Sommigen hebben het idee dat het aan de borst drukken van elke aidsbaby echt helpt. Ze zijn over het algemeen heel jong, dus je kunt niet verwachten dat ze de complexiteit van het “goed doen” doorgronden. Maar soms dacht ik wel, ga eerst eens studeren voordat je er op uittrekt. Zodat je ook je kennis kunt inzetten, in plaats van een vaag idee van zuiver idealisme.’

Doodlopende straat
Idealisme is, zo blijkt maar weer, zowel toverwoord als struikelblok. Sinds de ‘bevlogen’ jaren zeventig wordt het door velen beschouwd als een voorwaarde voor wereldverbeteren. Maar volgens filosoof/schrijver Rob Wijnberg kun je het hele begrip beter in de vuilnisbak mieteren. ‘Idealisme is het kleine broertje van de ideologie. Het impliceert het geloof in iets hogers dan alleen de mens zelf. Het veronderstelt dat er een einddoel is wat je kunt bereiken als iedereen maar het juiste inzicht zou hebben. Een vorm van verlossing. Maar alle grote ideologieën – ik noem even het communisme en het nazisme – zijn uitgelopen op rampen. Een ideologie is altijd een alternatieve route naar wéér een doodlopende straat.’

Maar goed ook dus dat de huidige generatie zich niet meer schaart achter een overkoepelende ideologie. Hetzelfde concludeerden ook elf jonge onderzoekers in het boek Politiek van de Netwerkgeneratie, uit 2007. ‘Voor vorige generaties was die “betere wereld” nog een overkoepelend ideaal waar alles overzichtelijk in paste,’ schreef een van die onderzoekers, Gustaaf Haan, in de Volkskrant. ‘Je kon best demonstreren vóór democratie en vrouwenrechten, en tégen woningnood en kernenergie tegelijk, want je streed altijd voor de Goede Zaak. Voor ons is dat containeridealisme niks. We lossen problemen liever per stuk op.’

Paradoxaal genoeg, zegt Rob Wijnberg, is het ontbreken van een ideologie ook de achilleshiel van de huidige generatie. ‘Want om mensen op grote schaal in beweging te krijgen, heb je wel degelijk een ideologie nodig. Waarom denk je dat alle godsdiensten extreem goed georganiseerd zijn, en alle atheïsten niet? Ik keur ideologieën af, en geloof dat praktisch handelen het beste is, of het enige, wat je als mens kunt doen om de wereld te verbeteren. Maar tegelijkertijd is het ontbreken van een groot verhaal een probleem, omdat je alleen daarmee anderen kunt inspireren om te doen wat jij doet.’

Er zijn in Nederland ook geen aansprekende figuren die dat grote verhaal uit kunnen dragen, klagen de happyChaos-studenten. Waarmee zij de bal terugkaatsen. Je kunt jongeren wel een gebrek aan bevlogenheid verwijten, maar dat staat niet los van het klimaat waarin ze opgroeien. ‘In Nederland is er een extreem gebrek aan leidende figuren,’ zegt Rob Wijnberg. ‘Hilversum schuift consequent soapsterren en rappers naar voren als iconen van de jeugd. Alles wat riekt naar intellectueel en diepgravend vinden ze te moeilijk. Als je woorden met meer dan drie lettergrepen gebruikt, ga je maar bij de VPRO tegen tachtigplussers praten.’ Zo raak je volgens hem vanzelf geconditioneerd. ‘Als ik een week lang MTV kijk en daarna een filosofiecollege volg, denk ik ook: wanneer komt nou de punchline?’

Als er in Nederland al mensen zijn die grote groepen jongeren kunnen inspireren, dan krijgen ze de ruimte niet. Wijnberg: ‘Het zou moeten gaan over de inhoud, en de problemen van nu zijn heel complex. Maar hoe kun je nou een diepgravend verhaal vertellen in zes minuten, als Jeroen Pauw er de helft van de tijd doorheen praat, en vervolgens de Zappservice wordt ingestart.’

Volgens Rob Wijnberg is het maar een aanname dat alles voor jongeren hip, snel en met een vlotte babbel moet. ‘Daaruit blijkt dat we niet serieus genomen worden. Ik kan zo tien mensen noemen die nooit op tv komen, maar die wel volle zalen trekken met jonge mensen. Zoals Noam Chomsky, die heeft heel complexe theorieën en is absoluut niet hip.’

Mijmerend: ‘Stel je eens voor dat BNN die man anderhalf uur aan het woord laat. Dat gaat niet gebeuren, want ze komen niet eens op het idee. Maar ik weet zeker dat het een doorslaand succes zou zijn. We zijn dan wel geconditioneerd, maar ik denk dat we ons net zo makkelijk laten herconditioneren. Chomsky zegt zelf: het zit er wel, maar niet aan de oppervlakte.’

M.m.v. Dorien Vrieling

Tien jaar Happy Chaos

Eind 1999 vatte een groepje jonge redacteuren van Vrij Nederland het plan op een ‘levend VN’ te organiseren: een bruisende avond van politiek en maatschappelijk debat, interviews, film, literatuur en theater. Toevallig liep een stel Amsterdamse studenten rond met hetzelfde idee, geïnspireerd door de Veerstichting in Leiden: het jaarlijkse deftige symposium waar captains of industry en studenten elkaar ontmoeten. Dat kon in Amsterdam ook, was de gedachte, maar dan anders: scherpe debatten met erna een feest.

De naam happyChaos gaf uitdrukking aan het optimisme van een nieuwe generatie twintigers en dertigers. Volgens doemdenkers zou het nieuwe millennium getekend worden door wereldwijde chaos. Maar happyChaos wilde laten zien dat er juist een tijd was aangebroken van onbegrensde mogelijkheden. Het einde van de oude ideologieën hoefde niet te betekenen dat het Einde van de Geschiedenis was aangebroken, zoals Francis Fukuyama beweerde. De nieuwe tijd vroeg juist om een nieuw, persoonlijk engagement.

Op 15 december 2000 vond het eerste grote evenement plaats, onder de titel ‘De toekomst in één nacht’. In een uitverkocht Felix Meritis in Amsterdam debatteerden internationale en nationale sprekers uit politiek en cultuur in zeven zalen tegelijk, met een publiek van zevenhonderd studenten, kunstenaars en jonge professionals, gevolgd door een groot feest. Na dit succes werd een stichting happyChaos opgericht. En nog hetzelfde jaar om was er een nieuwe happyChaos-avond waarbij Pim Fortuyn in een dampende zaal voor het eerst publiekelijk in debat ging over zijn politieke ambities. Er volgden meer grote evenementen: over Europa en over religie, met Frits Bolkestein, Dyab Abu Jahjah en Job Cohen.

Over kunst, over wetenschap en over idealen, waar diezelfde Abu Jahjah het aan de stok kreeg met Theo van Gogh. Gevolgd door een woest debat over de vrijheid van meningsuiting, én een concreet resultaat: de lancering van de Stadsspelen. Sindsdien zijn er nog talloze grote en kleine bijeenkomsten van happyChaos geweest, telkens georganiseerd door nieuwe studenten. Op 19 september vindt in de Stadsschouwburg in Amsterdam het volgende evenement plaats, met het thema Overvloed (zie: www.overvloed.eu).

Thijs Broer en Ewoud Poerink