Toen de Volkskrant afgelopen vrijdag een groot artikel publiceerde over de ‘angstcultuur’ die jarenlang bij het immens populaire tv-programma De Wereld Draait Door zou hebben geheerst, geïllustreerd met uitvoerige beschrijvingen van woedende scheldpartijen door presentator Matthijs van Nieuwkerk – ‘het was alsof de duivel in hem kroop’ – regende het in de media geschokte reacties.

Hoe was het mogelijk dat het grensoverschrijdend gedrag van de presentator al die tijd niet was aangepakt, dat eindredacteuren er ongehinderd aan mee hadden gedaan, en dat de omroepbazen de andere kant op hadden gekeken terwijl tal van medewerkers met burn-outs vertrokken en soms zelfs nu nog te kampen hebben met psychische problemen? In dezelfde media die Van Nieuwkerk jarenlang de hemel in hadden geprezen, in vleiende portretten en invoelende interviews compleet met zwoele foto’s, stond de presentator opeens te kijk als de duivel zelve.

De verhalen over de overspannen sfeer op de redactie van DWDD waren allang bekend – of hadden bekend kunnen zijn. Al in 2011 schreef Privé over de stelselmatige ‘studioterreur’ bij DWWD. Ook Nieuwe Revu publiceerde over ‘het dictatorschap van angst’. Maar in de andere media werden de woedeaanvallen van Van Nieuwkerk hooguit vermeld als de schaduwkant van het reusachtige succes.

twee zonnekoningen

De omslag in de mediaberichten over Matthijs van Nieuwkerk – van de hemel naar het schavot – doet denken aan wat tal van topmensen in het bedrijfsleven de afgelopen decennia hebben meegemaakt. Cor Boonstra bijvoorbeeld: de ceo van Philips die in 2000 tot Topman van het Jaar werd uitgeroepen. In de media verscheen het ene na het andere hagiografische profiel van de man die er met zijn spijkerharde managementstijl in was geslaagd de beurswaarde van het concern in korte tijd te vervijfvoudigen. Toen Boonstra enkele jaren later werd beschuldigd van handel in voorkennis omdat hij tonnen had verdiend met de verkoop van aandelen in Endemol, terwijl hij een verhouding had met Endemol-commissaris Sylvia Tóth (waar hij jaren later overigens van werd vrijgesproken), stond hij in dezelfde media plots te boek als zakkenvuller en werd zijn autocratische managementstijl hem juist aangewreven.

Sinds #MeToo komen televisiecoryfeeën als John de Mol en Matthijs van Nieuwkerk ook niet meer weg met vernederende scheldpartijen en wegkijkgedrag.

Ook oud-Ahold-ceo Cees van der Hoeven – eveneens eertijds Topman van het Jaar – kan erover meepraten. Jarenlang werd hij geprezen als de man die van Ahold een wereldspeler had gemaakt. Regelmatig figureerde Van der Hoeven – voorheen nog een tamelijk kleurloze financiële man – in de krantenkolommen. In het Stan Huygens Journaal maakte hij zelfs een zonnebankbruine opwachting, compleet met nieuwe vriendin. Totdat hij in 2003 van zijn voetstuk lazerde vanwege het boekhoudschandaal dat Ahold op de rand van de afgrond bracht. Het succes en de macht, heette het opeens, hadden zijn blik op de werkelijkheid vertroebeld.

De twee zonnekoningen maakten hun deconfiture mee tegen de achtergrond van een veranderende tijdgeest. Nadat ook de onkreukbare premier Wim Kok zich had uitgesproken tegen de ‘exhibitionistische zelfverrijking’ in de zakenwereld maakten de jubelverhalen over de top van het Nederlandse bedrijfsleven plaats voor aanzwellend protest tegen de zakkenvullerij en de grootheidswaan van de ceo’s. Zoals Wim Kok zelf ook mocht meemaken: toen hij terugtrad als premier en commissaris werd bij ING, Shell en de KLM werd de oud-vakbondsman nog jaren achtervolgd door het verwijt dat hij zijn vroegere idealen te grabbel zou hebben gegooid.

het nieuwe credo

De nieuwe helden van het bedrijfsleven werden mensen als Paul Polman van Unilever, die zich ontwikkelde tot duurzaamheidsgoeroe en meermaals een hogere beloning weigerde, en Ad van Wijk van Econcern, het duurzame energiebedrijf waarvan de omzet nauwelijks groter was dan het privévermogen van Cor Boonstra op de toppen van zijn macht. In de bedrijfscultuur werd ‘dienend leiderschap’ het nieuwe credo.

In de politiek is er niemand die dat zo feilloos doorheeft als Mark Rutte: de man die nog steeds – het is al vaak beschreven – een bescheiden appartementje in het Benoordenhout bewoont, graag met een appeltje op de fiets naar het werk gaat, nooit een cent declareert, en op een partijcongres in 2015 van leer trok tegen het ‘grote dikke ik’ van de ‘grootverdieners’.

In de omroepwereld is nu eenzelfde omslag in de tijdgeest te zien. Sinds door de #MeToo-beweging overal in de westerse wereld grensoverschrijdend gedrag aan de kaak wordt gesteld, komen televisiecoryfeeën als John de Mol en Matthijs van Nieuwkerk, die tot voor kort in de media nog de hemel in werden gejubeld, ook niet meer weg met vernederende scheldpartijen en wegkijkgedrag.

De les van dit alles? Zakkenvullerij, intimidatie en het in stand houden van een angstcultuur zijn nooit goed te praten. Maar het kan geen kwaad publieke figuren in het bedrijfsleven, de omroepwereld of waar dan ook wat minder op een voetstuk te plaatsen. Dat zou heel wat ellende kunnen voorkomen.