Elk volk krijgt de liegende politici die het verdient – en dat is eigenlijk alles wat ik kwijt wil over de kwestie-Halbe Zijlstra. Prangender zaken trokken afgelopen week mijn aandacht. Slapen kan ik als ik dood ben, bijvoorbeeld, een boek waar ik per toeval op stuitte terwijl ik vrijelijk associërend stond te neuzen in die schappen van het internet waar de vergeten waren liggen opgeslagen. Intrigerende titel, meteen besteld. Het blijkt een ‘intiem portret’, zoals dat dan heet, van Rainer Werner Fassbinder, geschreven door een van zijn vaste medewerkers, acteur Harry Baer.

Nu heb ik, lang geleden, wel een paar films van Fassbinder gezien. Ik weet ook dat de geplande opvoering van zijn vermeend antisemitische toneelstuk Het vuil, de stad en de dood in 1987 een fikse rel veroorzaakte, waarvan het opvallendste aspect was dat acteur Jules Croiset de opvoering probeerde te verhinderen door zijn eigen ontvoering in scène te zetten. Ik weet dat Harry Mulisch zich daarop baseerde bij het schrijven van zijn boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid (2000), en dat Freek de Jonge daar weer heel erg boos over werd – maar daarmee houdt mijn kennis over Fassbinder wel zo’n beetje op, en bovendien zijn we nu meteen al heel ver bij hem vandaan geraakt.

Wat me hij hem terugbrengt, is de achterflap van Slapen kan ik als ik dood ben: ‘Rainer Werner Fassbinder stierf op 10 juni 1982. Hij was 36 jaar oud (sic, dat moet 37 zijn). Zijn erfenis: 11 toneelstukken, 2 hoorspelen en 45 films, waaronder de meesterwerken Der Händler der vier Jahreszeiten, Die Ehe der Maria Braun, Querelle en de veertiendelige televisieserie Berlin Alexanderplatz.’

Zevenendertig jaar. En dan zo’n staat van dienst. Ik was geschokt! Zelf ben ik negenendertig, ik heb vier romans en een verhalenbundel gepubliceerd, en ja, oké, heel wat losse prozastukken, maar het kan allemaal niet tippen aan die waslijst van Fassbinder. Aan de andere kant: ik leef.

Fassbinder pompte zich in de laatste jaren van zijn leven vol met cocaïne, alcohol, barbituraten en andere vitamientjes om zijn moordende productietempo vol te houden.

Over Fassbinder schrijft Baer: ‘Zelfmoord heeft hij tien jaar lang gepleegd, door op die manier te werken, niet meer op te houden.’ Daarmee geeft Baer workaholisme de schuld, maar Fassbinder pompte zich in de laatste jaren van zijn leven ook vol met cocaïne, alcohol, barbituraten en andere vitamientjes om zijn moordende productietempo vol te houden. Is een reputatie die gestut wordt door een dergelijke consumptie je bewondering en afgunst wel waard? Of, anders gezegd: legitimeert zijn werk die uitzinnige levensstijl?

Drama all over the place

Om daar een antwoord op te kunnen formuleren, heb ik me voorgenomen de komende tijd zoveel mogelijk van zijn films te (her-)bekijken. Een exhumatietocht langs diverse dvd-grafkelders leverde als voorlopige buit op: de eerdergenoemde klassieker Die Ehe der Maria Braun, de serie Berlin Alexanderplatz en een film genaamd Despair. Grappig, dacht ik nog, er is ook een roman van Vladimir Nabokov die zo heet, maar ach, ‘despair’ is niet bepaald een zeldzaam woord, dus dat zal wel toeval zijn, maar verdomd, een blik op de achterzijde van het dvd-hoesje bevestigt: het is een verfilming van dat boek! Een gunstig teken. Als er een connectie met Nabokov te vinden is, waar dan ook in je leven, zit je eigenlijk altijd goed.

Als eerste op het menu de oude bekende van het stel: Die Ehe der Maria Braun. Zo’n film waarvan ik nog precies weet waar en onder welke omstandigheden ik hem voor het eerst zag, omdat hij zo’n indruk maakte. Middelbare school, in mijn geval. De leraar Duits nam ons mee naar filmhuis Rialto waar een Fassbinder-retrospectief aan de gang was. Vooraf had ik er weinig fiducie in: de pogingen van de goede man om ons een klein beetje liefde voor de Duitse cultuur bij te brengen, hadden vaak een averechts effect. Dan zette hij bijvoorbeeld een bandrecorder op zijn bureau en speelde een cassette af van Brechts Dreigroschenoper, en dan dacht je: wat is dit voor onbestaanbaar gekrijs? En: hadden ze niet toch gewoon een atoombom op dat land moeten gooien aan het eind van de Tweede Wereldoorlog plus een wereldwijd verbod moeten instellen op alle culturele uitingen die het ooit heeft voortgebracht? Et cetera.

(Het ophalen van herinneringen gaat in onze tijd bijna altijd gepaard met een bezoekje aan YouTube. Vreemd, ineens kan ik ‘Die Moritat von Mackie Messer’ wél waarderen – komt dat door mijn liefde voor Tom Waits, die overduidelijk een paar potjes mosterd bij Brecht & Weill heeft gehaald? De werkelijke horror heeft nu een ander gezicht: een linkje naar een coverversie van ‘Mackie Messer’ uitgevoerd door Sting. Ik heb erop geklikt en zal me tot in de eeuwigheid vies voelen.)

Lekker dikke film, de grote dingen des levens komen voorbij: oorlog, onvoorwaardelijke liefde, crime passionel, overspel, zelfmoord.

Maar goed, Maria Braun dus. Lekker dikke film, drama all over the place, de grote dingen des levens komen voorbij: oorlog, onvoorwaardelijke liefde, crime passionel, overspel, zelfmoord – termen die je eigenlijk met hoofdletters moet schrijven, zo gezwollen zijn ze. Wat is Maria Braun voor personage? Een sterke vrouw die haar eigen, onafhankelijke weg gaat in een door mannen gedomineerde wereld? Een rolmodel voor feministen? Of is ze iemand die, gelijk tragische literaire heldinnen als Emma Bovary, Anna Karenina en Eline Vere, de hoogste prijs moet betalen voor haar zelf veroverde vrijheid – en die prijs is dat ze alsnog slachtoffer wordt, ‘gestraft’ wordt, ja, sterft? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik niet meer zo ademloos en met droge mond naar actrice Hanna Schygulla kijk als de puber in filmzaal Rialto. Haar wulpse heupbewegingen, onaangedane gezichtsuitdrukkingen en hese stemgeluid neigen me nu iets te veel naar het cliché van de femme fatale. Sigaret erbij, geklemd tussen roodgeverfde lippen, ja ja.

Frituurcaravan

Sommigen zien in Maria Braun – die gedurende de film zakelijk steeds succesvoller wordt maar mentaal instort – een metafoor voor het naoorlogse West-Duitsland, dat onder de noemer Wirtschaftswunder een enorme bloei kende, maar niettemin zijn ziel kwijt was.

Ik vind dat wel een mooie analyse en ik begon me af te vragen of er Nederlandse films zijn die op een dergelijke, overdrachtelijke wijze iets weten te zeggen over onze geschiedenis of volksaard. Als er één Nederlandse regisseur is bij wie je voor dergelijke boodschappen kunt aankloppen, dan is het Paul Verhoeven. Maar denk niet aan Soldaat van Oranje. Denk al helemaal niet aan Turks Fruit, hou op zeg, die toen-al-valse vrijgevochtenheid zijn we allang weer kwijt. Denk eerder aan Spetters. Daar zit het allemaal in, samengebald in één onvergetelijke oneliner, uitgesproken door Renée Soutendijk, terwijl ze op het bedje van haar frituurcaravan ligt te friemelen aan de postcoïtaal-slappe piemel van tegenspeler Hans van Tongeren: ‘M’n vader zei altijd: het leven is net een kroket. Als je weet wat erin zit, dan lust je ’m niet meer.’

Ieder volk krijgt de films en metaforen die het verdient. Snel de volgende dvd van Fassbinder in de speler!

(Overigens is dit voorlopig mijn laatste wekelijkse column. De komende tijd zal ik maandelijks een langer stuk schrijven voor Vrij Nederland. Andere frequentie en vorm, zelfde inzet. Tot snel!)