Het is vrijdagavond, na een koude januaridag die nooit echt licht wilde worden. Antjie (spreek uit: Ainkie) Krog komt Grand Café 1e Klas binnen, naast spoor 2 op het Amsterdamse Centraal Station. Ze bezoekt Nederland vanwege het verschijnen van haar nieuwe dichtbundel Medeweten. Op de mat bij de ingang schudt ze natte sneeuw uit haar dikke bruingrijze haar. Ze kijkt even rond en loopt dan doelbewust naar een tafeltje achterin, straal langs de kroegkaketoe die de clientèle scherp in de gaten houdt vanaf zijn behuizing naast de bar. Met venijnige kraalogen kijkt hij haar na.

Verder lijkt niemand in het café in de gaten te hebben dat er een wereldberoemde Zuid-Afrikaanse dichter aan de thee zit in hun midden. Antjie Krog is een bescheiden verschijning. Ze is niet uitzonderlijk klein of groot, haar kleding is degelijk en ze draagt nauwelijks make-up of sieraden. Maar als ze je recht in de ogen kijkt, gebeurt er iets. Dan valt op hoe mooi haar gezicht is, hoe schrander haar blik. Als ze je recht in de ogen kijkt, weet je ook zonder kennis van haar identiteit: deze vrouw is bijzonder. Begint ze vervolgens te praten, dan raak je al vrij snel betoverd. En praten gaat haar goed af; zeker voor iemand die beweert geen prater te zijn. Als ze in Nederland is, doet ze het in een charmante mengelmoes van Engels, Afrikaans en Nederlands.
Afwachtend is mevrouw Krog ook niet. Het is duidelijk dat ze geen behoefte heeft aan aftastende koetjes en kalfjes over het weer of de vliegreis van Kaapstad naar Amsterdam. Zij heeft zelf eens een vrouweneditie gemaakt van de Zuid-Afrikaanse krant Die Burger, begint ze het gesprek, refererend aan dit Vrij Nederland-nummer. ‘Ek vroeg me toen af wat er zou gebeuren als je ’n klomp vroue die nog nooit een krant heeft gezien de opdracht geeft verhalen te produceren en vorm te geven. Hoe zou dat eruit zien? Heel anders dan we gewend zijn, don’t you think? Het hele concept van een krant of een opinieblad is nu zo mannengericht en mannenbedacht.’
Zou het aanslaan als een klomp vrouwen het roer omgooit?
‘Dat weet ik niet. Hoewel, ik weet het wel. Er is onderzoek dat aantoont dat als je iets feminiseert, het sterk inboet aan validiteit. Binnen allerlei beroepsgroepen zie je dat gebeuren. Het was altijd goed en belangrijk om een huisarts te zijn. Nu er veel jonge vrouwelijke huisartsen zijn, is het niets meer. Hetzelfde gebeurt in de architectuur: het beroep van mijn man en mijn zoon. In Zuid-Afrika is een groot deel van de architecten tegenwoordig vrouw. Daarmee heeft het beroep veel status verloren. Het onderwijs en de journalistiek zijn eenzelfde lot beschoren. Ook de politiek is zijn aantrekkingskracht op talentvolle, gerespecteerde jonge mannen kwijtgeraakt omdat steeds meer vrouwen de politiek ingaan. Kijk naar de minister-president van Engeland. En naar die van Nederland! Pathetic men, right? Ze hebben weinig aanzien onder andere blanke mannen, dat weet ik zeker. In my country they say: white men never just leave. When they leave, they take the power with them.’
‘Er is onderzoek dat aantoont dat als je iets feminiseert, het sterk inboet aan validiteit.’
Toch zijn er ook steeds meer initiatieven die mannen betrekken bij vrouwenemancipatie, bijvoorbeeld doordat ze zich er openlijk voor uitspreken. De Women’s Empowerment Principles van de Verenigde Naties zijn erkend door, op dit moment, 858 zakelijk leiders. Dat brengt vast wel iets teweeg.
‘Laten we dat hopen. Er staan altijd twee belangrijke kwesties op het spel als je hebt over geslacht. De eerste zijn de voorwaarden van gelijkheid: willen we behandeld worden als gelijken omdat we “net zo goed als mannen” zijn, zelfs vaak “beter dan mannen”? Of willen we behandeld worden als gelijken in weerwil van de verschillen tussen ons en mannen? De afgelopen decennia hebben feministen gevochten voor beide kwesties. However, dat haalt het onderliggende probleem niet weg waar alle vrouwen ter wereld tegenaan lopen: hoe laat je je gelden in een wereld die gemaakt is door en voor mannen? Regeringsstructuren, financiën, recht, literatuur, steden, media: alles om ons heen is door de eeuwen heen opgebouwd op een manier die de elementaire mannelijke eigenschappen laat excelleren. So, als vrouw kun je wel beschouwd worden als gelijke, dan nog moet je vechten om je staande te houden in structuren die in de essentie vijandig zijn jegens, wat men noemt, vrouwelijke eigenschappen. Misschien zal het anders worden als alle structuren gefeminiseerd zijn. Dat zou kunnen gebeuren. Vrouwen studeren sneller, halen hogere cijfers, krijgen minder kinderen, meer hulp. Wie weet.’
Hebben zwarte vrouwen in Zuid-Afrika een extra obstakel te overwinnen?
‘Verscheidene extra obstakels. Een ervan is de vraag hoe ze zwarte mannen kunnen steunen in hun strijd tegen rassendiscriminatie terwijl ze hen tegelijkertijd moeten betwisten als het gaat om geslacht. Het ANC heeft overigens een quotumsysteem ingevoerd om de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek zeker te stellen, op het niveau waar de beslissingen vallen. De oppositie maakt het systeem schandalig belachelijk, maar wij hebben wel meer vrouwen op machtige posities dan veel Europese landen. De vraag voor mij blijft: als honderd vrouwen zonder geheugen op een eiland belanden, hoe zullen zij zichzelf dan gaan besturen? Welke sociale structuren ontwerpen ze? Als ze mannen binnenlaten, houden ze die dan in een soort bibliotheek, zodat ze de ene week een goede klusjesman kunnen lenen, een romantische man voor de vakantie in een andere week en een goede chauffeur op permanente leenbasis? En als ze besluiten nieuws te distribueren, wat zou de manier zijn? Politiek en geldzaken dominant voorin de krant of juist gezondheidszorg en cultuur?’
Wat is er van uw krant terecht gekomen destijds?
‘It ended up being a pretty male edition, unfortunately. Ik wilde alles veranderen: de volgorde van het nieuws, de layout, de lengte van de verhalen. Dat kon allemaal niet. Maar op de inhoud kon ik wel wat verschil maken.’

U heeft niet zo’n hoge pet op van de journalistiek in uw land, toch?
‘Journalistiek in Zuid-Afrika staat onder druk als gevolg van de scheidslijnen uit het verleden. Aan de ene kant heb je ongeletterdheid, hoge werkloosheid en enorme enclaves van armoede. Aan de andere kant heb je de superrijke elite en een van de snelst groeiende middenklassen in Afrika. Ik denk dat we er niet in slagen de tegenpolen te overbruggen, ook in de media niet, deels omdat men de ogen sluit voor de armoede. Misschien werkt dat bij jullie ook wel zo. Really, hoeveel verslaggeving over armoede kan iemand verdragen? In Europa is dat waarschijnlijk nog geen oorzaak voor merkbare vernietiging, maar in South Africa zou het niet-leven met armoede weleens rampzalig kunnen uitpakken.
In Medeweten zeg ik: waar aan mijn lijf lees ik / de machtelozen // etend hoe voelt mijn tong / de noodruftigen // eerloos / eerloos leef ik.’
Alarmerend van geluk
Het is tijd om te vertrekken naar Utrecht, voor de NK Poetry Slam die Krog zal openen met twee gedichten. De trein is vol en slecht schoongemaakt. Reizigers eten snacks en zijn bezig met hun smartphone. De Zuid-Afrikaanse zit er onbewogen tussen. Ze zou een gewone forens kunnen zijn, op weg naar huis in een randstedelijke groeigemeente, verdiept in een Nederlands tijdschrift, haar tas tussen haar voeten op de grond.
Antjie Krog is al jaren erg populair in Nederland. Met gemak vult ze zalen en boekhandels, tijdens dit bezoek om voor te dragen uit Medeweten, dat in kranten en bladen wordt overladen met sterren. Dichter en schrijver Maria Barnas deelde er in de Volkskrant vijf uit in een prachtige recensie die zo eindigt: ‘Krog omarmt de hele wereld en beschrijft deze vanuit een grote verbondenheid. Deze verbondenheid kan net zo gemakkelijk bestaan uit liefde als uit afschuw – van de onaanvaardbare dood van Nelson Mandela (we wilden zijn stervende lichaam niet zien) tot het universum dat wordt benaderd met een woordenvloed die in het oneindige niet meer toereikend is. Het sterkst zijn de gedichten waarin Krog haar wijde blik toespitst op ogenschijnlijk kleine taferelen. In “Slapen in de kamer van een meisje” observeert Krog hoe haar kleindochter altijd maar haar best doet. Hoe ze haar kamer opruimt, haar rooster naast de studeertafel plakt. Wanneer het kind een glas sap omstoot, ziet oma de angst in het kind en in haarzelf opflakkeren: dat je misschien maar een gewoon meisje bent deze / oma weet hoe je best doen je daar voor de rest / van je leven ongelukkig mee gaat maken.
‘What can I say? Ek is oud dus ik kan nu totaal mislukken.’
In een ander gedicht kletteren kinderen binnen als ridders en besluit Krog met: ik word een aquaduct alarmerend van geluk. Wie zo over de wereld kan schrijven – afstandelijk en innig verbonden – is soeverein in haar dichterschap.’
Dat verklaart ook haar populariteit, zegt Barnas, in een telefoongesprek over Krog. ‘Het is haar kracht, eerlijkheid en haar wijsheid die nooit belerend wordt ingezet, maar speels en licht, en dan ineens weer vurig. Het is ook bijzonder dat een vrouwelijke dichter zo volkomen vrouw is in haar werk, zonder dat het plagerig is of ironisch, zoals veel dichteressen op het moment doen. Generaties hebben gedaan alsof ze man waren door verwijzingen naar hun vrouwzijn te vermijden in hun gedichten. Bij mijn laatste bundel kreeg ik nog de vraag van mijn redacteur (een vrouw) of ik het gedicht “De kinderen” – dat gaat over hoe moeilijk het is voor kinderen te zorgen en meesterwerken te maken – wel in de bundel moest opnemen: “Dan zet je jezelf zo neer als vrouw.” Ik denk niet dat een man ooit de waarschuwing zal krijgen: “Dan zet je jezelf zo neer als een man.” Krog is volop vrouw in haar werk. Met alle ontreddering en trots die een mens heeft.
Schapenfokker
We zijn gearriveerd in Tivoli Vredenburg waar de Poetry Slam wordt gehouden. In de artiestenfoyer werpen mensen verholen blikken op Krog, met iets meer bewondering dan de kaketoe van daarnet. Een jong meisje van de organisatie komt zich met rode wangen van opwinding aan haar voorstellen. Krog glimlacht, knikt en luistert aandachtig naar instructies over de praktische afwikkeling van de avond. Dan gaat ze koffie halen voor zichzelf. Als ze terugkomt van de bar, zucht ze:
‘I feel like a hundred years old here.’
Is dat erg?
‘Ja, dat is erg. Het is lastig en bedreigend dat je lichaam onderuit gaat met ouder worden. Je kunt er niet meer zo op vertrouwen als op een jong lichaam. Sterker nog: het kan zich elk moment tegen je keren. Dat vind ik frustrerend. Het is onveilig. Zeker in een land als Zuid-Afrika. Wij hebben niet de voorzieningen voor oude mensen die jullie hier hebben. Bij mijn moeder van negentig zie ik nu hoe zwaar dat is. Maar goed, ik ondervind ook wel de voordelen van ouderdom. Mama en oma zijn is vreselijk gezond. Oud zijn heeft ook een zuiverende werking omdat je meer begrijpt, van anderen en van jezelf. Ek bak sleg. Ek kook sleg. Ik schrijf omdat ik dat wel kan.’ Ze lacht verlegen. ‘What can I say? Ik is oud dus ik kan nu totaal mislukken. Kom, zullen we er over ophouden, hier, te midde van de jeug?’

Om meteen over te schakelen naar een verhaal over een ontmoeting met Keniaanse en Duitse rappers, op een avond in Berlijn, ergens in 2013. Dat was het jaar dat ze daar woonde en werkte, uitgenodigd als artist in residence; ze schreef er veel van de gedichten uit Medeweten. Het tweede deel van het jaar kwam haar man John Samuel over, de eerste zes maanden was ze alleen. Weg uit Zuid-Afrika. Het land waar ze twee keer trouwde en vier kinderen kreeg. Krog zelf kwam in 1952 ter wereld in Kroonstad, een stad in het noordelijke deel van de provincie Vrijstaat, vernoemd naar een legendarisch paard. Haar vader was schapenfokker (‘Een heel zachtaardige man. Altijd geweest. Mijn moeder en ik kunnen zo vloeken. Dat deed hij nooit.’). Haar moeder was schrijfster. Zij woont nog steeds in Kroonstad.
Met vier een bed delen
In de tijd van de apartheid was Krogs geboorteplaats uiterst bekrompen, een kleine, gesloten wereld waar de Afrikaners de macht hadden ten koste van de zwarte bevolking (de eerste keer dat Krog een zwart mens met een diploma ontmoette, was ze 23). De onderdrukking riep al jong een weerspannigheid in haar op. Als ze zwarte kinderen op een vuilnisbelt zag zitten en volwassenen verklaarden dat ze dat deden omdat ze er ‘leuke dingen’ vonden, slikte ze dat niet. Ook op de boerderij van haar ouders proefde ze van kleins af aan het onrecht, maar dat zeggen was moeilijk, onwettig zelfs. Maar ze schreef het wel op. Op haar zeventiende debuteerde ze in het Kroonstad High School Yearbook met negen gedichten, onder meer gericht tegen het christelijk geloof (de slang in het paradijs had seks met Eva) en het regime in haar land. Een krantenkop uit die tijd: ‘Storm steekt op in kerken over gedichten scholier’. Haar eerste dichtbundel, getiteld Dogter van Jefta, verscheen in hetzelfde jaar. Haar tweede in 1972. Tussen het schrijven door studeerde ze Engels, Afrikaans en filosofie aan verschillende universiteiten in Zuid-Afrika.
In 1990 sloot ze zich aan bij het ANC. In het conservatieve Kroonstad was dat vroeg. Het werd haar niet in dank afgenomen. Krog werd verschillende keren bedreigd en haar kinderen werden geterroriseerd op school. In 1993 verhuisde ze, onder meer hierom, definitief naar Kaapstad. Daar maakte ze als journalist de transformatie mee, onder leiding van Nelson Mandela. Vanaf 1995 leidde ze twee jaar een team van radioverslaggevers van de Zuid-Afrikaanse zender SABC van de hoorzittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Ze schreef er een – verfilmde – roman over: de internationale bestseller Country of My Skull, een van haar tot nu toe vijf werken in proza. Medeweten is haar achttiende dichtbundel, waaronder drie voor kinderen. Het aantal prijzen en eredoctoraten dat ze heeft, is te groot om op te noemen.
Lesgeven doet ze ook, aan de Universiteit van Wes-Kaapland waar het studentenbestand uitsluitend bestaat uit zwarten en kleurlingen. Onder hen ziet ze veel armoede. Ze vertelt over studenten die soms met drie of vier een bed delen op de campus waar ze afwisselend in slapen als de anderen naar college zijn. Pijnlijk om te zien, maar niet noodzakelijkerwijs een slechte ontwikkeling, volgens Krog: ‘Steeds meer ouders realiseren zich dat alleen opleiding een gezin kan optrekken uit de armoede, dus ze maken enorme opofferingen om hun kinderen naar betere scholen te krijgen.’
Podiumbeest
De slam gaat bijna beginnen. Als de runner haar komt halen, staat Krog binnen een paar tellen op haar voeten, ogenschijnlijk stoïcijns, alsof ze op een stationsbankje zit en de trein eraan komt. Achter de coulissen praat ze kort met juryleden Joke van Leeuwen en Ilja Leonard Pfeijffer. Op het podium kondigt een uitbundig duo haar aan in een taalkundig ietwat moeizaam verhaal over het menu van een goed diner waarbij een voorgerecht altijd vooraf gaat aan het hoofdgerecht: ‘Maar vanavond is hier op de Poetry Slam het voorgerecht deel van het hoofdgerecht! Vergeet rooibosthee, hier is Antjie Krog!!!’ Er klinkt gejoel en luid applaus van de honderden mensen in de zaal. Krog komt met ferme stappen naar voren. Ze houdt geen inleiding, ze begint gewoon met het eerste gedicht dat ze heeft uitgekozen: om ’n pruim te eet.
iets wilds kom in jou lê as koel perfeksie
satyn-oorasemd
in jou hand stu die oogtand
priem die nek verstyf
du die onderkaak vir sap
oneindigheid
bytend bars hemelsheid
binne halsheerlike kranksingigheid tong-
malendeskeurendevlees self iets flagrant
soos aartjies
misterieus
die pit
skielike warm werklikheid
bloedrig in jou bakhand
’n pruim
is die prins van profusie
lipledig
en psalmplunderend promisku
Haar vlammende energie golft over de jonge hoofden in de zaal. Niks rooibosthee. Een podiumbeest van in de zestig dat overdonderend laat zien hoe je dat een beetje behoorlijk doet, een gedicht voordragen.
Gevangen in boycots
Nog geen twaalf uur later zit ze in een groene coltrui aan de leestafel van het American Hotel. De rust zelve. Ze zinkt een chocolaatje af in haar koffie verkeerd, wacht even en haalt het weer boven als het half gesmolten is. Het gesprek gaat eerst over de Poetry Slam, over de jonge dichters die ze met veel plezier aanschouwde. Ze deden haar een beetje denken aan de Berlijners die ze zag in cafés in het jaar dat ze Medeweten schreef. ‘De eerste weken in Berlijn sprak ik niet met ze, hoor. Ik was alleen, stil. “Ein Kaffee, bitte” was eigenlijk het enige dat ik af en toe zei. Ik vond het geweldig zo op mezelf te zijn.’
Een paar Nederlandse kenners van uw werk vinden u milder in ‘Medeweten’, minder woedend dan in uw vroegere werk. Zou het kunnen dat de fysieke afstand tot Zuid-Afrika en uw leven daar een verzachtende invloed had?
‘Ik denk niet dat de gedichten in Medeweten milder zijn in de zin van minder woedend. Ze zijn, if anything, bozer dan ooit tevoren, maar wel veel preciezer in het lokaliseren van de bron van die boosheid. Maar de bundel is “milder” in de zin van alledaagsheid. Dit heeft alles te maken met een diep verlangen om niet meer te klinken als mijn oude zelf, na vijftig jaar schrijven als dichter. Ik wilde een nieuwe stem vinden, onstuimig alles verwijderen dat naar mijn oude zelf rook. Berlijn met zijn avant garde-scene brak eindeloze mogelijkheden open om anders te schrijven en vooral om anders te klinken. Ik ging ook meer letten op hoe een gedicht op een pagina ligt, in fysieke zin. Ik wilde dat het bij sommige gedichten net leek of ik als dichter iets had opengescheurd en zo een glimp bood op een onderbroken menselijkheid, zoals bijvoorbeeld, hoop ik, gebeurt bij om ’n pruim te eet.’
In een openbaar interview met Stephan Sanders twee dagen geleden vertelde u hoe prettig het was om in Berlijn openlijk wit te kunnen zijn. Of zoals u het uitdrukte: ‘In Suid-Afrika my witheid is op mij geschryf.’ Deed dat onbekommerd wit zijn u ergens aan uw jeugd denken?
‘Ja, maar niet helemaal zoals jij het bedoelt, want het gaat niet alleen om huidskleur, ook om taal. Het bestaan in Duitsland herinnerde me aan het voorrecht om compleet en zonder schuldbewustzijn te kunnen leven in een moedertaal. De taal waarin je ontwaakt, die je leest op de mueslidoos aan de ontbijttafel, de taal in de bus, op je werk, in de krant, je favoriete films. Overal dezelfde taal, een taal waarin niemand een tweederangs burger is. In mijn jeugd was dat het Afrikaans, maar ik heb altijd geweten dat het niet klopte, dat het de taal van de onderdrukking was. En altijd zal zijn. Zoals mijn moeder zei: to write in Afrikaans is not a right but a privilege, bought and paid for at a price.’
‘So I am thoroughly third world. Door en door. In Europa voel ik geen grond onder mijn voeten.’
John Coetzee zei eens: ‘White writing is the writing which reflects the concerns of a people no longer European, not yet African.’ Voelt u zich hierdoor aangesproken?
‘Nee. Zuid-Afrikaanse schrijvers van de generatie van Coetzee, Breytenbach en Brink waren mobiel. Ze verhuisden naar Europese landen toen ze nog jong waren, ze leerden vele talen spreken en raakten betrokken in spannende literaire bewegingen en processen. Mijn generatie schrijvers, vooral de Afrikaners, zaten gevangen in boycots en de agressie tegen alles gelinkt aan de apartheid. Ik was een plattelandskind dat alleen Afrikaans sprak en haar weg probeerde te vinden door toegang te zoeken tot de townships in Kroonstad. So I am thoroughly third world. Door en door. Ik ben niet veelzijdig. In Europa voel ik geen grond onder mijn voeten. Ik voel me omringd door referenties, variërend van belangrijke schrijvers tot kunstenaars tot filosofen, die geen invloed whatsoever op mij hebben gehad. Een deel van mij is diep ongemakkelijk als ik Afrika verlaat. Dus ja, ik zou zeggen: ik zit te diep in Africa-ness om een zin als “no longer European” zelfs maar te begrijpen. Ik weet niet eens zeker of ik wel dichter was geworden als ik niet in Zuid-Afrika was geboren.’
Het is dit jaar vijfentwintig jaar geleden dat het apartheidsregime formeel werd afgeschaft, met de eerste verkiezingen in 1994. Hoe is uw land het meest veranderd in de afgelopen kwart eeuw?
‘Vijfentwintig jaren zijn bij lange na niet lang genoeg om driehonderd jaar onrechtvaardige heerschappij te corrigeren, maar lang genoeg om de zweren en littekens te doen verschijnen, met een werkloosheidscijfers van bijna vijfentwintig procent en met ruim de helft van de bevolking onder de armoedegrens. Wat sterker wordt, niet alleen in Zuid-Afrika trouwens, is het gevoel van mensen dat ze het recht hebben om dingen te bezitten, het leven te leiden dat ze op televisie zien. In het gedicht “Vrouwe Justitia geblinddoekt” vaar ik uit tegen het feit dat ze geblinddoekt is. Dat leidt af van de ware locus van onze vervormde wereld, namelijk dat blinde gerechtigheid systematisch bezig is de armen te beroven en de rijken te bevoordelen. Kennen we niet allemaal het argument: We mógen zoveel hebben / want we wérken zo voortreffelijk hard.’
Hoe hebben de afgelopen vijfentwintig jaar u veranderd?
‘Ik ben veranderd van een vrouw in een witte vrouw radicaal beïnvloed door zwartheid. Ik ben veranderd van een papieren dichter – enkelvoudig en introvert – in een mondelinge dichter, met eerbied voor de urgentie van een publiek.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.