Kafka’s brief aan zijn vader staat in het nieuwe boek van Peter Sloterdijk model voor de manier waarop zoons in de twintigste eeuw afstand namen van hun vader. Die betekende het einde van de soepele overgang van generaties.
Het is niet leuk, maar ik behoor tot een van die verschrikkelijke kinderen in Peter Sloterdijks nieuwe boek De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd. Een heel boek lang wordt mij de oren gewassen omdat ik vind (en ook eens geschreven heb in Alles moet over, 1979) dat de Verlichting en de Franse Revolutie (minus de Terreur) de weg vrij hebben gemaakt voor de individuele ontwikkeling van mensen: voor het ontstaan van het autonome individu, niet louter afhankelijk van voorouders, geschiedenis, hiërarchie, de willekeur van machthebbers of autoritaire vaders. Alles moest door elke zoon (of dochter) opnieuw worden overdacht en worden herijkt.
Sloterdijk betreurt dat er geen vanzelfsprekende continuïteit meer is tussen generaties
Voor Sloterdijk begint met de Franse Revolutie de ‘bodemloze samenleving’ omdat de wil van de vaders niet meer vanzelf wet was. Dat noemt hij de ‘genealogische ommekeer’, het punt in de geschiedenis waarop het niet meer vanzelfsprekend werd om in de voetsporen van de voorouders te treden. Vanaf de Franse Revolutie verloopt niets meer soepel in de verhouding tussen vaders en zonen. De zonen beginnen te vragen of de erfenis van de vaders wel helemaal geschikt is voor hun toekomst, of ze niet zelf moeten kijken naar wat het beste bij hun ambities past.
Sloterdijk doet het voorkomen alsof de zonen vanaf de Franse Revolutie de erfenis van de vaders alleen maar van zich af hebben geworpen. Dat is voor een deel wel het geval geweest in ‘mei ‘68’ en heeft tot de bodemloze individualisering van het ik-tijdperk geleid, maar dat betreft de altijd al half gedachteloze generaties. Niet het denkende deel. Dat deed, volgens het idee dat alles door iedereen opnieuw overdacht zou moeten worden, aan niet-bodemloze herijking van ideeën en principes.
Sloterdijk denkt nog dat de getalsmatig dominante groepen, zoals de tegenwoordige collectieve individualisten, ook het gezicht van een samenleving bepalen. Hij maakt geen onderscheid in kwaliteit. Het denkende deel van de samenleving wordt niet meegerekend omdat het getalsmatig in de minderheid is. Terwijl daar wel de ideeën zitten. Ook al hebben die uiteindelijk niet zoveel invloed op het geheel van de samenleving, ze zijn er wel en bepalen de mate van bewustzijn van wat er zich in de samenleving afspeelt.
Een van die mensen met ideeën en een speciale sensibiliteit was Kafka. In zijn Brief an den Vater, geschreven in 1919, gepubliceerd in 1952, nam hij opstandig, berustend en melancholiek afstand van zijn ondoordringbare vader. Sloterdijk noemt de brief ‘een Hiroshima van de genealogische interval’. Het is een ‘monument’: hier zie je welk risico het moderne gezin loopt wanneer het te maken heeft met een autoritaire vader. Het is tekenend dat Sloterdijk vooral de nadruk legt op het verzoenende karakter van de brief, terwijl zoveel zoons juist baat hebben gehad bij Kafka’s durf om de afgrond tussen zijn vader en zichzelf uiteen te zetten. De brief was voor velen een rechtvaardiging om zich tegen hun autoritaire vader te keren.
Sloterdijk legt in zijn boek zoveel nadruk op geschiedenis, erfelijkheid, traditie, afstamming en op de noodzaak van een ononderbroken voortgang van generaties, dat hij nauwelijks nog ruimte laat voor individuele overwegingen. Hij schetst een geschiedenis die sinds de Franse Revolutie alleen zou hebben bestaan uit revolutie, opstand en instabiliteit. Niets is nog verankerd: ‘De grote wereld is veranderd in een improvisatietheater’. Sloterdijk doet daarbij alsof die ‘opstand’ alleen maar tot instabiliteit heeft geleid. In werkelijkheid heeft die opstand, dat wil zeggen de emancipatie van de arbeidsklasse, de opkomst van de bourgeoisie, voor nieuwe, min of meer stabiele, verhoudingen gezorgd. De breuk tussen continuïteit en discontinuïteit is minder groot dan Sloterdijk suggereert. Er wordt wel geïmproviseerd, maar in een tamelijk goed geregeld theater.
Sloterdijk wil de continuïteit terug. Tot in het onbegrijpelijke jonglerend met moeilijke woorden heeft hij het over ‘de fragilisering van beschavingscontinuïteit’ en noemt hij spitsburgers (een heel onaantrekkelijke mensensoort), ‘de naamloze helden van de continuïteit’. Meer dan bij eerste lezing van het boek in het Duits (zie de Literaire Kroniek van 4 juli 2014) valt mij op dat Sloterdijk zich met een zekere wellust bedient van een onaangename terminologie: hij heeft het voortdurend over legitiem en illegitiem nakomelingschap, bastaarden, erfelijke verschillen, statusvoorsprong, filiatiestudies – allemaal zaken waarvan hij zelf toegeeft dat ze in de twintigste eeuw onbelangrijk zijn geworden vanwege de antidiscriminatiepolitiek.
Wat Sloterdijk de ‘genealogische modernisering’ noemt, dat status, afstamming en erfelijkheid niet meer zo’n grote rol spelen als honderd jaar geleden en er geen vanzelfsprekende continuïteit meer is tussen generaties, betreurt hij. Nu moeten de statusverschillen ‘in een concurrentieslag bevochten worden met alle frustratiekosten en toenemende demoraliseringsrisico’s van dien’. Voor hoeveel ‘historisch weergaloos grote welvaart, kolossale herverdeling en exploderende levensverwachting’ dit ook heeft gezorgd, Sloterdijk denkt wel dat dit de oorzaak is van ‘de chronische versombering van hun grondstemming.’ Waarmee hij eigenlijk zegt: we zijn van de regen in de drup geraakt met die genealogische modernisering: het heeft tot permanente gevechten geleid en tot versombering in de samelving. Dat is geen kleinigheid, min of meer van de categorie ‘het onbehagen in de cultuur’ van Freud. De ondertitel van Sloterdijks boek, ‘Over het antigenealogische experiment van de moderniteit’ suggereert dat het experiment wel eens zou kunnen mislukken. En dat we dan weer terug gaan naar de oude patriarchale en autoritaire verhoudingen.
Sloterdijk heeft een fetisjistische verhouding tot grote woorden. Alle soorten conservatisme rekent hij tot ‘het rijk van de filisters’, een niet erg flatterende omschrijving, terwijl hij er toch veel sympathie voor heeft. Hij ontpopt zich tot een conservatief die kregel wordt van experiment, improvisatie, instabiliteit, innovatie, ‘de agenten van de vrijmaking’, ‘ankerloos vrijheidstreven’ en vaderloosheid. Maar hij wil natuurlijk geen ouderwetse conservatief zijn die met een dun mondje het bedenkelijke gedrag van verschrikkelijke kinderen gadeslaat. Hij wil een elastische conservatief zijn die zijn wijsheid overal vandaan haalt, zowel bij de reactionaire conservatief Joseph de Maistre als bij de hyper-individualist Max Stirner, schrijver van Der Einzige und sein Eigentum (1845). Jammer dat Sloterdijk niet af te brengen is van zijn periodieke hermetische taalgebruik. Gevolg is dat dit een verschrikkelijk boek is, afwisselend onbegrijpelijk en kraakhelder, afwisselend abacadabra en helderziend.
De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd is uitgegeven door Boom.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.