De afspraak vooraf was zo gedetailleerd dat die bevreemding wekte. Richard Holmes (1945), wereldberoemd Brits biograaf, had duidelijke instructies gegeven. Op die dag, precies op dát tijdstip zouden we hem ontmoeten in de welkomsthal van de British Library te Londen. Kom niet te vroeg en niet te laat, was ons verteld. Ga op dat levensgrote metalen boek zitten in de hal en daar, op dat moment, zien we elkaar. Wijk je daarvan af, dan kan het verschrikkelijk fout gaan, was de suggestie.
Dus daar zitten we, ongemakkelijk op dat metalen gevaarte, aangestaard door hordes bezoekers. Paraplu klemvast in de vuist, vanwege het Londense weer. Het horloge wordt steeds verzenuwder geraadpleegd, want het magische moment ligt al enkele minuten achter ons en geen Richard Holmes te bekennen. Laten we zijn nieuwe boek airportstyle ophouden, bedenken we: This Long Pursuit. Reflections of a Romantic Biographer. Het boek waarin de kenner van de Britse en Franse Romantiek, de biograaf van Shelley en Coleridge en auteur van de bestsellende standaardwerken Footsteps (1985), een baanbrekend reisverhaal annex biografie van Robert Louis Stevenson, en The Age of Wonder: How the Romantic Generation Discovered the Beauty and Terror of Science, zich eindelijk persoonlijker dan ooit laat kennen. Dat malle wapperen helpt. Want ja, meteen verschijnt daar Richard Holmes achter ons, met een twinkeling in de ogen.
Had hij ergens achter een pilaar gestaan? Hij vertelt dat hij hier in de British Library aan het werk is aan een nieuw project waar hij – helaas, helaas – niets over kan zeggen. Om ons vervolgens in vliegende vaart naar een vitrine te voeren met daarin de eerste druk uit 1610 van Sidereus Nuncius van de Italiaanse filosoof, natuurkundige en astronoom Galileo Galilei (1564-1642). In bevlogen woorden brengt hij daar voor die vitrine op fluistertoon een aubade aan dit boek waarin Galileo zijn observaties van het sterrenstelsel heeft vastgelegd.
Trefzeker kiest Holmes een tafeltje uit op het buitenterras van de British Library. Zachtjes zet de regen in, maar dat is geen bezwaar. Meteen zet Richard Holmes lustig in met anekdotes. Zo verhaalt hij over de Universiteit van East Anglia waar de in Cambridge opgeleide Holmes van 2001 tot 2007 professor was. Daar bestaat een grote creative writing-afdeling, met illustere docentennamen als Angus Wilson, Malcolm Bradbury en Holmes’ echtgenote, schrijfster Rose Tremain. Mássa’s studenten wilden zelf schrijver worden, maar – hij lacht samenzweerderig – al aan het eind van het eerste semester kwamen ze aankloppen bij de biografiesectie. Ze waren klaar met schrijven over hun eigen leven, ze waren op zoek naar nieuwe onderwerpen. Holmes voegt aan die victorie voor zijn vakgebied toe: ‘Ze kwamen in het geheim.’
Briljante Belle van Zuylen
Hoogste tijd voor een interventie. In This Long Pursuit vertelt Holmes dat hij bijna tweehonderd notitieboekjes bezit, die zijn concept van ‘the Two-Sided Notebook’ illustreren, zijn vorm van ‘double accounting’ tijdens zijn biografische onderzoeken. Aan de rechterkant staan de objectieve, feitelijke opmerkingen over zijn onderwerp, aan de linkerkant zijn subjectieve, persoonlijke bevindingen. Zo kan hij zijn empathie tot nut maken bij de beantwoording van dé vraag: hoe was dit menselijke leven werkelijk en wat betekent het nu voor ons? Biografie dus als de vrucht van historisch onderzoek én verbeeldingskracht, en This Long Pursuit geeft aldus een kijkje in de keuken tijdens de conceptie van zijn oeuvre, de biografieën waarmee hij zijn naam vestigde. Nogmaals, dit is zijn meest persoonlijke boek, gebaseerd als het is op al die linkerpagina’s. En juist dit boek moet het stellen zonder voorwoord of inleiding. Waarom?
Holmes kijkt gepijnigd: ‘Ja, ja, ik weet het, geen voorwoord, geen inleiding, zo bám direct in het boek.’
Met drama in de stem: ‘Oorspronkelijk had ik een enorme inleiding geschreven, maar zin voor zin, zinsdeel voor zinsdeel, schrapte ik die. Ik merkte dat ik mezelf aan het verklaren was; ik had het over de vrouwenbiografieën die er pas deze eeuw zijn gekomen, in mijn tijd; ik legde uit hoe briljant jullie schrijfster Belle van Zuylen was, en dacht: dit is onnodig. Het essay over Belle van Zuylen zelf vertelt het verhaal, een inleiding bleek te veel van het goede. Het ene essay voedt tenslotte het andere, en de enige plek waar ik iets kan zeggen, waar ik iets mág zeggen van mezelf, is helemaal tegen het slot van het boek, in het dankwoord.’
Indirect zegt u wel veel: uw boek benadrukt dat het leven van de gebiografeerde een spiegel is voor de biograaf.
‘Mijn interesse voor de romantische dichter Shelley ontstond in de jaren zestig, in die buitengewone explosie van idealisme. Er ontstonden communes, iedereen ging reizen, ik wilde daarover schrijven, maar ik wist niet hoe. In ieder geval niet persoonlijk, al leefde ik in dat milieu. Toen ontdekte ik Shelley en zijn leven bood mij zo’n spiegel: die vroege negentiende-eeuwer kwam uit een rijk aristocratisch nest, was politiek geëngageerd, atheïst, ideeënrijk, rusteloos en zelfzuchtig, een radicale vernieuwer, hij stichtte een commune voor vrije liefde, reisde veel en was op zeker moment sociaal ongewenst in Engeland. Overal waar hij kwam, veroorzaakte hij chaos – buitengewoon interessant om over te schrijven.’
Wat een verlies, wat een afgang dat over de hele wereld alleen nog maar Engels aan de universiteiten wordt gedoceerd.
Lyrisch: ‘Er is een grote reisschrijftraditie in mijn land, veel Britse schrijvers verlangen ernaar los te breken van hun eiland. Shelley nam mij als adolescent, in zijn voetsporen, mee naar Italië, Frankrijk en verder – dat was mijn eerste Europese connectie. Dat geeft je direct een Europese identiteit; dat was nog zoiets dat ik toen die afgrijselijke Brexit kwam in het voorwoord zette en weer schrapte. Ja, ik wilde zeggen: dit boek is ook een lofzang op Europa, zeker voor mijn generatie schrijvers. Ik had nooit gedacht dat die Brexit er zou komen, ik stond perplex. Het voelde alsof met ons iets gebeurde buiten ons om. Ik ben grootgebracht met Europa, als jongen al meegenomen naar Frankrijk en Spanje en daarna verslond ik veel Europese literatuur. Tijdens mijn studie in Cambridge had ik het geluk les te krijgen van George Steiner. Een van de eerste dingen die mijn grote voorbeeld tegen mij zei’ – hij spreekt nu Engels met een massief Duits accent – ‘Mister Holmes, unless you have a second language, you know NOOTINK about your own. Wat een verlies, wat een afgang dat over de hele wereld alleen nog maar Engels aan de universiteiten wordt gedoceerd, Europese cultuur is meertaligheid en wat een treurnis, die Brexit. Het gaat generaties duren om dit te herstellen.’
Uw boek is dus pan-Europees. Kun je ook zeggen dat het een antwoord is op de Brexit?
‘Nou, nou,’ protesteert Holmes grinnikend’, ‘ik ben geen politicus. We moeten boven die issues staan, zeker in een boek dat verder wil reiken dan de waan van de dag. Misverstanden liggen snel op de loer, weet ik sinds mijn boek Footsteps, waarmee ik doorbrak. Mensen beginnen vaak over dat boek vanwege het droomdeel, het spreekt ze romantisch aan dat ik in de stappen van mijn onderwerp probeer te reizen en mij inleef in hoe ze zich voelden. Ze denken dat ik mijn onderwerp blijvend ben geworden, en gaan eraan voorbij dat je nadat je dat gedaan hebt terugkeert naar de realiteit. Om maar te zwijgen over het onderzoek dat je moet doen. Je kunt pas dromen over je onderwerp als je de bronnen intensief hebt bestudeerd. Footsteps werkte, omdat niemand daarvoor nog zo’n boek had geschreven. Dat boek is veel nagevolgd, met wisselend resultaat, zullen we maar zeggen. Veel later, toen ik biografie doceerde, bespraken mijn studenten en ik vaak de kwestie hoe je jezelf moet introduceren in een biografie. Meestal zei ik: doe het niet. Menig aspirant-biograaf begint met een biografie en eindigt met een memoir.
De twee kanten van mijn aantekenboek is een antwoord op dat probleem: aan de rechterkant je research, aan de linkerkant je persoonlijke opmerkingen. Een tikkeltje schematisch misschien, maar ik heb het altijd zo gedaan.’
In uw boek nemen die persoonlijke ervaringen vaak de vorm aan van biografische parabels.
‘Het gebeurde gewoon zo. Ik ging naar de kamer vanwaar Coleridge zijn brieven schreef. Hij bewonderde het uitzicht zodanig dat hij zich altijd sneed bij het scheren; zozeer was hij afgeleid. In dat gebouw, dat toen ik het bezocht dienst deed als een door nonnen geleide kostschool voor meisjes, vroeg ik of ik op het dak mocht. Toen ik daar was, zag ik vijf flessen wodka verborgen liggen alsmede Black Russian-sigaretten. Het waren heel beschaafde meisjes, denk ik, want zulke sigaretten waren toen al moeilijk te krijgen. Terwijl ik nog in het raam stond dat me naar het dak had gebracht, vroeg de directrice of mijn verwachtingen vervuld waren, terwijl pal achter haar een engelachtig meisje “niks zeggen!” stond te mimen. “Ja, ik vond biografische inspiratie,” antwoordde ik de directrice en smeedde zo een samenzwering met dat meisje. Zo’n biografische parabel leert je te onderscheiden: je hebt dat mooie romantische moment en dan trek je je daarvan terug.’
Nogal ongelukkig
Zonder de journalistiek, vertelt Holmes, had hij het niet zover geschopt. Zijn studie op Churchill College te Cambridge was ideaal, dankzij George Steiner, die zoveel Europese talen kende, zoveel contacten onderhield met wetenschappers en even graag als Holmes op een motorfiets reed. Hij had op Cambridge kunnen blijven om te promoveren, maar in zijn laatste jaar werd hij ‘nogal ongelukkig’. Schrijver wilde hij worden, in Londen. Steiner belde vermoedelijk met wat contacten in de pers, denkt hij nu. Want Holmes kon direct aan de slag bij The Times als journalist en hij mocht overal over schrijven, grote stukken. Features.
Denkt u dat het schrijven van een biografie iets van doen heeft met journalistiek?
‘Onbetwist. In het archieven doorspitten, in het onderzoek doen. En er kleeft iets journalistieks aan een biograaf die een vliegtuig neemt en in de sporen van zijn onderwerp reist. Maar wat is een biografie, wat is journalistiek bij het oprekken van de grenzen van die disciplines tegenwoordig? Denk aan de voetballer die verklaarde opgelucht te zijn na lezing van zijn autobiografie.’
Lachend: ‘Dat is een andere wereld dan die van de biografie, denk ik. Die van de journalistiek, wellicht.’

Even later komt hij terug op de vraag: ‘De lengte bepaalt het verschil tussen journalistiek en literatuur. Journalistiek begrenst en daardoor krijg je vaak een heviger inkleuring, het moet lichter en scherper. Mijn eerste redacteur bij de krant zei: Richard, je artikelen zullen gelezen worden door iemand die dat staande in de trein doet. Dus behoud spanning, wees precies en bondig. Journalistiek kwam neer, zeker in de eerste twintig jaar dat ik het deed, op het vak leren. Iedere keer dat je je werk terugziet in de krant, denk je: dat had beter gekund. Wie wil leren schrijven, kan zich geen betere discipline wensen dan journalistiek.’
Wilt u als biograaf de geschiedenis corrigeren?
‘Een van de dingen die de biografie moet doen, is rechtvaardigheid brengen. Mensen goed doen die de geschiedenis zijn uitgeschreven of slecht behandeld zijn door de geschiedenis. Je bent dan meer dan een conservator, je dient iemands reputatie te herstellen. Als advocaat van de verdediging, die zegt: laten we de zaak nog eens bekijken, van een andere kant. Nieuw materiaal kan tot een ander perspectief leiden. Heropen de cold cases.’
Richard, je artikelen zullen gelezen worden door iemand die dat staande in de trein doet. Dus behoud spanning, wees precies en bondig.
Dat klinkt een stuk steviger dan uw concept van de biografie als handshake, dat u in ‘This Long Pursuit’ ontwikkelt.
Geamuseerd: ‘Dat zeg je als Europeaan, gewend als jullie zijn aan fysiek contact. De hand schudden was voor mijn generatie Britten een baanbrekende verandering. Voor Roses kinderen, mijn diepgeliefde outlaw-kinderen dus, is dat heel anders. Die kennen zelfs de kus ter begroeting. Maar bij mijn studenten, die – terecht – rigide opvattingen koesteren over lichamelijk contact tussen docenten en studenten, introduceerde ik de Europese handdruk. Wanneer ze het lokaal binnenkwamen, stond ik ze op te wachten met een uitgestoken hand – dat bracht ze diep in verwarring. Dat was beslist geen gebruik in Engeland. Engelsen stonden bewegingsloos tegenover elkaar, voornaam te zijn. Ik pikte de handdruk in Frankrijk op, daar ervoer ik de schoonheid van die handeling. Ik herinner mij hoe ik jaren geleden met Rose op een terras aan de Boulevard Magenta in Parijs zat en tegenover ons verzamelde zich een schoolklas, kinderen van vijftien en zestien jaar die elkaar elke dag zagen. Ze drukten elkaar de hand, omhelsden elkaar. Wat is dat goed, besefte ik.’
Maar goed, de biografie als handshake.
‘Rose en ik praten onophoudelijk over wat de roman verbindt met de biografie. Ik vroeg mij af: zijn er theorieën over de biografie? Vermoedelijk niet. Daarna zette ik toch een paar dingen op een rijtje. Het enige daarvan dat standhield, is de theorie van de biografie als handshake: het idee dat de biografie bruggen kan slaan. Overduidelijk in de tijd; met betrekking tot gender; cultureel gezien slaat de biografie een brug tussen de literatuur en de wetenschap.’
Maar er zit ook iets problematisch aan uw handshake. De handdruk geeft aan dat je iemand begrijpt. Als je een biografie van Hitler schrijft, zeg je niet snel: dit is een handshake.
Holmes reageert kordaat. Hij zegt: geef mij eens een hand. Die wordt hem argeloos toegestoken, en blijkt opeens, razendsnel, onderdeel te zijn geweest van een hardhandig potje armworstelen op de natte kantinetafel op het terras van de British Library. De zegeverende Holmes zegt: ‘Iedere handdruk moet altijd een armworsteling worden. Het begin van een bokswedstrijd houdt het aantikken van elkaars handschoenen in. De Fransen zeggen: tout comprendre c’est tout pardonner – maar dat is niet waar. Een handshake zegt: ik ben niet bevooroordeeld. Het is altijd bot en onvergeeflijk dom om handen te weigeren. Daarmee sluit je namelijk deuren. Bij een biografie kun je je dat niet permitteren. Je neemt het risico om iemand te begrijpen, met alle gevolgen van dien. De meeste biografen van de depressieve dichteres Sylvia Plath eindigden met een zenuwinzinking. Putten uit het onderbewuste kan hachelijk zijn.’
Hoe is het dan om met een romanschrijfster te leven?
‘Het is geweldig, is mijn korte antwoord. We zijn nu groter behuisd, maar jarenlang konden we voortdurend elkaars gehamer op de typmachine horen. Om allerlei redenen werkt het tussen ons goed: Rose heeft iemand nodig die het begrijpt wanneer ze in zo’n andere wereld is. We onderkennen dat schrijven een roeping is, dat het altijd doorgaat. Rose schrijft vooral historische romans, maar ook korte verhalen. Die zijn fascinerend, omdat ze nergens vandaan komen. Oorspronkelijk was ik daar verbaasd over, maar nu kan ik het aan haar merken wanneer er een kort verhaal aankomt; ze is dan nog dieper in een andere wereld verzonken. We lezen elkaars werk onder een bepaalde voorwaarde: dat we, tenzij het klaar is, ons werk niet op de ander dumpen. Ze is heel behulpzaam als ik een lang artikel heb geschreven, en ik ben de eerste lezer van een kort verhaal van haar.’
Bent u bij het lezen hard voor elkaar?
‘Nou, hard, hard… We hebben een zekere Europese diplomatie nodig. We praten veel over onderzoek en over het verschil tussen het werk van de biograaf en de romancier. We hebben ook samen een lezing gehouden – The Fact-Fiction Dialogue – waarbij we het over hetzelfde hebben. Vanuit een theoretisch niveau laveren we naar huiselijke details. We praten over hoe we beginnen, en over onderzoek doen. Ze doet veel research, maar als ze het goed doet, absorbeert ze die en vergeet ze die – in de roman mag je als lezer geen last hebben van de documentatie vooraf. Bij het werken aan een biografie komt er juist geen einde aan het onderzoek. Je maakt als biograaf altijd een fout, ergens. Maar je probeert zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen. Je moet nooit iemands woorden parafraseren. Je wilt als lezer toch weten wat hij echt gezegd heeft.’
Geniet de romanschrijver niet veel meer vrijheid?
‘Je bent er als biograaf aan gebonden dat je bij iedere uitspraak een bron geeft. Maar passages uit brieven kun je bijna als dialoog inzetten. Toch zijn er meer overeenkomsten dan verschillen: zowel de biograaf als de romanschrijver moet de juiste stem vinden. De eerste helft van Restoration, haar meest succesvolle roman uit 1989, over een zeventiende-eeuwse arts die Sir Robert Merivel heet, schreef Rose eerst in de derde person, maar het bleef stroef. Toen kreeg ze een ingeving hoe Sir Roberts stem echt klonk en begon ze opnieuw. En toen ik over Coleridge wilde schrijven, vroeg ik mij af: is zijn leven nu een komedie of juist een tragedie? Beide, besloot ik, dus ik bracht meer stemmen in. Waarheidsgetrouwe stemmen.’
U blijft dus als biograaf een historicus met een geweten en met ethiek: de bronnen moeten waar zijn.
‘Jaaah, ik denk dat dat de regel is.’ En dan, schalks: ‘Ga eens naar pagina 126 in mijn boek, onderaan. Over het bezoek dat hertogin Mary Cavendish aan de Royal Society bracht. De dagboekschrijver Samuel Pepys was aanwezig bij die bijeenkomst waar deze uitzonderlijke vrouw ongekend bot door die kerels werd bejegend.’
Onder aan die pagina lezen we: ‘But Sir Robert Merivel, Physician to the Royal Dogs, noted kindly that ‘My Lady Newcastle was greeted by much yapping and barking by the Learned Fellows of the Society, but seemed to keep them all at heel in a very easy manner.’
Holmes schatert. ‘Niemand leest ooit het dankwoord in een boek. Daarin bedank ik Rose voor het lenen van een van haar personages. Sir Robert Merivel is een geheel verzonnen figuur. En er was bij die bijeenkomst helemal geen arts aanwezig. Bij dat zogenaamde citaat “yapping en barking” zei Rose: ja, zo ís Sir Robert. Ten voeten uit.’
Bevat uw boek nog meer oplichtersstaaltjes?
‘Ja, in het deel over ballonvaart (Holmes schreef eerder over ballonvaarders in Falling Upwards: How We Took to the Air (2013), zie kader p. 65) heb ik mij wat vrijheden gepermitteerd. Ballonvaarders verzonnen namelijk zelf altijd sterke verhalen over hun avonturen. Dus wees op je hoede bij de citaten van Edgar Allan Poe over Coleridges ballonvaart. Ik geef een aanwijzing: het is een dubbele hoax.’
Geruststellend, bij de aanblik van onze verbijsterde gezichten: ‘Ik wilde de grenzen wat verleggen, maar de sleutels om de waarheid te zien, zitten er allemaal in.’
Wat zijn de best bewaarde geheimen voor de ooit te schrijven biografie over u?
‘Je denkt toch niet dat ik die nu ga vertellen? Het is zo dat ik direct over mezelf schrijven altijd vermeden heb. Dat past niet bij mij.’
Is dat in uw optiek misschien ook een typisch Brits karaktertrekje?
‘Was dat maar waar. De Britten schrijven juist idioot veel over zichzelf. Aan mij is dat meestal niet besteed; veel modern schrijven is uitermate narcistisch. De behoefte om jezelf omhoog te duwen deel ik niet. Misschien is dat iets van mijn generatie. Ik wil meegevoerd worden, weg van mezelf. Door iets buiten jezelf te bestuderen kun je beter naar jezelf kijken.’
Toch kun je al heel een eind komen om u te begrijpen: uw onderwerpskeuze ligt meestal in de achtiende en begin negentiende eeuw.
‘Die romantische periode is ook zo uniek. De mensen toen waren zo boeiend en leefden zo intens. Ze reisden volop – dat is voor mij heel belangrijk. Ze waren bezig met wetenschap én literatuur. Op een bepaalde manier leefden ze voor mij in een ideale samenleving. De tijd staat niet stil en veel van toen is helaas verloren gegaan. Maar ik kan wat stukjes van die toenmalige kracht in onze tijd terugzien, en dat stemt mij gelukkig.’
Richard Holmes, ‘This Long Pursuit. Reflections of a Romantic Biographer’, William Collins, 360 p., € 27,50
Richard Holmes
Richard Holmes schreef biografieën van Shelley – Shelley: The Pursuit (1974) – en Coleridge – Coleridge: Early Visions (1989) en Coleridge: Darker Reflections (1998). Wereldberoemd werd hij met zijn boek Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer (1985), een baanbrekend reisverhaal annex biografie van Robert Louis Stevenson.
In zijn boek The Age of Wonder: How the Romantic Generation Discovered the Beauty and Terror of Science (2008) maakt hij duidelijk dat het hem menens is met zijn ambitie om met behulp van biografisch onderzoek de wetenschap te verrijken. In Falling Upwards: How We Took to the Air (2013) laat hij ons aan de hand van biografieën van Britse, Franse en Amerikaans ballonvaarders voelen hoe groot de opwinding was toen de mens de aarde voor het eerst van bovenaf kon zien.
En nu is er This Long Pursuit. Reflections of a Romantic Biographer, een essaybundel waarin Holmes op schitterende wijze illustreert dat een literaire vorm van biografie deugdelijk bronnenonderzoek niet in de weg hoeft te staan.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.