Sander Donkers deugt keihard. Onze man in verwarring liep mee met Ieder1, schreef er stukjes over en zat zondagavond mooi met de beentjes omhoog op de bank, hardnekkig te deugen.

Halleluja, eindelijk is het officieel: ik deug. Voor u nu denkt: pfff, dat kan iedereen wel beweren – het werd de afgelopen week vastgesteld in De Telegraaf, door Annabel Nanninga cs. én door de overwegend linkse, antiracistische twitterende en bloggende goegemeente. U hebt het, kortom, niet van mijzelf. Natuurlijk: iederéén die afgelopen zondag meeliep in de parade voor diversiteit deugde als de neten. Maar ik heb er dus ook nog eens adhesiebetuigende stukjes over geschreven, én werd geciteerd in de Volkskrant als zijnde man-in-verwarring. Allemaal karmapunten voor de deug-o-meter. Amnesty International stortte per ommegaande mijn contributie terug, verdúbbeld, omdat ik zelf inmiddels een goed doel ben geworden. Vanochtend stond een stokoud vrouwtje er op om mij te helpen bij het oversteken – zo keihard deug ik.

Het enige minpuntje aan dit alles is dat al die verschillende bronnen het helemaal niet zo vriendelijk bedoelden. Want deugen = wegkijken, onder het tapijt vegen, doen alsof je neus bloedt, en ondertussen lekker je handjes warmen aan het knapperende haardvuurtje van je eigen goedheid.

En tja, wat kan je daarop zeggen? Behalve dat het inderdaad niet zo moeilijk is om elke vorm van empathie, mededogen, solidariteit of hoe je het wilt noemen te reduceren tot welbegrepen eigenbelang – die hele riedel van wie goed doet, goed ontmoet en zo.

Het is inderdaad niet zo moeilijk om elke vorm van empathie, mededogen, solidariteit of hoe je het wilt noemen te reduceren tot welbegrepen eigenbelang.

Vooropgesteld dat het nogal absurd is om parallellen te trekken tussen boos schreeuwend rechts en de antiracismebeweging, was het toch ongelooflijk ironisch dat ze het over één ding roerend eens leken te zijn: het ‘vieren’ van diversiteit is walgelijk. Er vált niks te vieren, ofwel omdat de multiculturele samenleving een ellendig misbaksel is dat te vuur en te zwaard bestreden moet worden, ofwel omdat racisme een ellendig misbaksel is dat te vuur en te zwaard bestreden moet worden. Het debat móét hard, en voor wie daar moeite mee heeft, geldt de aloude wet: if you can’t stand the heat, get out of the kitchen. Dat er misschien gewoon een raam in die keuken zit, dat wellicht nog open kan ook, schijnt geen van de kampen meer te zien. Net zo min als het idee dat je er ook om strategische redenen bezwaar tegen kunt hebben, en niet alleen omdat je zieltje er te gevoelig voor is.

Nasrdin Dchar en de andere mensen achter Ieder1 zagen dat wel, of wilden dat in elk geval graag zien. Dat vergde, naast veel tijd en inzet, ook moed. Niet eens zozeer vanwege de treurig stemmende Pavlov-reactie van treiterblogger Nanninga en de zuigertjes van Powned, die er weer eens lekker op los konden. Ik vermoed dat de kritiek uit dat andere kamp harder aankwam. En hoewel ik in al die verhandelingen van mensen die vooral niet meeliepen heus zinnige argumenten tegenkwam, zag ik ook veel onwil om de bedoelingen van Dchar te begrijpen. Vóór diversiteit zijn en niet tégen racisme, uiteindelijk is het weinig meer dan een retorisch trucje, bedoeld om heel ouderwets een massa op de been te krijgen. Kijk naar de organisatoren van Ieder1 en je weet wel ongeveer uit welke hoek de wind waait. Een van de sprekers op het Museumplein was Kno’Ledge Cesare, al jaren een centraal figuur in het protest tegen Zwarte Piet. En hé, hoe dolletjes, daar had je een zwarte Sinterklaas. (‘Is dat de echte?’ vroeg een zesjarig meisje aan haar moeder. Om vervolgens zelf te concluderen: ‘Het zóú kunnen hoor.’)

Met zoveel tegenstand was het eigenlijk een wonder dat er uiteindelijk, volgens schattingen van de politie, nog zo’n tienduizend man deelnam aan de parade. In tijden dat je mensen sowieso met geen stok meer de straat op krijgt, zou je het best een succes kunnen noemen. Zelf hield ik er eerlijk gezegd een beetje een narrig gevoel aan over. Omdat ik gehoopt had op meer, en omdat het debat vooraf me weer eens confronteerde met de diepte van De Kloof. Maar hé, dat ik de rest van de avond met de beentjes omhoog heerlijk kon gaan zitten deugen op de bank, dat was natuurlijk wel weer tof.