Er gaat uiteindelijk niets boven een harde, ouderwets knallende scoop. En gelukkig zijn ze er weer, in de VS én in Nederland.

Vergeet alle modieuze praatjes over de toekomst van de journalistiek: dat virtual reality nu toch echt gaat doorbreken maar augmented reality het verschil gaat maken en dat als je nu nog digital first roept je hopeloos achterloopt, want het gaat om mobile first of social first of wat het laatste mantra ook maar is.

Vergeet het, want er gaat uiteindelijk niets boven een harde, ouderwets knallende scoop, zo een die ruikt naar natte regenjassen, verbrand rubber in parkeergarages en vooral naar het angstzweet van machthebbers. Naar Watergate dus.

Toen ik honderd jaar geleden naar de School voor de Journalistiek ging, werden wij onmiddellijk naar de bioscoop gestuurd om All the president’s men te zien. Geen grotere helden dan de verslaggevers van de Washington Post, Bob Woodward en Carl Bernstein, die president Richard Nixon tot aftreden dwongen met ouderwets verslaggeverswerk: eindeloos bellen, langs de deuren gaan en, inderdaad, wachten in de parkeergarage op hun geheime bron, Deep Throat, de man die nooit veel zei, ze hoogstens de goede kant op stuurde. Geen mooier gezicht dan de acteurs Robert Redford en Dustin Hoffman achter de schrijfmachine waarop ze hun belastende feiten één voor één op papier hamerden, als nagels in een doodskist. Wij leerling-journalisten keken er met open mond naar.

Met dank aan Donald J. Trump

Ruim veertig jaar later is de geest van Watergate terug in Amerika. De grote, veelal klassieke media, de Washington Post en de New York Times voorop, grossieren weer in scoops die het hart van de politiek raken. Met dank natuurlijk aan president Donald J. Trump, die Richard Nixon lijkt te willen overtreffen in roekeloos machtsmisbruik met als gevolg dat vele regeringsfunctionarissen het bijna als hun morele plicht zien te lekken naar de media.

Waren Woodward en Bernstein nog twee eenvoudige verslaggevers, die min of meer toevallig op hun politieke schandaal stuitten, hun erflaters maken deel uit van goed getrainde, moderne legertjes onderzoeksjournalisten. Amazon-miljardair Jeff Bezos, die in 2013 de Washington Post kocht, investeert niet alleen fors in nieuwe technologie voor de krant, maar ook in ouderwetse slagkracht: meer verslaggevers. En de New York Times liet kort voor de inauguratie van de president weten dat het vijf miljoen dollar extra vrijmaakt voor de politieke verslaggeving. Tot nog toe lijkt al dat geld te renderen: meer scoops, meer omzet.

Een van de nieuwe ‘Woodsteins’ is Michael S. Schmidt (34) van de New York Times. Hij werd bijna tien jaar na Watergate geboren. In zijn nog vrij prille loopbaan heeft hij doping- en omkopingsschandalen in de sportwereld onthuld en geheime documenten van de Amerikaanse inlichtingendiensten op een vuilnisbelt in Irak opgespoord. Hij volgt nu het onderzoek van de FBI naar de banden van Trump-medewerkers met Rusland en brengt de ene scoop na de andere.

Het is duidelijk dat een deel van de FBI deze president wil stoppen.Sinds het ontslag van FBI-directeur James Comey is het helemaal raak. Schmidt onthulde onder andere dat de president probeerde Comey over te halen het onderzoek te laten rusten. ‘I hope you can let this go,’ zou Trump hebben gezegd volgens de aantekeningen van Comey, die hij zou hebben gedeeld met naaste medewerkers, die op hun beurt Schmidt ter wille zouden zijn geweest. Het is duidelijk dat een deel van de FBI deze president wil stoppen (Deep Throat was trouwens een adjunct-directeur bij de FBI, die niet kon wegkijken van de immorele praktijken van de Nixon-trawanten).

Schmidt is inmiddels mijn favoriete gast van The Daily, de dagelijkse podcast van de New York Times. Met een vermoeide lage stem geeft hij de laatste spectaculaire gebeurtenissen door alsof het om de fileberichten gaat. Verwacht van Schmidt geen meningen of speculaties, hij geeft zoveel mogelijk de kale feiten. ‘Ik ben alleen maar bezig om op zoveel mogelijk deuren te kloppen om zoveel mogelijk te achterhalen wat er tussen die twee (Trump en Comey, red.) is voorgevallen.’ En op de vraag of iets ongelooflijks ook werkelijk is gebeurd, antwoordt hij met een kleine zucht: ‘Ik zet alleen maar dingen in de krant die werkelijk gebeurd zijn.’ Natuurlijk, alleen maar wat er gebeurd is – wat goed genoeg was voor Woodward en Bernstein, is dat zeker ook voor Schmidt. Tot razernij van Trump, die met Comey ook gesproken zou hebben over de mogelijkheid journalisten gevangen te zetten.

Meer dan het bonnetje van Teeven

En Nederland? Ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar heb de indruk dat er sprake is van een opleving in de onderzoeksjournalistiek, landelijk en regionaal, in oude en nieuwe media. Iedereen heeft de mond vol van datajournalistiek, maar de meeste scoops blijven toch vooral de vrucht van goed lezen, de straat op en vooral van mensen die wat willen zeggen.

Een goed voorbeeld is Bas Haan van Nieuwsuur. In januari verscheen zijn boek De rekening van Rutte waarin hij verslag doet van zijn speurwerk voor Nieuwsuur naar de deals van toenmalig officier van justitie, en latere staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Fred Teeven (VVD) met de onderwereld. Het werk, dat drie jaar in beslag nam, is voor het gemak samengevat als ‘de zoektocht naar het bonnetje van Teeven’. Maar het is veel meer.

Zoals het bij Watergate niet zozeer ging om de inbraak in het kantoor van de Democratische Partij als wel om de wijze waarop het Witte Huis alles in de doofpot wilde stoppen, ging het in de zaak van het bonnetje vooral om het ontkennen van de waarheid met een beroep op een haperend geheugen. ‘Het echte schandaal,’ schrijft Haan, ‘is de gedachte dat het verhullen van de waarheid voor bewindspersonen blijkbaar een betere optie is dan het accepteren van schade aan het beeld dat een ministerie en het kabinet in stand willen houden.’ Zijn speurwerk leidde tot het overhaaste vertrek van twee ministers van Justitie, een staatssecretaris en de voorzitter van het parlement. De premier kwam net met de schrik vrij.

Haan gaat net als Woodward en Bernstein langs huisdeuren (in de ogen van velen een forse inbreuk op de privacy) op zoek naar de Justitie-medewerker die wil praten.Zijn boek roept beelden uit All the president’s men op. Als een tweede Ben Bradlee trekt hoofdredacteur Joost van Oranje zo nodig de lijnen strak: niet te veel en te snel willen publiceren, eerst meer bronnen zoeken. Haan gaat net als Woodward en Bernstein langs huisdeuren (in de ogen van velen een forse inbreuk op de privacy) op zoek naar de Justitie-medewerker die wil praten. Hij verzint trucs om mensen ertoe te bewegen hun bronnen te delen zonder strafbare feiten te plegen. Hij laat een bron weten wanneer hij op het strand loopt om elkaar ‘toevallig’ te kunnen ontmoeten. Bas Haan is terecht voor zijn werk geprezen.

Andere voorbeelden zijn Eric Smit en Kim van Keken, digitale onderzoeksjournalisten van Follow the Money. Hun publicaties leidden tot de val van VVD-partijvoorzitter Henry Keizer. De ‘balsemkoning’ kon de verdenking dat hij zich had verrijkt door een dubieuze deal in de uitvaartbranche niet wegnemen. En dat weegt zwaar voor een man die in zijn vrije tijd de integriteit moet bewaken binnen de partij die het meest geplaagd wordt door integriteitsproblemen. Ontluisterend waren de beelden van de persconferentie op 28 april, waar Keizer, het voorhoofd deppend met een zakdoek, probeerde uit te leggen dat de transactie in zijn wereld heel gebruikelijk was. Buiten, aan de andere kant van het hek, stond Eric Smit met zijn vragen. De beveiliger had de opdracht hem niet binnen te laten. Het was een fout uit het eerste hoofdstuk van het handboek voor crisismanagers. Smit kon die avond in alle tv-programma’s zijn verhaal doen, waarbij ter afwisseling de beelden werden vertoond van de zweetdruppeltjes die over het ronde hoofd van Keizer gleden.

De journalist als held

Het zijn de triomfen van de onderzoeksjournalist. Hij belichaamt het beeld van de onvermoeibare eenling die het opneemt tegen de macht, het archetype van de journalist als held. De beroepsgroep kan ze goed gebruiken, want met het aanzien van en het vertrouwen in de journalistiek is het vrij droevig gesteld. Een verklaring daarvoor is dat de journalistiek zich te dicht bij de macht heeft genesteld om nog geloofwaardig te kunnen zijn als waakhond. Journalisten als Bas Haan en Michael Schmidt zijn een welkome correctie.

Ik ken alle relativeringen van het belang van onthullingsjournalistiek. Ik weet hoe onvolkomen zij kan zijn. Maar het moet voor goedwillenden toch een geruststellende gedachte zijn dat er journalisten zijn die over het publiek belang waken, terwijl kwaadwillenden er wel eens van wakker kunnen liggen dat zij tegen de lamp kunnen lopen door hun toedoen.

Lees ookDe terugkeer van de waarheid in de journalistiek21 maart 2017Ik schreef eerder over de terugkeer van de waarheid in de journalistiek, maar de scoop is meer dan dat: het is de onthulling van machtsmisbruik – het ultieme brevet voor een journalist. Er zijn natuurlijk valkuilen. Het valt niet mee onbevooroordeeld te blijven, maat te houden in de drift om te scoren en kruisriddergedrag te vermijden. Liz Spayd, de lezersredacteur van de New York Times, waarschuwde onlangs ook voor overkill in de berichtgeving over het Witte Huis van Trump. Als je voortdurend trompettert over de misstappen van de president, wek je snel de indruk campagne tegen hem te voeren. De kracht van de berichtgeving over het FBI-onderzoek schuilt volgens haar juist in de feitelijke, sobere aanpak. Dat maakt het ook lastiger te negeren voor aanhangers van Trump. Spayd: ‘De uitdaging voor de toekomst is roekeloosheid te voorkomen en door te gaan met het zware werk van onthullingsjournalistiek zonder te juichen over een specifieke uitkomst.’

Laten we het bij een schouderklopje houden: goed gedaan en nu weer verder.

Meer journalistiek? Neem de nieuwsbrief van Vrij Nederland.