De taal kan de subtielste nuances tot hun recht laten komen, maar ook grof generaliseren. Je kunt zomaar tot ‘babyboomer’ gebombardeerd worden omdat je toevallig na de oorlog geboren bent. En als je de jaren zestig meegemaakt hebt zul je ook wel de taal van de jaren zestig hebben gesproken.
Toen mij een keer gevraagd werd in welk jaar ik ben geboren, volgde daar meteen dit commentaar op: ‘Dan ben je dus een babyboomer’. Daar keek ik van op. Ik, een vertegenwoordiger van een sociologische categorie waaraan van alles wordt toegeschreven waar ik niets mee te maken heb? Delen anonieme anderen mij zomaar ergens bij in? Ik ging me afvragen hoe ik onder dit etiket uit kon komen. Ik wil wil nergens bij horen tegen mijn wil en zeker niet bij zo’n affreus woord als ‘babyboomer’.
Maar ik heb veel meer gelezen. Wanneer het Havenaars bedoeling is om een wereldbeeld te ontlenen aan die 36 boeken, dan schiet zijn selectie te kort.
Toch zijn er weldenkende politiek-historici die er geen moeite mee hebben om het over de ‘babyboomgeneratie’ te hebben: de generatie die tussen 1945 en 1955 geboren is. Ronald Havenaar heeft die generatie zelfs tot de titel laten doordringen van zijn in januari van dit jaar verschenen Babyboomboek. Daarin bespreekt hij 36 boeken die door die generatie werden gelezen. Het boek gaat van de veronderstelling uit dat die generatie (althans het goed opgeleide deel ervan) min of meer hetzelfde las en dacht. Behalve Evolutie en revolutie van W.F. Wertheim en Godfried Bomans’ De man met de witte jas heb ik alle 36 boeken van Havenaar gelezen, van Wolkers’ Terug naar Oegstgeest tot A. de Swaans Amerika in termijnen, van Op weg naar het einde van G.K. van het Reve tot Jeroen Brouwers’ Bezonken rood en A.F.Th. van der Heijdens Vallende ouders en Karel van het Reves Het geloof der kameraden.


Maar ik heb nog veel meer gelezen, in het bijzonder boeken uit andere tijden, de jaren dertig, de achttiende en negentiende eeuw, en boeken van buitenlandse schrijvers, van Flaubert tot Céline, van Machado de Assis tot Patrick Modiano. Wanneer het Havenaars bedoeling is om een wereldbeeld te ontlenen aan die 36 boeken, dan schiet zijn selectie te kort.
Het in de jaren zestig belangrijke, en door Karel van het Reve bestreden, leerstuk van de Repressieve Tolerantie (dat je wel kon protesteren, maar dat er toch niets mee werd gedaan) wordt beschreven (als ik me goed herinner) door Herbert Marcuse in De eendimensionale mens. Dat boek was voor het opdoen van een wereldbeeld in de jaren zestig onmisbaar en hoort dus bij ‘wat ze lazen, wat hen vormde, hoe ze dachten’, zoals de ondertitel van Havenaars boek luidt. Maar het is geen Nederlandse boek en zit dus niet in Havenaars selectie.
Niet minder belangrijk was de discussie rond The Authoritarian Personality, een boek onder redactie van onder meer Theodor Adorno waarin aan de hand van vragenlijsten werd bepaald hoeveel vooroordelen je had, hoeveel behoefte aan autoriteit en of er sprake was van racisme. Daar kwam de beroemde ‘F-schaal van Adorno’ uit voort waarmee de mate van antidemocratische neigingen van politici konden worden bepaald. Het waren zulke bredere thema’s en discussies die bepaalden wat men dacht, meer dan bepaalde boeken.
In de toespraak die Christien Brinkgreve bij de presentatie van het Babyboomboek hield in De Rode Hoed (afgedrukt in Tirade van juni) zegt ze aan het eind dat ze met terugwerkende kracht blij is die tijd te hebben meegemaakt, ‘zoals altijd van enige afstand’. Dit ‘van enige afstand’ is essentieel, want het betekent dat ze allerminst wilde samenvallen met alles waar die babyboomgeneratie verondersteld werd voor te staan. Ze zag het van enige afstand aan omdat ze ook nog zichzelf was en niet alleen van een generatie. Het lelijke en grove begrip ‘babyboomgeneratie’ slokt alle originaliteit, veelzijdigheid, nuance en eigenzinnigheid op. Het is een paraplubegrip waaronder je niet wilt schuilen. Iemand die tussen 1945 en 1955 is geboren is meer van zichzelf dan van zijn generatie.
Op dezelfde manier (met enige afstand) lees je Blits!, het nieuwe boek van de taalvirtuoos Wim Daniëls over ‘De taal van de jaren zestig’. Zo’n algemene ondertitel suggereert min of meer dat iedereen die taal in de jaren zestig sprak. Dat heet generaliserend en inclusief denken. Wat niet wegneemt dat de jaren zestig ver genoeg weg zijn om de woorden en begrippen uit die tijd met enige verrassing terug te zien – tegelijk overigens met een vreemd soort verveling omdat het ook vaak om woorden en begrippen gaat die ver van je afstaan, nooit tot je eigen vocabulaire hebben behoord, zoals ‘te gek gewoon’, ‘toedeloe’ of ‘zakkenwasser’. Het collectieve aan de taal van de jaren zestig (en al eerder in Daniëls boek Mieters! over de taal van de jaren vijftig) ontneemt er ook de glans aan, omdat het niet je eigen taal is.
Terwijl er toch genoeg is om verrast te zijn als je nu archaïsche woorden terug ziet als ‘trendsetter’, ‘ludiek’, ‘incrowd’, ‘instuif’, ‘knäckebröd’, ‘twen’, ‘balen’ of ‘balpen’. ‘Imago’ en ‘imagebuilding’ waren in de jaren zestig iets anders, en onschuldiger, dan de huidige honger naar de celebrity-status. Een ‘teenager’ kun je nu niet meer zijn. Er kan evenmin nog sprake zijn van ‘trimmen’ nu hetzelfde ‘joggen’ heet. Bij ‘Nederwiet’ denk je nu aan een soort gemalen gras nu er gewoon van ‘wiet’ gesproken wordt. Een ‘kleurentelevisie’ is een plompe grijze kast nu er breedbeeldschermen zijn die de halve huiskamer in beslag nemen. De ‘scene’, daar waar het gebeurde, is veranderd in diverse subculturen. ‘Cola tic’, cola met een scheut jenever, behoort tot onschuldige tijden, zoals ook de ‘consumptiemaatschappij’, indertijd een van de gewoonste woorden dat nu een prehistorische indruk maakt. Iemand die graag gezien wil worden en alles doet om op te vallen kun je geen ‘blitskikker’ meer noemen.
Daniëls houdt het aangenaam feitelijk en zakelijk. Hij is beknopt als het kan en uitvoerig als het interessante materie is.
Bij Pauw & Witteman kwam Wim Daniëls vaak grappig uit de hoek, maar dat pakte meestal schoolmeesterachtig uit. Daar is in Mieters! en Blits! helemaal geen sprake van. Hij houdt het aangenaam feitelijk en zakelijk. Hij is beknopt als het kan en uitvoerig als het interessante materie is. Over de afscheidsgroet ‘ciao’ vertelt hij dat het brommertje Vespa Ciao ermee te maken heeft gehad en de Italiaanse zanger Luigi Tenco. Hij pleegde zelfmoord nadat zijn liedje ‘Ciao, amore, ciao’, dat hij in 1967 samen met Dalida zong op het songfestival van San Remo, niet de eerste prijs had gehaald. Daniëls vermeldt ook nog dat Dalida twintig jaar later zelfmoord pleegde.
Regelmatig schrik je op van woorden die totaal achter de horizon waren verdwenen, zoals ‘poef’ of ‘pluggen’. Natuurlijk staan er ook woorden niet in die elke ‘babyboomer’ vertrouwd in de oren klonken, zoals ‘zelfverwerkelijking’. Of ‘regentenmentaliteit’, een woord dat in zwang kwam door Bericht aan de rattenkoning (1966) van Harry Mulisch dat tegen de Amsterdamse regenten was gericht. ‘Mafketel’ kun je ook al niet meer gebruiken.
Blits! is uitgegeven door Thomas Rap, Babyboomboek door Van Oorschot.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.