De stad is een geluksmachine, schrijft Leo Hollis in zijn boek ‘Cities Are Good For You’. Andere nieuwe urbanisten zeggen het hem na. Niet de mens, niet de staat, maar ‘de straat is maakbaar’.

De stad is een geluksmachine, schrijft Leo Hollis in zijn boek ‘Cities Are Good For You’. Andere nieuwe urbanisten zeggen het hem na. Niet de mens, niet de staat, maar ‘de straat is maakbaar’.

Ooit gehoord van Songdo? Of Masdar? Nee? Dat is niet verwonderlijk, want deze twee steden bestaan nog nauwelijks.

De ene is gloednieuw, nog maar half gevuld en nog niet helemaal operationeel, de ander is in aanbouw en verkeert deels zelfs nog in de planningsfase. Maar u gaat vast nog heel veel vernemen van het Zuid-Koreaanse Songdo en van Masdar in de woestijn van Abu Dhabi, want ze worden al wereldwijd aangeprezen als de steden van de toekomst, als proeftuinen van hoe onze eigen steden er uit gaan zien.

Grootschalige projecten zijn het, de natte dromen van elke planner die in de traditie van Le Corbusier complete steden naar zijn hand wil zetten. Songdo heet de eerste echte Smart City ter wereld te zijn. Dat wil zeggen: het zit vol met water- en afvalrecyclesystemen, oplaad­palen voor elektrische auto’s, en vooral met 
camera’s en sensoren die van alles meten: de verkeersdrukte, de luchtkwaliteit, het energiegebruik, het weer op straat, et cetera. Op basis van al die verzamelde data zou de stad je auto een goede parkeerplek moeten gaan aanwijzen, de luchtvervuiling binnen de perken moeten gaan houden, files moeten voorkomen, de straatverlichting dimmen, je huis zo energiezuinig mogelijk comfortabel houden. Songdo is een ‘openluchtcomputer’, schrijft de journalist en new urbanist Leo Hollis in zijn boek Cities Are Good For You, waar het zogeheten ‘Internet van de Dingen’, de wereld waarin allerlei gebruiksvoorwerpen voortdurend met elkaar communiceren, tot leven komt. Dit natuurlijk allemaal ten bate van een wereld die groener en leefbaarder is dan de stad van het verleden, waar het slecht toeven was en die met zijn vervuiling, verspilling, criminaliteit en slums een gevaar vormde voor het overleven van de mensheid.

Machines om te wonen

Masdar dient hetzelfde doel: dat moet een ‘Ecosmart City’ worden. Deze compleet nieuwe woestijnstad aan zee is ontworpen door de Britse ‘starchitect’ Norman Foster, bekend om zijn spectaculaire eco-gebouwen (hij was vorige week nog in het nieuws met zijn plan voor een verhoogde fietssnelweg door Londen). Masdar moet zo weinig mogelijk fossiele brandstof gaan gebruiken, dankzij onder meer de grootste waterkrachtcentrale ter wereld, aardwarmte en zonne-energie, en koeling via een door woestijnwind aangedreven windturbine op een hoge toren in het midden van de stad. Auto’s worden uitgebannen, iedereen neemt hypermodern openbaar vervoer, allemaal elektrisch natuurlijk. Ook hier zijn allerlei ‘smart’ systemen aan het werk om afval en water te recyclen en het energiegebruik zo laag mogelijk te houden.

Een moestuin tussen de wolkenkrabbers in het district Tsuen Wan in Hongkong. Hier leren mensen organisch groenten verbouwen midden in de stad. Foto: Ries van Wendel de Joode/HH.
Een moestuin tussen de wolkenkrabbers in het district Tsuen Wan in Hongkong. Hier leren mensen organisch groenten verbouwen midden in de stad. Foto: Ries van Wendel de Joode/HH.

Gaan deze steden de mensheid redden? Leo Hollis is er sceptisch over. Hij denkt dat ze, net als de modernistische bouwprojecten van Le Corbusier en zijn volgelingen, met hun wolkenkrabbers, snelwegen dwars door binnensteden en uniforme huizen als ‘machines om te wonen’, stuk zullen lopen op de realiteit van het dagelijks leven in de grote stad, met zijn complexe problemen die niet met één technologische truc op te lossen zijn. Megalomane stadsplannen zijn wat dat betreft erg ouderwets, erg twintigste eeuw.

Bovendien, schrijft Hollis: Songdo is ontworpen door grote bedrijven als Siemens en IBM, Masdar door een autoritair geleide oliestaat. Die gebruiken hun utopische projecten vooral als paradepaardje om er uiteindelijk geld en prestige mee te verdienen. Hoe gebruikersvriendelijk is zo’n (eco)smart city dan? Zullen er wel buurtjes ontstaan? Wie mag er wonen en wie niet? En: wie heeft er controle over de software? Wat als een bewoner anoniem wil blijven? Of andere software wil gebruiken? Dat mensen maar niet echt in Songdo willen gaan wonen en dat op Masdar inmiddels flink wordt bezuinigd door de wereldwijde financiële crisis ziet Hollis als een veeg teken: top-down ontworpen plaatsen als Songdo en Masdar zijn niet de steden van de toekomst.
Cijfers weerspreken ook het oude cliché dat stadsmensen eenzamer zijn dan mensen in buitenwijken of op het platteland: het omgekeerde is waar.

Terwijl, stelt hij, steden wel de toekomst hébben. In tegenstelling tot de slechte reputatie die ze in de twintigste eeuw hadden als oorden des verderfs waar je zo snel mogelijk uit weg moest vluchten, op naar de suburbs, kunnen steden wel degelijk, ja zelfs bij uitstek, zorgen voor een groenere, tolerantere en meer leefbare toekomst voor de mensheid. Een stad is een ‘organisme’, aldus Hollis. Die hoef je alleen maar op de juiste manier water te geven.

Een complexe dans

Hier vallen grote woorden als ‘toekomst voor de mensheid’ en dat is niet voor niets. Wie vandaag de dag in de boekwinkel op zoek gaat naar boeken die nog optimisme uitstralen, boeken waarin vrolijke termen vallen als ‘dromen’, ‘hoop’, ‘revolutionair’, ‘idealen’, in combinatie met ‘uitvoerbaar’, ‘bereikbaar’ en ‘succesvol gebleken’, die komt niet of nauwelijks nog uit bij werken over Europa of de natiestaat, die eindigt in de sectie ‘Stad’. Daar liggen werken als Cities Are Good For You – The Genius of the Metropolis, Happy City – Transforming Our Lives Through Urban Design en If Mayors Ruled The World – Dysfunctional Nations, Rising Cities. Deze beloven allemaal dat alleen de stad de mens nog uit het moeras van de permanente crisis kan trekken. De vraag is natuurlijk: kunnen ze die belofte ook waarmaken?

Een ding is zeker: de mens is een stadsdier geworden. Meer dan de helft van de mensheid woont momenteel al in een stad, in 2030 zullen dat er naar verwachting vijf miljard zijn – vooral dankzij de enorme trek naar de steden die momenteel gaande is in Afrika en China. Daar kun je best over gaan zitten miepen, stellen auteurs als Hollis, want er is veel om te vrezen: gigantische sloppenwijken, smog die een stad al Beijing nu al onleefbaar maakt, lawaai en verkeersinfarcten, afvalbergen en energiegeslurp, enorme rijkdom naast diepe armoede. Dat zijn reële problemen.

Maar tegelijkertijd vertellen nieuwe wetenschappelijke inzichten dat een stad an sich niet slecht is voor mensen, betogen de nieuwe urbanisten. Mensen zijn sociale wezens en ze gedijen daarom in feite het best in een stedelijke omgeving. Daar kunnen ze veel andere mensen ontmoeten, daar hebben ze een netwerk om op terug te vallen, daar is veel mogelijk werk, daar is er leven op straat, daar zorgt gezonde concurrentie voor veel creativiteit en ondernemerschap, daar maak je vrienden en ontmoet je de liefde van je leven, daar is cultuur, daar heb je cafeetjes om door het raam naar buiten te kijken. Hoe groter een stad, hoe productiever en efficiënter daarom zijn economie, blijkt uit onderzoek. Cijfers weerspreken ook het oude cliché dat stadsmensen eenzamer zijn dan mensen in buitenwijken of op het platteland: het omgekeerde is waar.

Er is een battle gaande om vorm en ziel van steden.

Komt nog bij dat grote steden, in tegenstelling tot wat je zou denken, milieuvriendelijker zijn dan buitenwijken, dorpen of het platteland. Dat heeft er mee te maken dat veel mensen op elkaar in bijvoorbeeld appartementencomplexen elkaars huizen warm houden. Mensen in de stad gebruiken ook veel minder de auto dan buitenwijkbewoners – ze wandelen, fietsen, nemen het openbaar vervoer. Meer dan de helft van de New Yorkers heeft geen auto.

De ideale stad, groen, gezellig en leefbaar, is mogelijk, stellen Hollis c.s. daarom. Hollis’ ideaalbeeld is daarbij het ‘ballet van de straat’ van de fameuze schrijfster Jane Jacobs. Deze architectuurjournaliste wist eind jaren vijftig door hardnekkig actievoeren de machtige stadsplanner van New York, Robert Moses, tegen te houden toen die een enorme snelweg door haar buurt in Greenwich Village wilde aanleggen. (Haar actie inspireerde vele latere buurtacties, zoals de Nieuwmarktrellen in Amsterdam.)

Jacobs schreef later invloedrijke boeken als The Death and Life of American Cities, waarin ze dat ‘ballet’ in haar eigen straat, Hudson Street in Manhattan, beschreef als een complexe dans van elkaar groetende buurtbewoners, passanten, straatverkopers, winkeliers, cafébezoekers, auto’s en bussen. Hier was een onzichtbaar, complex systeem aan het werk dat eigenlijk vanzelf tot een prettig evenwicht was gekomen, het was door de jaren heen organisch zo gegroeid. Het was een straat in megapolis New York, en tegelijkertijd een buurtje waar mensen een beetje op elkaar letten, waar alle voorzieningen om de hoek lagen, waar groen, cultuur en werk voorhanden was, kortom, waar de meeste mensen domweg gelukkig waren.

Autoloze zondag

Hudson Street is het ideaal van de nieuwe urbanisten. En het is te bereiken, stellen ze, ook op plaatsen waar je dat niet zou verwachten, dat heeft de ervaring inmiddels uitgewezen. De Canadese ‘urban experimentialist’ Charles Montgomery begint zijn boek Happy City met een interview met de voormalige burgemeester van Bogotá, Enrique Peñalosa. Die wist de door armoede, geweld en files geplaagde hoofdstad van Colombia radicaal te veranderen. Tijdens zijn ambtstermijn (hij was een gekozen burgemeester van 1998 tot 2001) liet hij parken aanleggen, creëerde hij fietspaden ten koste van autowegen, kregen de armenwijken eigen bibliotheken en begon hij met een systeem van moderne expressbussen op vrijgemaakte wegen waardoor de armen bijvoorbeeld naar een sollicitatiegesprek in de binnenstad konden of een familielid in het ziekenhuis konden bezoeken. Peñalosa was ook de grondlegger van de autoloze zondag, de Ciclovía, waarop voetgangers en fietsers bezit mogen nemen van 120 kilometer aan auto- en snelwegen – een initiatief dat inmiddels in vele landen navolging heeft gevonden. Gevolg van deze ‘transformatie’, aldus Montgomery: de ongelijkheid is afgenomen, de stad is er economisch op vooruit gegaan, de mensen zijn veel gelukkiger geworden (behalve de autobezitters, maar goed).

De Ciclovía, de autoloze zondag in Bogotá. Foto: Cuttica Fabio/HH
De Ciclovía, de autoloze zondag in Bogotá. Foto: Cuttica Fabio/HH

De nieuwe urbanisten strooien met veel van dit soort initiatieven. Die zijn veelal bedacht door daadkrachtige, vrolijk-populistische burgemeesters of door buurtbewoners die het lawaai/de drukte/het beton/de monotonie/het vuil zat waren. Vaak treden ze parallel op met het proces van gentrificatie van de binnensteden dat sinds de jaren negentig gaande is, en dat veel welvarende stadsbewoners teruggelokt heeft naar het centrum. Maar ook in zich ontwikkelende continenten in Azië en Latijns-Amerika zie je initiatieven om de stad leefbaarder te maken.

Oorlogstermen

Het begon met de succesvolle renovatie van de Ramblas in Barcelona voor de Olympische Spelen van 1992. Het Guggenheim Bilbao liet daarna zien dat je van een aftandse stad een cultureel mekka kunt maken. De High Line in New York: het lintvormige park op een oude verhoogde spoorlijn midden in Manhattan, dat door vrijwilligers wordt bijgehouden, veranderde de omliggende buurt (het krijgt nu navolging in de Hofbogen in Rotterdam). Je hebt de wittefietsenprojecten in Parijs (Vélib) en Londen. De strandjes die in binnensteden worden aangelegd ten koste van doorgaande wegen, zoals Paris Plage. De Strøget in Kopenhagen, het grote stuk binnenstad dat aan de voetgangers werd gegeven.

Veel van dit soort projecten begonnen bij buurtbewoners. En die zijn nog altijd druk bezig. Er zijn clubjes die stille kruispunten in de uitgebreide Amerikaanse suburbs omtoveren in drukke marktpleintjes. De organisatie Depave breekt asfalt weg om er tuintjes aan te leggen. The Ugly Indians in Bangelore repareren stoepen. In Brooklyn ontstaan boerderijen op de daken van hoge gebouwen. Gemeen­schappelijke tuinen zijn de nieuwe rage.

En dan zijn er nog de vele smart ontwikkelingen op ict-gebied (liefst niet van de grote tech-bedrijven, maar open source), die een stad ook leefbaarder moeten maken. Zo is de Waag Society in Amsterdam bezig met een Smart Citizen Kit. Dit kastje (aangevuld met een website en een app) meet de samenstelling van de lucht, de temperatuur, de lichtintensiteit, het geluid en de luchtvochtigheid in de omgeving om ‘de betrokkenheid bij de directe leefomgeving’ groter te maken, aldus de website.

Oorlogstermen worden bij dit alles niet geschuwd, we hebben het over ‘tactical urbanism’ en ‘guerilla gardening’. Zoals Montgomery schrijft: ‘Er is een battle gaande om de vorm en de ziel van steden’, waarbij de gevestigde machten, vooral de autolobby’s en nationale overheden, de tegenstanders vormen.

Wassen neus

‘De stad is een geluksmachine,’ schrijft Hollis. Montgomery zegt het hem na: ‘De gelukkige stad is mogelijk.’ Gelukkig worden, stelt Montgomery, is niet alleen een individuele aangelegenheid, ‘wij zijn niet zo vrij als we denken.’ Je kunt zelfhulpboeken lezen tot je een ons weegt, maar nieuwe inzichten uit de psychologie wijzen uit dat je geluksgevoel minstens zo afhankelijk is van de omgeving waarin je woont en werkt. Zijn recept: mensen worden gelukkig van veel variatie om zich heen, zowel wat betreft mensen als groenvoorzieningen, van veel ‘derde plekken’ tussen hun huis en de openbare ruimte waar ze kunnen rondkijken en praten met anderen (zoals cafés), van beweging op menselijke schaal (voetgangers, fietsen, langzaam rijdende auto’s), van nabije voorzieningen om even naartoe te lopen, van cultuur in de buurt, van makkelijk openbaar vervoer naar de rest van de stad, van pleintjes met veel attracties (bankjes, stalletjes, speeltuintjes, bomen), van mensen die ze kennen in de buurt, van zien en gezien worden, van maken en genieten in plaats van consumeren. En dit is allemaal bereikbaar: niet de mens, niet de staat, maar ‘de straat is maakbaar’.

De nieuwe urbanisten zijn eerlijk over de grote problemen waarmee steden kampen, maar hun oplossingen klinken nog mager.

Maar wie gaan die ideale stad dan maken? Het antwoord van de Amerikaanse wetenschapper Benjamin Barber, auteur van onder meer Jihad vs. McWorld in If Mayors Ruled The World: de burgemeesters van de wereld. Die hebben inmiddels, zie onder vele anderen Enrique Peñalosa, laten zien dat ze verandering teweeg kunnen brengen. En samen zouden ze nog veel meer kunnen. Dit in tegenstelling tot natiestaten, ‘die ons op wereldschaal laten vallen’. Mensen zijn teleurgesteld in staten en instituties als de Europese Unie, die niet in staat zijn gebleken wereldproblemen als de klimaatcrisis het hoofd te bieden: Kyoto is een wassen neus. Terwijl burgemeesters, verenigd in de organisatie C40, bijvoorbeeld wel tot duidelijke afspraken zijn gekomen over het terugdringen van de luchtvervuiling.

Hoe komt dat? Volgens Barber zijn staten van nature gericht op eigenbelang. Ze kunnen moeilijk samenwerken met andere staten omdat ze daarvoor macht uit handen moeten geven. In een stad daarentegen overheerst het pragmatisme. De problemen worden daar directer gevoeld, de druk van bewoners is groter. Bovendien zijn steden zo divers van samenstelling, stelt Barber idealistisch, dat de bevolking ook van nature toleranter en pragmatischer zou zijn en daardoor meer geneigd tot samenwerking. Het verschil in mentaliteit tussen steden onderling is meestal kleiner dan tussen steden en hun achterland. Kortom, steden zijn ‘glokaal’, ze vormen daarbij een wereldgemeenschap op zich, kosmopolitisch en multicultureel, en dat is een kapitaal dat bevrijd moet worden van de knellende banden van de nationale staat.

Transport per elektrische shuttle in het door Norman Foster ontworpen Masdar in Abu Dhabi.
Transport per elektrische shuttle in het door Norman Foster ontworpen Masdar in Abu Dhabi.

En zo verhoogt Barber de inzet. Van Hollis’ design, via Montgomery’s psychologie, komen we nu bij de politieke machtsvraag. Barber wil niets minder dan een revolutionaire nieuwe beweging: een parlement van burgemeesters. Dit moet afspraken maken waar steden vrijwillig aan mee kunnen doen, waar mensen middels stadsreferenda ook voor moeten kunnen kiezen, en zo moet ie er echt gaan komen: de gelukkige stad.

Zou het echt waar zijn? De nieuwe urbanisten zijn eerlijk over de grote problemen waarmee steden kampen. Hun oplossingen daarentegen, ook die van Barber, klinken nog mager. Tegen ongelijkheid: sociale woningbouw. Tja, been there. Tegen sloppen: gebruik maken van de informele economie die daar heerst, bijvoorbeeld door microkredieten, verbeteren van de infrastructuur, kijken ‘wat werkt’. Hm, beetje vaag. Over de diepe etnische, sektarische en culturele kloven die een stad ook kunnen splijten (zie Syrië): geen woord. Over het feit dat steden ook oorlog met elkaar kunnen voeren, zoals we in Libië hebben gezien: ook niet. Over de leegloop van winkelstraten dankzij internetwinkels, of over wat voor stad je krijgt als straks iedereen in een schone, zelfsturende auto van Google rijdt: niks.

Toch is hun optimisme ook aanstekelijk. Je proeft in deze boeken het over-enthousiasme van liberale, kosmopolitische denkers die na jarenlang in de verdomhoek te hebben gezeten eindelijk een uitweg vinden voor hun idealen, die in de stad een mogelijkheid zien om het neoliberalisme en het benepen nationalisme een loer te draaien. Eindelijk weer eens revolutionair elan, ook al is dat dan toch weer een beetje twintigste-eeuws.

Leo Hollis, ‘Cities Are Good For You –The Genius of the Metropolis’, Bloomsbury, 408 p. Het boek gelijk bestellen? Dat kan hier.

Charles Montgomery, ‘Happy City – Transforming Our Lives Through Urban Design’, Penguin, 369 p. U kunt het boek hier bestellen.

Benjamin Barber, ‘If Mayors Ruled The World – Dysfunctional Nations, Rising Cities’, Yale University Press, 416 p. U kunt het boek hier bestellen.