Moeten we naar het platteland om groen en gezond te leven? Welnee. De stad is het antwoord op de problemen van onze tijd.

Moeten we naar het platteland om groen en gezond te leven? Welnee. De stad is het antwoord op de problemen van onze tijd.

Tijdens de laatste zomervakantie kwam mijn zoontje uitgelaten aangerend. Hij had iets bijzonders gezien: ‘Een animal met heel veel friends!’ Het bleek een mierenhoop te zijn.

Op dit soort momenten vraag ik me wel eens af of wonen in de stad wel zo verstandig is. In onze woonplaats New York zien we dieren slechts achter tralies in de dierentuin of opgezet in het museum. We hebben geen ‘buiten’, geen planten en geen huisdieren. En mieren zien we dus nooit. Als rasecht stadskind voel ik me zelf ook maar weinig aangetrokken tot ‘uitwaaien’ of ’tot mezelf komen’ in het bos. Maar toch…

Richard Louv, auteur van het boek Last Child in the Woods, noemt het een ‘nature deficit disorder’, waar volgens hem vooral kinderen in deze tijd aan lijden. ‘Kinderen zijn de natuur als een abstractie gaan zien en niet meer als een realiteit,’ schrijft Louv. Bovendien kenmerkt de stad zich niet alleen door stinkende uitlaatgassen en abstracte natuur, maar ook door een isolerende anonimiteit. Het zogenaamde ‘urban effect’ van opgroeien in een stad wordt zelfs in verband gebracht met een verhoogde kans op psychiatrische ziektes, zoals onlangs door Duitse onderzoekers werd geconstateerd. Moeten we niet weg uit deze verderfelijke stad, waar oude mensen dood worden gevonden in hun appartement en mijn kinderen een twee keer zo grote kans hebben op schizofrenie?

Opdringerige buurvrouw

Een paar maanden geleden, toen ik even terug was in Nederland, plande ik een bezichtiging van een ouderwetse stolpboerderij in Randsdorp, vlakbij Amsterdam. Ik hoorde de ganzen al in het uitgestrekte weiland gakken en de wind door de bomen ruisen. Verder was het stil. In mijn hoofd doemde een sepiafoto op van een plattelandsidylle, een toonbeeld van ongecompliceerd geluk. Mijn kinderen waren vrolijk aan het ravotten in het gras en reden op hun fiets naar hun vriendjes over een smal landweggetje. Maar het plaatje van de frisse moeder die haar biologische moestuin eens flink omharkt, wilde maar niet verschijnen. Wel zag ik plotseling een opdringerige buurvrouw met wie ik niet wilde praten. Hoe kwam ik daar nu weer van af? En was dat een koe die mijn weiland op kwam lopen? Wat een groot, eng beest! Ik rende naar binnen en sloot me op in mijn stolpboerderij waar ik uit het raam in de verte tuurde en me afvroeg hoe het zover gekomen was.

We kunnen nooit in deze stolpboerderij gaan wonen, realiseerde ik me. Ik zou gebukt gaan onder acute ‘concrete deficit disorder’: een nostalgisch verlangen naar het beton van de stad.

Ghandi was wrong

Ik dacht altijd dat mijn verstoorde contact met de aarde een persoonlijk gebrek was. Maar tot mijn grote genoegen blijkt dit onjuist te zijn. Het beeld van de verderfelijke stad blijkt een mythe. De stad is juist het antwoord op alle problemen van onze tijd. Althans, dat beweert Edward Glaeser, hoogleraar economie aan Harvard, die al zijn hele leven onderzoek doet naar steden. De ondertitel van zijn recente boek Triumph of the City klinkt stadsmensen als ik als muziek in de oren: ‘Hoe onze grootste uitvinding ons rijker, slimmer, groener, gezonder en gelukkiger maakt.’ Dit geldt niet alleen voor rijke steden als New York of Parijs, maar ook voor steden waar enorme groepen mensen onder erbarmelijke omstandigheden in sloppenwijken wonen, zoals Mumbai of Kinshasa. Ghandi zei ooit dat de kracht van India besloten lag in haar zevenhonderdduizend dorpen, maar de huidige realiteit van India is dat alle bedrijvigheid, innovatie en rijkdom zich concentreert in de steden. ‘Ghandi was wrong,’ concludeert Glaeser.

Natuurlijk bestaat er veel stedelijke armoede, maar volgens Glaeser is het een grote misvatting om deze armoede aan de stad te wijten. De sloppenwijken van Rio moet je niet vergelijken met Manhattan, maar met het platteland van Brazilië, waar de mensen nog veel armer zijn. Vrijwel overal geldt: arme mensen in de sloppenwijken zijn vergeleken met hun landgenoten op het platteland beter af. De stad heeft ze niet arm gemaakt, het is omgekeerd: deze mensen komen naar de stad omdat ze op het platteland geen kans zien om te ontsnappen aan de armoede. In de stad hebben ze die kans wel. Doordat iedereen dicht op elkaar zit, is er sprake van meer bedrijvigheid, meer ideeën, meer werk.

Kruisbestuiving

Glaeser meent dat alle innovatie en bedrijvigheid zich concentreren in de stad. Vroeger was dat anders: in het industriële tijdperk was het werk in de fabrieken geestdodend, terwijl op het platteland nog een band bleef bestaan met de omgeving en het werk relatief divers was. Maar die industriële stad bestaat niet meer en die diversiteit is nu vooral in de stad te vinden.

Voor iedereen die ooit een blik heeft geworpen op de favela’s van Rio of de slums van Mumbai, klinkt het onwerkelijk, maar de stad blijkt zelfs gezonder te zijn dan het platteland. In veel steden kampen sloppenwijken met sanitaire problemen en een gebrek aan schoon water. Toch blijkt dat armen in de stad gezonder zijn dan armen op het platteland. Dat betekent uiteraard niet dat steden niet zouden moeten investeren in voorzieningen voor de bewoners van de sloppenwijken. Daarbij kan veel geleerd worden van vergelijkbare problemen die in vroegere tijden in Europa en Amerika speelden en uiteindelijk zijn overwonnen. Volgens Glaeser zijn er natuurlijk negatieve aspecten aan dicht op elkaar wonen: verlammende verkeersdrukte, gebrek aan schoon water, verspreiding van ziektes, meer mogelijkheden voor criminaliteit. Maar hij meent dat oplossingen voor al deze problemen ook juist worden gevonden door de kruisbestuiving van ideeën in de stad. Het bijkomend effect hiervan zal overigens zijn dat het leven in de stad nóg beter wordt dan op het platteland en dus zal leiden tot nog meer urbanisatie.

En wat betreft de relatie tussen geestesziektes en de stad: die blijkt vooral te bestaan tussen opgroeien in de stad en psychotische stoornissen zoals schizofrenie, en veel minder of niet voor affectieve stoornissen zoals depressie. Verschillende factoren spelen daarbij een rol, waaronder geluidsoverlast, sociaal-economische positie en etniciteit. ‘Wat onderzoek wel laat zien,’ schrijft psychiater Jim van Os in een e-mail, ‘is dat een contrast tussen individuele status en de status van de buurt waarin men leeft het risico verhoogt.’ Zolang je in een buurt woont waar je wordt omringd door mensen van min of meer gelijke status, lijkt het risico kleiner.

Mensen in sloppen zijn beter af dan hun landgenoten op het platteland.

Diezelfde visie kan worden gedistilleerd uit Doug Sanders’ recent verschenen boek Arrival City, waarin hij ons vraagt positiever aan te kijken tegen buitenwijken als de Parijse banlieus of het Amsterdamse Slotervaart. In deze wijken ontstaan dikwijls juist uitgebreide supportnetwerken die vaak onzichtbaar zijn voor buitenstaanders, maar die de basis vormen voor opwaartse sociale mobiliteit.

De meest hardnekkige mythe lijkt toch wel die van de vieze, milieuonvriendelijke stad. Van oudsher bestaat een romantisch verlangen om vervulling te vinden in het leven door terug te gaan naar de natuur, en ook in onze tijd voelen velen een vage drang om ‘eerlijk’, ‘puur’ en ‘zuiver’ te zijn. Het platteland lijkt een logische route naar een dergelijke ‘reine staat’. De stad is immers bruin en buiten wonen is groen. Maar Glaeser legt uit dat het precies andersom is. De ‘dream of garden living’ in Amerika heeft geleid tot de opkomst van suburbia, waar iedereen tussen de bomen kan wonen in een groot huis met een eigen tuin. Het leven in suburbia wordt nog steeds actief door de Amerikaanse overheid gestimuleerd.

Met dramatische gevolgen voor het milieu. In suburbia gaat immers iedereen met de auto naar zijn werk en naar de supermarkt, terwijl in de stad veel vaker het openbaar vervoer wordt gebruikt of wordt gelopen. Daarnaast zijn de huizen in de Amerikaanse suburbs groter dan die in de stad, waardoor het veel meer energie kost om ze te verwarmen dan wel te koelen.

Acties van milieubeschermers in de meest progressieve staten hebben volgens Glaeser bovendien vaak een tegengesteld effect. Zo houdt een ‘groene’ overheid in Californië nieuwbouw in deze staat regelmatig tegen met een beroep op het milieu, waardoor de huizenprijzen exorbitant zijn gestegen. Omdat mensen toch ergens moeten wonen, wijken ze uit. Bijvoorbeeld naar Houston, Texas, waar de belasting van het milieu per huishouden nog veel groter is. In Houston is het immers negenennegentig dagen per jaar boven de dertig graden, waardoor de airconditioners voortdurend staan te loeien. Californië heeft daarentegen juist een aangenaam klimaat, waardoor de energiekosten per huishouden veel lager zijn. Glaeser legt in zijn boek uit hoe elke overwinning van de ‘groenen’ in Californië in feite een nederlaag is voor Amerika, omdat het land als geheel er bruiner van wordt.

De belangrijkste vraag is hoe de stedelijke ontwikkeling in India en China zich gaat voltrekken. Gaan die landen het Amerikaanse voorbeeld van een autorijk suburbia volgen? Het stijgende aantal Chinezen met een auto belooft niet veel goeds. Ook maakt Glaeser zich zorgen over regelgeving die verticale bouw tegenhoudt. Zo bestaat in Mumbai een regel die de hoogte van nieuwe gebouwen drastisch beperkt. Dergelijke bepalingen zullen volgens Glaeser een enorme belasting voor het milieu gaan betekenen. De mensen zullen toch naar de stad trekken, maar de huizenprijzen zullen stijgen en het milieu wordt meer belast. Hoe meer hoogbouw, hoe minder belasting voor het milieu, blijkt. Glaeser is dan ook een groot voorstander van verticale bouw, juist ook om het milieu te ontlasten.

Een soort alarm

Ten slotte is er de slechte reputatie die de stad heeft als het gaat om verbondenheid. Kenmerkt de stad zich niet door anonimiteit, eenzaamheid en isolement? Ook dit blijkt een misvatting. In de stad hebben mensen juist de grootste kansen op connecties met anderen. De stad is dan ook de beste huwelijksmarkt voor singles.

John Cacioppo is directeur van het centrum voor cognitieve en sociale neurowetenschap aan de Universiteit van Chicago en co-auteur van het boek Loneliness (2008). Aan de telefoon legt hij mij uit hoe mensen elkaars bewegingen synchroniseren in elkaars aanwezigheid; zelfs mensen die elkaar niet kennen doen elkaar na en vormen onbewust een band. Cacioppo gelooft dat mensen nooit zouden hebben overleefd zonder een sociaal instinct. Eenzaamheid is een soort alarm, net als honger, dat mensen hebben ontwikkeld omdat cohesie in de groep nodig was om aanvallen van wilde beesten af te slaan. ‘Natuur is connectie,’ schrijft hij. In de stad moeten we elkaar vertrouwen. We moeten bijvoorbeeld de verkeersregels volgen en ervan uitgaan dat anderen dit ook zullen doen. De data van Cacioppo laten zien dat mensen in de stad minder eenzaam zijn dan mensen op het platteland. Volgens hem stijgt het sociaal kapitaal, de gemeenschapszin, in steden, en dat leidt tot minder vervreemding.

Komt de goed functionerende westerse stad misschien het dichtst bij onze ware aard?

Opgroeien in de stad is misschien toch niet zo erg. Foto: Xinhua/Eyevine/HH

Glaeser denkt dat de stad ons kan bevrijden van traditionele, beklemmende sociale mores. In grote steden hebben deze mores namelijk de neiging om op te lossen. In dorpen is het een stuk gemakkelijker om bepaalde sociale leefregels te handhaven. Als ik bijvoorbeeld besluit geen biologische appeltaart te bakken voor de dorpsraad terwijl dit eigenlijk wel van me wordt verwacht, dan is de straf van sociale uitsluiting eenvoudig op te leggen en mijn daarop volgende eenzaamheid waarschijnlijk direct en pijnlijk voelbaar. In de grote stad kan ik die regels echter aan mijn laars lappen. Er is altijd wel een nieuw netwerk dat ik kan proberen en de kans is groter dat ik mensen vind met vergelijkbare interesses.

Silicon Valley

Met de opkomst van de global village is voorspeld dat het belang van de stad zou afnemen. Iedereen kan immers overal inloggen en het nieuwe werken zou leiden tot minder behoefte aan fysieke nabijheid. Het tegendeel blijkt echter het geval. De opkomst van het internet heeft er niet toe geleid dat mensen niet meer dicht bij elkaar wilden wonen. Op dit moment leeft zelfs meer dan de helft van de wereldbevolking in stedelijke gebieden en dit percentage blijft verder stijgen. Glaeser meent dat meer online contact juist leidt tot meer behoefte aan face-to-facecontact. Het een lokt het ander uit. Niet voor niets zitten alle technische geeks bij elkaar in Silicon Valley, terwijl de huizenprijzen daar duizelingwekkend hoog zijn en je ervan kunt uitgaan dat de bewoners precies weten hoe ze moeten ‘videoconferencen’, chatten et cetera.

Cacioppo denkt dat contact via internet alleen goed kan verlopen als het wordt aangevuld met face-to-face-contact. De meest intensieve gebruikers van sociale media blijken in de praktijk in het echte leven ook het meest sociaal te zijn. Voor de overdracht van ideeën is face-to-facecontact cruciaal en een groot deel van menselijke communicatie ligt besloten in gebaren, oogopslag, geur, legt Cacioppo uit. Voor al deze zintuigen is fysieke nabijheid noodzakelijk.

‘For the sake of humanity and our planet, cities are – and must be – the wave of the future,’ schrijft Glaeser.

En opeens vind ik het helemaal niet erg dat we niet in Ransdorp gaan wonen en de sepiafoto van de plattelandsidylle laat ik rustig in mijn hoofd vergelen. De volgende keer dat mijn zoontje op vakantie een mierenhoop vindt, kan ik hem misschien uitleggen dat wij stadsmensen in ons dagelijks leven minder mieren zien. Maar hoe erg is dat nu eigenlijk? Misschien is het wel zo dat wij stadsmensen zelf die mieren zijn: bedrijvig, schoon, en met heel veel ‘friends’.

Leefbaarometer
Is de stad gezond voor mensen? Word je er gek van, of juist creatief? Sociaal of juist eenzaam? Het lijkt of iedereen vooral díé gegevens vermeldt die zijn of haar betoog ondersteunen. Interessant is daarom de ‘leefbaarometer’, een objectieve database die is gekoppeld aan de kaart van Nederland. Hij is in opdracht van het ministerie van VROM ontwikkeld door twee onafhankelijke onderzoeksbureaus. Lees verder