Culinair journalist Joël Broekaert onderzoekt een jaar lang wat bonen en de geschiedenis van de mens met elkaar te maken hebben. Lees de eerdere delen hier.

De wereldgeschiedenis is bijna ten einde, de menselijke beschaving staat op het punt samen met haar biotoop te vergaan. De poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt. Het weer wordt almaar weerbarstiger. Op de ene plaats regent het steeds vaker en heftiger, terwijl de andere plaats verdroogt. Woestijnen groeien, oceanen verzuren. Het einde der tijden lijkt aanstonds.

En toch is er hoop. In de vorm van een boon. Een vergeten boon. Plat en geel. Bitter en giftig. Altijd hard. De lupineboon kan ons verlossen.

Volledig geïndustrialiseerd

De grootste bedreiging voor onze menselijke beschaving is vandaag de dag klimaatverandering.

Even in het kort. Het klimaat verandert omdat de aarde opwarmt. De aarde warmt op door de verspreiding van broeikasgassen in de atmosfeer, vooral koolstofdioxide en methaan. Die verspreiding van de broeikasgassen is weer een gevolg van de industrialisatie van eerst de westerse landen en later de rest van de wereld. En dan vooral van het gebruik van fossiele brandstoffen. De koolstof die er miljoenen jaren over heeft gedaan om zich op te hopen in de grond in de vorm van kolen, olie en aardgas, pompen wij nu in enkele decennia terug de lucht in. Daar komt het grofweg op neer.

Maar de fossiele brandstoffen waarmee wij onze kolencentrales, vliegtuigen en automobielen stoken, zijn niet het enige probleem. We zijn niet alleen meer gaan verbranden, we zijn ook met z’n allen véél meer vlees gaan eten. Daarvoor brengen we een onwaarschijnlijke hoeveelheid beesten groot in een bizar hoog tempo. Ook de vleesproductie is in de afgelopen anderhalve eeuw volledig geïndustrialiseerd.

lupineboon
Beeld: Teylers Museum Haarlem
Intensivering van de vleesindustrie

Automaker Henry T. Ford is de geschiedenis in gegaan als uitvinder van de ‘lopende band’ in 1913. Maar dat principe – waarbij het product over een vaste route verplaatst wordt langs gespecialiseerde arbeiders die op één plek blijven – bestond feitelijk al vijftig jaar eerder in de eerste moderne slachthuizen in Amerika. Varkens werden een voor een met een haak in de achterpoot aan een rail langs verschillende stations geloodst waar ze achtereenvolgens werden gedood, in kokend water gedompeld, onthaard, ontdaan van de ingewanden, schoongespoten en uiteindelijk in stukken gehakt. Bij elk station hadden de werkmannen slechts één taak (en ze kregen daarvoor twaalf seconden).

We zullen eraan moeten geloven: we moeten aan de bonen.

Maar de echte intensivering van de vleesindustrie vond plaats na de Tweede Wereldoorlog. In 1961 werd wereldwijd een bescheiden 71,36 miljoen ton vlees geproduceerd. In 2014 was dat 317,85 miljoen ton. Dat is 317.850.000.000 kilo vlees. Voornamelijk kip, varken en rund.

We moeten aan de bonen

Vooral koeien stoten veel methaan uit – dat andere krachtige broeikasgas. Daarnaast kost het grootbrengen van zoveel dieren simpelweg enorm veel land. Van de 6 miljard hectare landbouwgrond (dat is 40 procent van het aardoppervlak!) wordt driekwart gebruikt om vee op te laten grazen. En van de gewassen die op de overige 1,5 miljard hectare worden verbouwd, is ook weer een groot deel bestemd om dat vee mee te voeren. Ruim een derde van alle calorieën die de landbouw wereldwijd produceert, wordt veevoer. Ondertussen wordt steeds meer Amazonewoud vernietigd om plaats te maken voor de veeteelt of voor sojaplantages om de dieren mee te voeren.

De vleesindustrie heeft dus een aanzienlijk aandeel in de opwarming van de aarde: 14,5 procent volgens de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties. ‘Eén dag geen vlees eten per jaar levert dezelfde besparing op als één miljoen auto’s van de weg te halen,’ schrijft het journalistieke duurzaamheidsplatform OneWorld. Minder vlees eten is dus net zo belangrijk als minder CO2 uitstoten.

Dus we zullen eraan moeten geloven: we moeten aan de bonen.

Het toonbeeld van armoede

O, ironie. De hele wereldgeschiedenis lang hebben we geprobeerd ons te bevrijden van bonen. Bonen eten, dat was het toonbeeld van armoede. Wie het ook maar een klein beetje kon betalen, ruilde onmiddellijk de bonen in voor vlees om in zijn eiwitbehoefte te voorzien. Dat was vooruitgang!

Nu zijn we zo rijk, zo ontwikkeld, zo overdadig verzadigd met dierlijke proteïne dat teruggrijpen op die schrale boon onze enige redding lijkt. Sterker nog: de boon met de beste papieren om ons lot ten goede te keren, is misschien wel de meest koppige, obstinate, marginale dark horse uit de bonenfamilie.

Zelfkastijding

Iedereen die wel eens een lupineboon is tegengekomen – in een pot op zout water in een landelijke Italiaanse supermarkt, of in een bakje op de bar van een ouderwets kroegje in Spanje – weet dat die krengen altijd hard blijven en de schilletjes taai en bitter. Ook na het weken, koken en pekelen. Sterker nog: in eerste instantie zijn ze ronduit giftig. Ze bevatten bittere alkaloïden die een uitermate onprettige smaak in de mond achterlaten en zelfs het centrale zenuwstelsel kunnen aantasten, wat kan leiden tot depressie, stuipen en ademhalingsfalen. Pas na langdurig spoelen en pekelen zijn ze een soort van eetbaar.

Lupinebonen eten was voor monniken in de middeleeuwen een vorm van zelfkastijding.

Als er één boon verguisd is in onze lange geschiedenis, dan is het de lupine. Voedsel dat werd ‘gedeeld door mensen en gehoefde viervoeters’, aldus de Romein Plinius. Veevoer dus. A bean of last resort, enkel voor de allerarmsten. De enigen die zo gek waren om vrijwillig lupinebonen te eten, waren de Griekse cynici, de volgelingen van de misantropische filosoof Diogenes, die er alles aan deed om te choqueren en de conventies van de samenleving te breken. Zoals wonen in een ton, in het openbaar masturberen en lupinebonen eten om zijn minachting voor decent voedsel te demonstreren. En mogelijk om zo veel mogelijk winden te laten.

Het was voedsel voor middeleeuwse ascetische monniken die een hogere spirituele staat probeerden te bereiken door lichamelijk maar zo veel mogelijk af te zien. Lupinebonen eten was zelfkastijding.

Kilo’s bonen in één kilo koe

De Inca’s hadden het beter bekeken, die maalden lupinebonen tot meel en verrijkten daar hun brood en sauzen mee.

Op eenzelfde manier wordt lupine tegenwoordig steeds vaker gebruikt om vleesvervangers te maken. Maar nog steeds wordt het leeuwendeel van de lupine (meer dan de helft van de wereldproductie komt uit Australië) gebruikt om vee te voeren. Dat is niet zo gek als je bedenkt dat het een van de allervoedzaamste bonen op aarde is, met vitamines en onverzadigde vetten en voedingsvezels. En wel 40 procent eiwit. Dat is 17 procent meer dan in dat stukje ‘Excellent Zuid-Amerikaanse biefstuk’ van uw vertrouwde blauwe grootgrutter. Minimaal 28 dagen gerijpt. Precies zo lang als de dieselgestookte boot erover doet om dat gevacumeerde stukje koe hierheen te varen van een plek waar ooit misschien een stukje regenwoud stond. Waar kilo’s bonen en nog veel meer liters zijn omgezet in één kilo koe. Die mag u nu kopen voor slechts 30,99 euro per kilo. Een koopje! Of toch niet?

Een Nieuw Testament

Ik vind het ook niet leuk. Maar we zullen echt zélf meer lupine moeten gaan eten in plaats van het allemaal om te zetten in koe. Misschien kunnen we dan het tij nog keren. Misschien kan de wereldgeschiedenis dan blijven voortduren.

En misschien, heel misschien, schrijft iemand over een paar duizend jaar een Nieuw Testament: in bonen dertien tot en met vierentwintig.

K. Albala, Beans; L. Aarnoudse, ‘Het grote vleesschandaal’, oneworld.nl; M. Essig, Lesser Beast: a Snout-to-Tail History of the Humble Pig; M. van de Noort, ‘Lupin: An Important Protein and Nutrient Source’, Sustainable Proteine Sources; B. Plumer, ‘How much of the world’s cropland is actually used to grow food?’, vox.com; H. Ritchie and M. Roser, ‘Meat and Dairy Production’, ourworldindata.org; M. Visscher e.a., Ecomodernisme; ‘White Lupin’, tridge.com