Om economisch te overleven heeft Nederland een écht grote stad nodig. Amsterdam moet verdubbelen in omvang, zegt Zef Hemel, bijzonder hoogleraar groot-stedelijke problematiek. Dat andere gemeenten leeglopen, is onvermijdelijk. ‘Nabijheid is het sleutelwoord.’

Om economisch te overleven heeft Nederland een écht grote stad nodig. Amsterdam moet verdubbelen in omvang, zegt Zef Hemel, bijzonder hoogleraar groot-stedelijke problematiek. Dat andere gemeenten leeglopen, is onvermijdelijk. ‘Nabijheid is het sleutelwoord.’

Toen Zef Hemel net was afgestudeerd in de Sociale Geografie en vanwege zijn eerste baan moest verhuizen van Groningen naar Amsterdam, kwam hij met een tussenstap te wonen in het hart van de stad, de Herenstraat. De gevel vertoonde gaten, veel panden stonden er vervallen bij. De Haarlemmerstraat, even verderop: een uithoek vergeven van junks, krakers en groezelige eethuisjes.

Hemel is een man van de wijde blik, niet van de details. Foto: Martin Dijkstra
Foto: Martin Dijkstra

Het was 1981. De middenklasse verhuisde en masse naar groeikernen als Lelystad, Purmerend en Hoorn. Scheepswerven en fabrieken lagen er verlaten bij – in Azië konden ze alles goedkoper maken. ‘De stad was een ravage,’ zegt Hemel aan de grote tafel in zijn huis, Amsterdam-Zuid inmiddels. ‘Spannend vanwege de krakersrellen, maar naargeestig.’

We leven niet heel veel later. De Herenstraat is het domicilie van modezaken, designwinkels en restaurants. De Haarlemmerstraat werd in 2012 verkozen tot ‘leukste winkelstraat van Nederland’. En de voornaamste verandering: iedereen wil weer in Amsterdam wonen. Tenminste, de ‘nieuwe stedelingen’ willen dat, degenen die we vroeger young urban professionals noemden, hoogopgeleiden die hun plek vinden in de diensteneconomie die in en rond de hoofdstad is gegroeid. Al krijgen ze kinderen, ze gaan de stad niet meer uit. ‘Haarlem was jarenlang een uitlaatklep voor jonge gezinnen in de stad. Daar verhuisden jaarlijks een kleine vijftienduizend Amsterdammers naartoe. Dat zie je helemaal opdrogen.’

Nu al is de woningmarkt verhit, en de aantrekkingskracht van de hoofdstad zal alleen maar toenemen, zegt planoloog Hemel. Tot deze zomer was hij adjunct-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam, een functie die hij opgaf mede omdat zijn vrouw Esther Agricola er directeur werd. Daarnaast trad hij twee jaar geleden in de voetsporen van Jan Terlouw, Geert Mak en Paul Scheffer door aan de Universiteit van Amsterdam bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek te worden. Hij bekleedt de zogeheten Wibautleerstoel, betaald door de gemeente Amsterdam.

Frappant: het multiculturele drama van voorganger Scheffer ontbreekt ten enenmale in het verhaal van Hemel, ook al speelt er in de stad een discussie over de groeiende tweedeling tussen de blanke binnenring en de grote migrantengroepen die buiten de ring A10 wonen. Hemel: ‘Volgens mij gebeurt er iets anders: de nieuwe stedelingen, of de zogenoemde creatieven, nemen de hele stad over. Zoals ze het binnenste deel van de stad hebben geyuppificeerd, zo zullen ze dat ook met de rest van Amsterdam doen. Het duurt niet zo lang meer en dan zijn de grote migrantengroepen de stad uitgedrukt. Dan is er geen tweedeling meer in Amsterdam, dan is er tweedeling tussen Amsterdam en de rest van Nederland.’

Een verdubbeling van de hoofdstad is niet alleen nodig om tegemoet te komen aan de vraag, het is bovenal een economische noodzaak.

Megapolen

Hemel is een man van de wijde blik, niet van de details. Hij pleit voor het vergroten van de hoofdstad, en niet met een klein beetje. Amsterdam moet twee keer zo groot worden. Als je de aanliggende gemeenten Amstelveen, Diemen, Zaanstad en Haarlemmerliede meerekent, dan telt de agglomeratie nu één miljoen inwoners. Dat moeten er twee miljoen worden. Snel, in een jaar of twintig à dertig. Het zou betekenen dat het gehele gebied zo compact en vol wordt als Amsterdam nu binnen de ring A10 is. Aan de randen kan zelfs veel hoger worden gebouwd. Alle bedrijventerreinen moeten gemengde gebieden worden, waar vanzelf voorzieningen zullen verschijnen, aldus Hemel.

Cruciaal in zijn verhaal: een verdubbeling van de hoofdstad is niet alleen nodig om tegemoet te komen aan de vraag, het is bovenal een economische noodzaak. Overal in de wereld groeien grote steden groter. We mogen niet achterblijven. Want in de ‘postindustriële’ economie zijn megapolen de motoren van economische groei.

De Randstad is toch al behoorlijk dichtbevolkt? Je zou die kunnen opvatten als één stad. Vanuit Amsterdam ben je zo in Utrecht of Den Haag.
‘Als je verder uitzoomt en Rotterdam, Antwerpen en Brussel meeneemt, zijn we onderdeel van een van de vier grootste megaregio’s ter wereld. Goed om te weten dat we meetellen, maar waar het aan ontbreekt in Nederland is een écht grootstedelijk hart, een plek waar iedereen naartoe kruipt. Dat is nodig om de beste voorzieningen te kweken, bedrijven en kapitaal aan te trekken, jonge getalenteerde mensen vast te houden. Die kiezen steeds makkelijker voor een andere stad. Bijvoorbeeld voor Londen, dat economisch waanzinnig goed draait.’

Heeft dat niet eerder te maken met geschiedenis, taal, cultuur?
‘Natuurlijk spelen ook die factoren een rol, maar primair gaat het om dichtheid, congestie, omvang van een stad. Londen is compact, aaneengekoekt. Wij hebben een hybride stedelijk veld, zonder duidelijke kern. De Londense configuratie is veel gunstiger.’

Hemel voorziet dat de tweedeling in Amsterdam verdwijnt maar het contrast tussen de hoofdstad en de rest van Nederland groter wordt. Foto: Kick Smeets/HH
Hemel voorziet dat de tweedeling in Amsterdam verdwijnt maar het contrast tussen de hoofdstad en de rest van Nederland groter wordt. Foto: Kick Smeets/HH

Je zou denken dat de snelle digitale ontwikkelingen locatie, en dus ook de stad zelf, onbelangrijk maken. Je kunt werken, winkelen en communiceren waar je ook bent. ‘Dat dacht aanvankelijk iedereen, maar het tegenovergestelde is het geval. De zogenaamde agglomeratievoordelen uit de industriële tijd, toen leveranciers en afgeleide producenten zich vestigden in de buurt van een grote fabriek, spelen ook, zelfs sterker, in de post-industriële economie. Alleen gaat het nu om uitwisseling van kennis en dienstverlening. Het is belangrijk om dichtbij de bron te zitten, dichtbij de kennis, dichtbij jouw dienstverleners. Je moet elkaar zien, elkaar informeren. Niet digitaal, maar face to face. Toevallige, nieuwe ontmoetingen worden heel belangrijk gevonden.’

‘Kijk eens naar de enorme groei van het aantal zzp’ers. Zij zijn sterk afhankelijk van hun netwerk. Ze moeten elkaar helpen, aan elkaar leveren. Ze zoeken elkaar op. Co-working spaces zijn een relatief nieuw fenomeen: mensen in kleine bedrijfjes die in een gebouw met elkaar concurreren en tegelijk samenwerken.’

Heeft u het niet over een select groepje? Tachtig procent is gewoon in dienst bij een werkgever.
‘Het zal iedereen gaan raken. Vroeger was de gemiddelde levensduur van een bedrijf zestig jaar. Nu nog maar vijftien jaar, en dat zal verder teruglopen. Tien, vijf jaar misschien. De trend zal doorzetten. De kantorenleegstand is niet tijdelijk. Bedrijven leveren in op vierkante meters. Ze stoten taken af en verlangen van hun medewerkers flexibiliteit.’

‘De tijden worden chaotischer en onzekerder. Het belang van een goed netwerk groeit. Daarbij is je mobiele telefoon belangrijk, maar vooral elkaar ontmoeten. Vroeger draaide het om bereikbaarheid. Dat gaat er helemaal uit. Nabijheid is het sleutelwoord.’

'De agenda voor de toekomst is veranderd, maar dat besef is er in Nederland nog niet.’ <br>Foto: Martin Dijkstra
‘De agenda voor de toekomst is veranderd, maar dat besef is er in Nederland nog niet.’
Foto: Martin Dijkstra
Optimist

Sinds 2006 post Hemel elke werkdag een bericht op zijn weblog Vrijstaat Amsterdam, dat naar zijn zeggen tienduizend unieke bezoekers per maand trekt. Hij verbindt er berichten uit dagbladen met zijn visie op stedelijke inrichting, citeert er uit internationale rapporten en deelt zijn enthousiasme over de door hem verslonden boeken.

Kernideeën van Hemel: stad en land zijn niet maakbaar, technologie is sturend, planologen moeten bescheiden meebewegen, steden worden almaar groter en belangrijker, en steden zijn de oplossing voor veel problemen – Hemel is een optimist.

Een van de boeken die diepe sporen bij hem naliet, is The Black Swan van de Libanese Amerikaan Nassim Nicholas Taleb. Van het weblog: ‘Onze blindheid voor toeval maakt ons kwetsbaar. Echter, dat de toekomst steeds onzekerder wordt begint bij sommigen duidelijk te worden. De noodzaak van resilience, adaptief vermogen, maatwerk, bottom-up, creativiteit wordt steeds meer ingezien.’

Bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam was Hemel tien jaar lang adjunct-directeur in de rol van visionair. Hij was regisseur van de Structuurvisie Amsterdam 2040: hoe moet de stad zich de komende decennia ontwikkelen? Daarin staan zeventigduizend extra woningen ingepland, maar dat gaat Hemel dus lang niet ver genoeg. Misprijzend: ‘Veel collega-planologen vinden dat wij een prachtige middenweg hebben bewandeld door vast te houden aan kleine steden die je snel kunt verlaten zodat je in een schitterend buiten bent.’

We worden een groot Madurodam waar Chinezen naartoe komen om te zeggen: “Ach gut, wat leuk.”

Dat klinkt best goed.
‘Die popperige stadjes zullen het economisch gezien gaan afleggen. We gaan het echt verliezen op deze manier. We worden een groot Madurodam waar Chinezen naartoe komen om te zeggen: “Ach gut, wat leuk.” Bovendien vraag ik me af of we het mooi open kunnen houden. De laatste jaren is ons land aan het dichtslibben, met niet altijd even mooie bouw.’

In uw intreerede als bijzonder hoogleraar schetste u de romantiek van ‘Walden’, een boek van Henry David Thoreau, over het simpele en goede leven in een zelfgebouwd hutje in het bos. Schuilt Walden nog steeds in ons?
‘Ja, daar doen we nog altijd heel romantisch over. In China of Japan hebben ze daar geen last van, hoor. De Romantiek was een westerse stroming die het landleven en de woeste natuur verheerlijkte en zich afzette tegen de industriële stad. De restanten ervan zie je in onze cultuur terug. Het beeld is misleidend, omdat we de industriële steden achter ons hebben gelaten. Die waren vies en vuil, vatbaar voor ziekten.’

‘Inmiddels weten we dat wonen in de grote stad duurzamer is dan wonen op het platteland, want alles wordt er intensiever gebruikt, van gebouwen tot sportvelden, en mensen hoeven niet meer een uur in de auto te zitten naar hun werk. Inwoners zijn er gemiddeld genomen ook gelukkiger, mede omdat de beste voorzieningen zich in de stad ontwikkelen: scholen, ziekenhuizen, cultuur. Als je de stadsecologen mag geloven, is inmiddels zelfs de natuur in de stad rijker dan buiten de stad. Het platteland is zo gerationaliseerd dat de natuur er verschraald raakt.’

U gelooft niet in maakbaarheid. Planologen hebben zich in het verleden nogal eens vergist. U kunt zich ook vergissen met uw vergezichten.
‘Niemand kan in de toekomst kijken, maar één ding is zeker: zolang er mensen zijn en de techniek voortschrijdt, zet de verstedelijking door. Steden bestaan al vijfduizend jaar. De laatste tweehonderd jaar is de groei ervan heel hard gegaan. De jaren zeventig kenden een dip, en wie weet komt er weer een dip, maar dat de tendens naar grotere steden doorgaat, dat weet ik zeker. De vraag is hoe je je daartoe wilt verhouden.’

Wat zou de overheid moeten doen?
‘Het beste is: zo weinig mogelijk beleid. Je moet mensen en bedrijven hun gang laten gaan en in hun behoeften voorzien. Nederland heeft zo lang in de modus van deconcentratie gezeten dat die onderdeel is geworden van onze cultuur. Er bestaan nog veel maatregelen die stammen uit de tijd van de groeikernen. Het reiskostenforfait is er om inwoners van Lelystad te compenseren voor woonwerkverkeer. Regelingen voor lease-auto’s voor het bedrijfsleven ook. Dankzij de OV-studentenkaart is het voor studenten aantrekkelijker om thuis te blijven wonen. Al dat overheidsgeld kun je beter benutten om die grootstedelijke kern te bouwen. De agenda voor de toekomst is veranderd, maar dat besef is er in Nederland nog niet.’<

Onderwijl lopen andere delen van Nederland leeg, zoals Oost-Groningen en Zeeuws-Vlaanderen. We moeten het allemaal op zijn beloop laten?
‘Je daartegen verzetten heeft geen zin. De patronen zijn te sterk. Het speelt in talloze streken en landen. Het gaat om begrijpen en meebewegen.’

‘Ik ben betrokken bij Delfzijl, dat zwaar wordt getroffen. Vijfhonderd woningen zijn er al gesloopt, er gaan er nog eens duizend tegen de grond. Het was een garnizoenstadje, hard gegroeid in de naoorlogse industriële tijd. Dat oude schooltje dat op een gegeven moment te klein was geworden en een andere functie kreeg, blijkt nu weer ideaal te zijn. Maak er weer een schooltje van. Alles wat in de twintigste eeuw is bijgebouwd, op een paar dingen na, moet je weer afbreken. Het vervelende is dat deze gebieden eerst vergrijzen. Dat voelt heel naar. Maar er zit niks anders op dan zo fatsoenlijk mogelijk te krimpen. De regionale verschillen zullen alleen maar groter worden in Nederland.’

Creatieve klasse

Een van de invloedrijkste denkers over de toekomst van de stad, iemand die een fundament legde voor Zef Hemel en zijn Amsterdamse collega’s, is de Amerikaanse geograaf Richard Florida. Hij maakte in 2002 internationaal furore met zijn boek The Rise of the Creative Class. Florida was weliswaar niet degene die het buzzwoord ‘creatieven’ bedacht, hij bracht het wel in zwang.

Creatieven, luidt het idee, jagen economische groei aan. Zij zorgen voor nieuwe oplossingen, voor een open en dynamische atmosfeer. Zij trekken andere creatieven aan, en bedrijven en kapitaal. Belangrijk: ‘creatieve klasse’ moet je breed opvatten. Die bestaat niet alleen uit kunstenaars, designers en mediamensen. Ook wetenschappers, softwareontwikkelaars, architecten, juristen en zelfs managers in het bedrijfsleven of de gezondheidszorg behoren ertoe. Creatief zijn betekent: niet alleen uitvoeren, maar ook iets nieuws bedenken – dat kan van alles zijn.

Florida oogstte de nodige kritiek, met zijn wat elitaire focus op de veelal hoogopgeleide creatieven. Alsof leraren, verplegers, politieagenten, bouwvakkers en vrachtwagenchauffeurs niet belangrijk zijn. En vorig jaar moest hij zelf erkennen dat vooral lager opgeleiden in de verdrukking komen in steden waar hoogopgeleiden samenklonteren, zoals San Francisco, Boston en Washington. Weliswaar profiteren ook de minder betaalde werklui er van economische groei en stijgt hun salaris, maar de kosten van levensonderhoud, vooral de woonlasten, lopen er zo hoog op dat alleen goedbetaalde hoogopgeleiden het zich kunnen veroorloven om te blijven.

'Je kunt niet een compleet nieuwe agenda maken, met een schone lei beginnen. Je kunt ook niet opeens zeggen: nu word ik een creatieve stad.’ Foto: Peter Hilz/HH
‘Je kunt niet een compleet nieuwe agenda maken, met een schone lei beginnen. Je kunt ook niet opeens zeggen: nu word ik een creatieve stad.’ Foto: Peter Hilz/HH

Voormalig Amsterdams wethouder Maarten van Poelgeest van Ruimtelijke Ordening noemt dat ook het kwetsbare punt in uw denken: hoe behouden economische verliezers een plek in de creatieve stad?
‘De kunst is te voorkomen dat een stad helemaal yuppificeert. Daarom zeg ik ook: bouw bij, in hoog tempo. De bestaande mix van dertig procent sociale huurwoningen en zeventig procent vrije huur en koop moeten we handhaven, ook op de Zuidas.’

‘Tegelijkertijd: voor niemand is er een vluchtroute. De technologie is dwingend. We moeten ons allemaal aanpassen. Roberto Payer, directeur van het pas geopende Waldorf Astoria Hotel aan de Herengracht, zei het onlangs mooi. Ook het werk van zijn kamermeisjes verandert door de nieuwe economische krachten. Airbnb zet de goedkoopste segmenten van het hotelwezen onder druk. Een exclusief hotel als Waldorf Astoria moet uitblinken in kwaliteit en gastvrijheid. Iedereen, ook de laagstbetaalden, moet zich voortdurend laten bijscholen.’

Moeten alle steden zich richten op de creatieve klasse?
‘Bijna alle steden hebben dat geprobeerd sinds Richard Florida zijn triomftocht maakte. Maar als je niet de massa hebt, niet de mensen, niet de voorzieningen, niet het creatieve klimaat, dan krijg je die bestanddelen ook niet zomaar. Alweer een relativering van maakbaarheid. Niet elke stad is het gegeven.’

Als het twee steden in Nederland gegeven is, dan Amsterdam en Rotterdam.

Is het Rotterdam gegeven?
‘Als het twee steden in Nederland gegeven is, dan Amsterdam en Rotterdam. In de jaren tachtig publiceerde een Rotterdamse commissie, met nota bene Pim Fortuyn als secretaris, een rapport dat Nieuw Rotterdam heette. Het stelde: de industriële stad is voorbij, we moeten het belang van de haven relativeren, wij moeten gaan diversificeren. Een of twee colleges hebben dat heel ambitieus gedaan, zoals dat alleen in Rotterdam kan. Ze hebben een museumpark ontwikkeld, de kop van Zuid nieuwe allure gegeven, de Witte de Withstraat gerestyled. Daar is de klad in gekomen. Daarna is toch weer gekozen voor de Tweede Maasvlakte, metro’s naar de regio, het suburbane milieu tot aan Gouda toe. Onder Leefbaar is alsnog besloten om te gaan bouwen voor bewoners in het centrum. Maar dat worden nu torens. Daar willen creatieven niet in wonen. Nu heeft de stad een rare hybride vorm.’

En de andere steden? Als je het niet hebt, wat rest je dan?
‘Het beste wat je kan doen: de economie diversificeren. Denken vanuit het lokale, vanuit het bestaande repertoire. En daar waardevolle elementen aan toevoegen. Je kunt niet een compleet nieuwe agenda maken, met een schone lei beginnen. Je kunt ook niet opeens zeggen: nu word ik een creatieve stad.’

Sommige steden zijn gedoemd?
‘De meeste steden, zeker in Europa, stagneren. Vooral de groten groeien. De allergrootsten zullen de grootste successen gaan vieren.’

‘Het beste dat een stad kan doen: met de eigen bevolking en eigen ondernemers een toekomstvisie ontwikkelen die werkelijk klopt, die overeenkomt met de identiteit van de stad. Het gaat om een grote zelfkennis. Niet: modieus doen, met elke wind meewaaien. En je weet het nooit, elke stad kan ineens succesvol worden. We hebben geen idee hoe de wereld er over twintig jaar uitziet.’

Is de grootste onzekerheid de voortgaande automatisering en digitalisering? Ook veel banen in de dienstensector dreigen te verdwijnen.
‘Even voor het grove beeld: buiten onze grote steden staan straks gebouwen – dozen – waar robots onze spullen maken. In de steden zal ook de diensteneconomie eraan geloven. Daarom spreken we al over een creatieve of een kenniseconomie. Creativiteit en kennis kun je moeilijker robotiseren. Vooral relationele beroepen zullen belangrijker worden. Een beetje flauw gezegd: er komen nog veel yogaleraren, coaches, mentoren en therapeuten bij. Dat zijn typisch grootstedelijke beroepen.’

‘Daarnaast zal de arbeidsdeling zich verder voortzetten. Veel mensen kunnen nu al niet meer uitleggen wat hun beroep is. Over twintig jaar heb je zelf ook geen idee meer, zo’n kleine nichespeler ben je geworden. Je wordt extreem afhankelijk van heel veel andere mensen. Ook die afhankelijkheid duwt je naar de grote steden. Er is geen ontkomen aan.’