Het is een hele pil. Maar, om het op zijn Vlaams te zeggen, amai wat een leesgenot! Bart Van Loo overtreft zichzelf met zijn boek over de Bourgondiërs. Goed en toegankelijk geschreven, meeslepend verteld, met humor ook. Met dit boek heeft Van Loo deze lezer in elk geval een enorm inzicht gegeven in wat voor velen een onontwarbare en daardoor ontoegankelijk verhaal is over de Nederlanden van voor Willem van Oranje en de Tachtigjarige Oorlog.
Iedereen heeft wel eens gehoord van Filips de Schone, Karel de Stoute of Jan zonder Vrees, maar wie het nou waren en wat ze nou precies deden? Dit boek geeft er antwoord op, en vertelt daarmee het verhaal van het ontstaan van de Lage Landen. In grote lijnen is dit al vaker verteld (denk aan Herfstij der Middeleeuwen van Johan Huizinga), maar Van Loo’s kracht is dat hij een echte verteller is, en daardoor de lezer meesleurt. In zijn boek zit een televisieserie van minstens vier seizoenen à la The Crown, of een succesfilm als The Favourite over de verwikkelingen aan het Britse hof van Queen Anne.
het goede Bourgondische leven
Van Loo slaagt er met zijn enthousiaste verteltrant in de reislust op te wekken. Na lezing van zijn boek wil je gaan kijken naar beelden van de in Nederland zo goed als vergeten Haarlemse kunstenaar Claus Sluter van rouwende figuren bij de hertogelijke sarcofagen in het voormalige Karthuizer Klooster van Champmol in Dijon. Maar ook bijvoorbeeld naar Bern, waar in het plaatselijke museum een tapijt te bewonderen is dat ooit in de legertent van de machtige en ook wrede Karel de Stoute lag en dat hij samen met talloze schatten moest achterlaten toen hij tot drie keer toe door het boerenleger van de Zwitsers werd verslagen.
De erfenis van de Bourgondiërs is veel meer voelbaar in België dan in Nederland, waar de plaatselijke bevolking zich altijd is blijven verzetten tegen de Franstalige bureaucratie. De schilders uit die tijd zijn vooral afkomstig uit Vlaanderen en Wallonië, de architecturale overblijfselen zijn veel zichtbaarder in Gent en Brugge dan in Leiden of Amsterdam. En Limburgers, Brabanders en Belgen zullen sneller van zichzelf zeggen dat ze houden van het goede Bourgondische leven dan de mensen boven de rivieren.
Een soort achtbaan
Van Loo verwierf bij het grote publieke enige roem met zijn optredens bij De Wereld Draait Door, waar hij zich ontpopte als een rappe prater toen hij zijn eerdere boeken over Franse chansons, Napoleon en Frankrijk aan de man bracht. Hij studeerde Romaanse talen en was enige tijd leraar Frans, maar hij was ook medewerker van het Vlaamse weekblad Knack. Vanaf 2006 wijdde Van Loo zich geheel aan het schrijverschap.
Van Loo doet niet aan half werk en sleurt de lezer in het eerste hoofdstuk van zijn nieuwe boek mee naar de vierde en vijfde eeuw, naar de oervaders van de Bourgondiërs, met namen als koning Gundobad, diens zoon Sigismund en zijn tegenstrever Clovis. Je wordt bijkans duizelig van de volksverhuizingen en de veldslagen tussen Hunnen, Wisigoten en Allemannen, om maar niet te spreken van de daaropvolgende wederwaardigheden van de Merovingen en de Karolingen.
Na dat eerste hoofdstuk, waar als in een soort achtbaan maar liefst duizend jaar wordt behandeld in veertig pagina’s, krijgt het boek een rustiger tempo.
We zijn dan aangeland in de veertiende eeuw, waarin steden ontwaken, de riddertijd ten einde loopt en Filips de Stoute begint te bouwen aan een nieuw rijk tussen het Heilige Roomse Rijk en Frankrijk dat zich zou gaan uitstrekken van Dijon tot Alkmaar. Een hertogdom dat zo machtig zou gaan worden dat het de Franse koning naar de kroon stak en dat zich in de woorden van Van Loo ‘de rijkste, machtigste en patserigste van Europa mocht noemen’. Patserig? Ja patserig. Het boek is doorspekt met populair taalgebruik als ‘toffe peer’ en ‘de pijp uitgaan’, wat de leesbaarheid zeer ten goede komt overigens.

speciale stofbril
Het verhaal van de Bourgondische dynastie begint in de veertiende eeuw met Filips de Stoute, een ambitieus man die vanuit Dijon begon aan een veroveringstocht via oorlogen en huwelijken om zijn rijk te vergroten. Van Loo verzamelde wonderlijke feiten over de man: om altijd te weten hoe laat het was, namen hij en zijn vrouw Margaretha op hun veelvuldige reizen altijd een draagbaar ‘horloge’ mee, dat zo groot en zwaar was dat een extra kar nodig was om het enorme object mee te nemen. Ook droeg Filips een speciale stofbril als hij onderweg was, waarmee zijn verschijning ‘bijna futuristische trekjes’ kreeg.
Op 12 april 1385 verzamelde de Europese adel zich in Kamerijk, voor een dubbel huwelijk. Filips had zijn zoon Jan en dochter Margaretha uitgehuwelijkt aan de twee prinsenkinderen van het graafschap Beieren, Willem en (eveneens) Margaretha. Zo waren het huis van Beieren en dat van Bourgondië dubbel met elkaar verbonden, en zou de dynastie in de vijftiende eeuw zijn vleugels kunnen uitslaan. Door de huwelijken zouden Filips en zijn nazaten uiteindelijk meester worden in Holland, Zeeland, Brabant en Henegouwen, naast de bezittingen die ze al hadden. De tafel waaraan deze huwelijken werden bedisseld is verloren gegaan, Van Loo noemt het meubelstuk ‘zonder twijfel een van de belangrijkste uit de geschiedenis van de Lage Landen.’
wichelroedelopers
Het werd een grootste partij overgoten met de beste wijnen – het waren immers echte Bourgondiërs! – waaraan zo veel geld werd uitgegeven dat de kanselier van Filips genaamd Johannes Canard ‘bijkans zijn baard op at’. Van Loo beschrijft de voorbereidingen op het huwelijks bijkans lyrisch: ‘het machtig knetteren van gigantische haardvuren’, ‘dienaren in livrei die zwetend de gerechten naar de eetzaal brachten’, ‘het gegrom van honden die botten onder tafel afkloven’, ‘zilveren schalen waarop indrukwekkende piramides opgediste stukken gebraden kalfsvlees, reebok, everzwijn, gans, patrijs en korhaan’ lagen. Het is nogal wat om dit op te schrijven, terwijl een pagina eerder de auteur zonder omhaal beweert dat het menu van het feest is zoekgeraakt. Maar ach, het zou zo gegaan kunnen zijn, en Van Loo heeft ook nog een veertiende-eeuws kookboek geraadpleegd.
Heerlijk is ook de uitgebreide beschrijving van het tumultueuze leven van Jacoba van Beieren, nicht van Filips de Stoute. Ze trouwde met haar verre neef Jan IV, hertog van Brabant. Het was een ongelukkig huwelijk, waarbij Jan ook nog eens – toen hij in geldnood raakte – Jacoba’s landerijen verpandde, zeer tot haar woede. Ze liet haar huwelijk ongeldig verklaren (wat hevig werd betwist) en trouwde in Engeland met prins Humphrey van Gloucester. Tot in Rome werd dat nieuwe huwelijk aangevochten.
Ondertussen trok ze met haar oom Filips de Stoute op tegen haar ex-man. Maar Filips kreeg het op zijn beurt aan de stok met Gloucester en hield zich verder buiten het strijdgewoel. Terwijl Jacoba tijdens een van de talloze veldslagen heldhaftig standhield tijdens het beleg van de stad Bergen, haar hoofdstad van het graafschap Henegouwen, zat echtgenoot prins Humphrey alweer in Engeland. Daar raakte hij verstrikt in de netten van de ‘beeldschone’ voormalige hofdame van Jacoba, een zekere Eleonora Cobham, die hem twee kinderen zou schenken en die het hem ‘met haar voorliefde voor wichelroedelopers en alchemie nog knap lastig zou maken,’ aldus Van Loo.
Toen een vertrouweling van Humphrey voor de muren van de stad werd onthoofd schreef Jacoba een wanhopige brief aan haar echtgenoot. Ze omschreef zichzelf als ‘de meest verlaten en de meest valselijk verraden vrouw ter wereld’. Maar de Engelse prins kwam niet opdagen. En Jacoba moest na een lange strijd het hoofd buigen voor haar oom Filips die regent werd van Henegouwen, Holland, Zeeland, terwijl Jacoba werd erkend als gravin van die gebieden onder zijn gezag. Oom en nicht trokken nadat ze elkaar weer in de armen waren gevallen door de drie graafschappen, waar ze tijdens Blijde Intredes in steden als Gouda en Alkmaar grote groepen mensen op de been kregen. En in Goes kroonde Jacoba zich tot koningin tijdens het boogschieten nadat zij de hoofdvogel had geschoten. ‘De kreten “leve de koningin” moeten haar raar in de oren geklonken hebben,’ schrijft Van Loo. ‘Meer macht en invloed lagen in niet in het verschiet, meer feesten wel.’
aangevreten door de wolven
Het boek heeft een slimme opbouw: het eerste hoofdstuk behandelt als gezegd duizend jaar, het tweede de veertiende eeuw waarin de Bourgondiërs opkomen, het derde het decennium waarin Karel de Stoute grote hoogten bereikt om vervolgens zijn ondergang te vinden in de Zwitserse bergen. Naar detail: zijn lijk werd na de slag teruggevonden, waarbij zijn medestrijders hem herkenden aan de littekens en aan de ontbrekende tanden in zijn gebit, zo wil de overlevering. Hij was vertrapt door paardenhoeven, iemand had een lans in zijn anus gestoken, een van zijn wangen was van zijn gezicht gerukt door een wolf. Dat detail van die wolf zou nog eeuwenlang in de verhalen blijven voortbestaan: Karel die was aangevreten door de wolven. Van Loo vergelijkt Karel de Stoute met Napoleon.
Met de dood van Karel was de Bourgondische dynastie nog lang niet uitgeregeerd. Dochter Maria van Bourgondië nam het roer over, maar op een fatale dag in maart 1482 viel ze tijdens een jachtpartij van haar paard en kwam op een boomstam terecht. Pas in 1979 bleek bij paleo-pathologisch onderzoek dat ze tijdens haar val twee polsen brak en drie ribben, die haar rechterlong raakten. Uit dat onderzoek bleek ook dat ze elf (!) tanden miste, volgens Van Loo wellicht veroorzaakt door ‘gebrekkige tandhygiëne en inteelt bij vorstelijke huwelijken’.
Maar Maria, die pas 25 was, had wel kinderen nagelaten, van wie Filips de Schone zou uitgroeien tot de laatste grote Bourgondische hertog. Diens zoon was Karel de Vijfde en zou koning worden van Spanje en keizer van het Roomse Rijk, en zo half Europa onder zijn bestuur hebben. Karel voelde zich nog wel een echte Bourgondiër, ook al leefde hij een groot deel van de tijd in Madrid. Het was zijn grote droom om het Karthuizer klooster Champmol te Dijon te heroveren op de Fransen, waar zijn voorvaderen Filips de Stoute, Jan zonder Vrees en Filips de Goede begraven liggen. Maar dat zou nooit meer gebeuren. Sterker nog, zijn zoon Filips de tweede had helemaal niets met de Noordelijke Nederlanden, en zou een oorlog met haar onwillige bewoners beginnen die pas tachtig jaar later werd beslecht.
Met De Bourgondiërs streeft Van Loo ernaar het culturele geheugen van de bewoners van de Lage Landen te voeden, zo schrijft hij in de epiloog, om zo ‘de eigen, vaak amper gekende geschiedenis een prominentere plaats te geven’.
Bij deze lezer is dat meer dan gelukt. Op naar Mechelen, Gent en Dijon!
Bart Van Loo, De Bourgondiërs. Aartsvaders van de lage landen, De Bezige Bij, 560 p., €34,99
In Mechelen is sinds de zomer van 2018 museum Hof van Busleyden geopend, dat helemaal is gewijd aan de Bourgondiërs.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.