’s Zomers eet ik graag met vrienden op het balkon. Ik ken veel mensen. Niet omdat ik daar naar gestreefd heb, maar omdat het volgde uit wat ik doe. Als je succes hebt, kom je mensen tegen, dat is nu eenmaal zo, tenzij je een succesvolle kluizenaar bent.
Mijn balkon kijkt uit op het park, alleen al daarom komen mensen graag bij me eten. Het is ruim, je kan er met vijf mensen aan tafel, zes als je iemand op de drempel van de balkondeuren laat zitten. Er is altijd wel iemand die dat vrijwillig op zich neemt. ‘Laat mij maar op de drempel zitten.’ Daar moet je mee uitkijken, met vrijwilligers. Ze zijn ook altijd bereid om even naar binnen te lopen om nog een fles wijn te halen, maar dat doe ik liever zelf, voor je het weet staan ze aan je bureau in je papieren te snuffelen of klappen ze je laptop open. ‘Ben je met iets bezig?’ vragen ze als ze naar het balkon terugkeren (altijd met de verkeerde fles wijn). Dan weet ik zeker dat ze hebben staan snuffelen. Ik glimlach en zwijg verder.
Mooie avonden zijn het meestal, rustige zomeravonden, vanuit het park komen kalme achtergrondgeluiden; ritselende bladeren, fietsbanden over grind, een blaffende hond in de verte, de kreten van spelende kinderen, die naarmate de avond vordert steeds melancholischer klinken.
Op het balkon wordt ondertussen gepraat en gegeten, de drempelzitter gaat nog een fles halen (‘Neem nu meteen de goede mee!’), het licht trekt langzaam weg, in de verte klinkt het melodietje van de ijscoman. Al vijf jaar is dat ‘I’m Popeye the Sailor Man’, eigenlijk zou je als buurt genoeg geld bij elkaar moeten leggen om eens een nieuw melodietje voor die man te kopen.
Prettige avonden zijn het, zonder meer, met een rustgevende voorspelbaarheid, misschien moeten we die ijscoman zijn melodietje ook maar gewoon tot het einde der tijden laten houden.
Het meest voorspelbare moet nog komen.
Eerst valt het nog niet zo op, maar als de kreet dichterbij komt, zie ik dat mijn gasten hun blik naar het park laten afdwalen, fronsend. Als ze honden waren, zouden ze hun oren spitsen. Het gesprek stokt, daar is die kreet weer, mijn gasten kijken me vragend aan, alsof ze er voetstoots vanuit gaan dat dit een terugkerend verschijnsel is waarvoor ik hun een verklaring kan geven. Als de kreten aanhouden, beginnen ze door elkaar te praten. Hoor jij dat ook? Wat wordt daar nou geroepen? Haak? Raak? Braak?
‘Wraak’, zeg ik. ‘Hij roept zijn hond.’

Wat? Hoezo? Een hond die Wraak heet?
En dan vertel ik het verhaal over de hond die Wraak heet. Dat wil zeggen, ik begin eraan zodra ik de aandacht heb. Eerst willen mijn gasten de hond zelf zien. Ze hangen over de balkonrand, de oren nog steeds onzichtbaar gespitst, ze veren op wanneer ze de kreet weer horen. Het komt dichterbij, zeggen ze tegen elkaar, hoor je dat. En tegen mij: komt hij hier beneden langs?
‘Zij’, zeg ik, ‘het is een teefje’.
Er is altijd wel iemand die de opmerking maakt dat het hem niets verbaast dat wraak vrouwelijk is. Het is altijd een man die dat zegt. Als je vraagt hoe ze dat bedoelen, mompelen ze iets onduidelijks, er volgt nooit een verhaal, wat goed is, want een verhaal zou alleen maar storen, nu.
Ondertussen klinkt vanuit het park steeds luider: ‘Wraak! Wraak!’ Er is dan altijd wel iemand die zegt: ‘Hij luistert niet goed, hè?’ En er is dan altijd wel iemand die opmerkt dat wraak natúúrlijk niet luistert; als wraak eenmaal losgelaten is, gaat ze haar eigen wilde gang, probeer haar dan nog maar eens aan te lijnen! En als de anderen het niet zeggen, zeg ik het zelf, soms moet je de voorspelbaarheid een handje helpen.
Meestal is het dan nog maar een kwestie van seconden voordat de hond zich laat zien, enthousiast rondhollend op het stukje grasveld dat tussen de bomen door vanaf mijn balkon te zien is. Ook wat dan volgt is voorspelbaar: teleurgestelde kreten en verbaasd gelach wanneer blijkt dat het om een labradoodle gaat.
Niemand heeft zich wraak ooit voorgesteld als labradoodle.
De hond snuffelt, loopt in een kringetje, en rent weer verder, het zicht uit, in de tegengestelde richting als waaruit met steeds meer schorre wanhoop nog steeds haar naam wordt geroepen.
Nu volgt de ontspanning, de gasten zakken terug in hun stoelen, handen strekken zich uit naar glazen wijn, ik ontvang verwachtingsvolle blikken.
Het verhaal laat zich eenvoudig samenvatten, het gaat over twee broers, de een ging ervandoor met de grote liefde van de ander.
Mijn gasten knikken, zo’n verhaal kennen ze wel, of in ieder geval een verhaal dat er sterk op lijkt; mensen gaan er voortdurend vandoor met de liefde van een ander; maar die hond dan, hoe zit het met die hond?
Dat met die hond, dat komt zo. Eerst de broers. Het is een bekend verhaal in mijn kringen, het speelt zich ook af in deze buurt, daar zijn ze geboren en getogen, ze wonen nog steeds maar een paar straten bij elkaar vandaan, alsof ze elkaar nooit helemaal hebben kunnen loslaten.
Ze zaten op dezelfde middelbare school, die twee broers, ze scheelden een jaar, dus scheelden ze ook een klas. De oudste was verliefd op een meisje uit zijn klas, laten we haar Marleen noemen, en zij op hem. Het gebeurde tijdens de schoolreis naar Rome; kan het zoeter, kan het clichématiger? Misschien niet. Maar clichés zijn juist goed wanneer het om de liefde gaat, want omdat het om jullie tweeën gaat, is deze liefde sowieso uniek, wie jullie twee dan ook zijn, eerder gebeurd is dit nog nooit. Tijdens de Romereis spijbelden ze bij de verplichte bezoeken aan kerken en musea, alleen daarom zou ik je aanraden om verliefd te worden in een vreemde stad met een goed klimaat, je kan meteen de reisgidsen weggooien en met z’n tweeën in een park gaan liggen – en dat was dan ook wat ze deden, met z’n tweeën in een park liggen, of op een terrasje zitten, terwijl ze met behulp van Wat & Hoe in het Italiaans bestellingen deden bij geduldige obers – alléén maar geduldig omdat ze de liefde tussen de twee zagen, neem ik aan. Ze werden voor dat spijbelen natuurlijk gestraft, maar wat kon hun dat schelen.
Nou ja, we hebben allemaal op een middelbare school gezeten, we kennen dit soort liefdes wel; als we geluk hadden, hebben we het zelf meegemaakt.
Maar deze liefde bleef bestaan, deze liefde groeide. Marleen en de oudste broer, de oudste broer en Marleen – zag je de een, dan zag je de ander. Iemand vertelde me dat er in die tijd weddenschappen werden afgesloten wanneer het zou ophouden, maar nee, het hield niet op, ze trouwden, en ze leefden nog lang en gelukkig, tenminste, daar ging iedereen van uit.
Maar dat was buiten de jongste broer gerekend. We weten niet wanneer het is begonnen, wie weet al op de middelbare school. Misschien is de enige periode waarin hij geen jaloerse blikken op zijn oudere broer en Marleen wierp die schoolreis naar Rome geweest, waar hij niet bij was omdat hij een klas lager zat. In de maanden daarna zat hij grimmig en grommend op zijn kamer, alleen, terwijl uit de kamer van zijn broer, aan de andere kant van de muur, geluiden kwamen die wezen op haar aanwezigheid. Niet noodzakelijkerwijs geluiden van hevige passie, als ze elkaar Duitse werkwoorden overhoorden was het al genoeg – al waren de slurpende kussen die hij kon horen als hij een glas tegen de muur zette, natuurlijk erger dan gedeeld huiswerk.
Dat van die kussen heb ik er bij verzonnen, maar jullie begrijpen wat ik bedoel.
Het kan ook zijn dat hij pas later voor haar viel. Hij kwam vaak bij zijn broer en Marleen over de vloer, met of zonder vriendin, lange relaties had hij nooit. Hij was accountant geworden, zijn oudere broer had inmiddels een aantal romans gepubliceerd, de accountant bezocht trouw de boekpresentaties van de schrijver, hij vond dat literaire wereldje wel interessant. Vandaar dat ik dit verhaal zo goed ken, het speelt zich af in mijn wereld.
Niemand weet wanneer Marleen verliefd op hem is geworden. Misschien sluimerde het al jaren, misschien gebeurde het opeens, als de clichématige bliksemflits die ervoor zorgt dat je de ander opeens in een nieuw licht ziet, een licht waarin jij je vanaf nu óók wilt bevinden. Hoe dan ook, ze gingen er samen vandoor. Niet naar Rome, dat had ook nog gekund, maar nee, hun eerste reisje ging naar Parijs, de stad van de liefde; clichés mogen zo hoog gestapeld worden tot ze omvallen, verliefden komen altijd ongeschonden onder het puin vandaan.
Hier laat ik meestal een kleine pauze vallen, zodat iemand kan vragen: ‘En die hond?’

De hond komt zo. Eerst hoe het verder ging. Het zag eruit als diepe liefde, dus we konden tegen elkaar zeggen dat het dan misschien niet netjes was wat hij zijn broer heeft aangedaan, maar het is wel serieus, dat zie je aan alles – voor zover Marleen en hij zich nog lieten zien, in de tijd. Maar het was snel weer voorbij, langer dan anderhalf jaar duurde het niet, toen gingen ze uit elkaar. En nee, Marleen ging niet terug naar haar schrijver, ze verdween uit de stad, uit het land, ze woont nu in Londen.
Er is ondertussen een flink aantal jaren verstreken. De broers wonen nog steeds in deze buurt. In de loop der jaren verwachtte iedereen dat de oudste broer een roman over de situatie zou schrijven, een roman waarin hij zijn jongere broer met de grond gelijk zou maken, zou vernietigen, om wat hij hem had aangedaan. Een sleutelroman waarbij iedereen meteen wist om wie het ging. En de jongste broer verwachtte dat ook. Probeer je voor te stellen met welke gevoelens hij jaar in jaar uit de aanbiedingsfolders van de uitgeverij van zijn broer doorbladerde, zou het deze keer dan werkelijk verschijnen, het boek, de wraak van zijn broer?
Maar waarom verscheen het boek niet, wat was er met de oudste broer aan de hand?
In plaats van dat er een boek kwam, werd er een hond gekocht, en die hond kreeg de naam Wraak. De broer loopt door het park en de straten van deze buurt, en hij roept zijn hond. Zijn broer hoort het elke dag, zoals jullie het net hoorden.
En dan zijn ze onder de indruk. De bedrogen broer, die zijn machteloze wraaklust blijkbaar niet tot een boek kan stileren, al zijn emoties maar tot één woord kan samenvatten, en dat woord elke dag weer moet uitschreeuwen – de enige manier om zijn broer niet te laten vergeten wat die hem heeft aangedaan. Ze voelen zijn tragiek.
‘Jullie begrijpen het niet’, zeg ik.
Ze begrijpen het nooit.
Het was niet de oudste boer, het slachtoffer, die ze zojuist hebben horen roepen; het was de dader, de jongste broer, de accountant die er met de vrouw van de ander vandoor ging.
Wat mijn gasten hoorden, was geen woede, maar een smeekbede. ‘Schrijf nu eindelijk dat boek!’ schreeuwt de jongste elke dag. ‘Maak me af! Vernietig me! Neem nu eindelijk eens wraak!’
Het duurt even, maar dan begrijpen mijn gasten hoe het zit, en concluderen ze bewonderend dat de oudste broer de perfecte wraakneming heeft bedacht. Door het boek niet te schrijven, heeft hij zijn broertje in zijn macht. De wraak waar hij om smeekt, bestaat uit stilte die ervoor zorgt dat zijn broertje niet verder kan met zijn leven.
Maar ook nu vergissen ze zich. ‘Ik heb al jaren een writer’s block,’ zeg ik. ‘Ik zou wel willen, maar ik krijg geen letter op papier.’
Het komt tegenwoordig maar zelden voor dat niemand van mijn gasten dit verhaal al niet eerder heeft gehoord. Tot mijn verbazing merk ik dat dit niet uitmaakt, vrijwel iedereen hoort het graag een tweede keer.
Aan het voorspelbare einde ontbreekt het nooit; ook deze keer wordt me gevraagd of ik niet gewoon iemand heb betaald om ‘Wraak! Wraak!’ roepend door het park te lopen terwijl we zaten te eten, en dat de verschijning van de hond toeval was.
Als dat zo is, dan was die labradoodle een mooi detail, daar is iedereen het over eens.




