Drie jaar geleden, op een dag in mei die warmte en licht uitprobeerde, werd ik wakker met hoofdpijn en een drukkend gevoel in mijn borst. Alsof een boekenkast was omgekanteld en ik dat gewicht moest torsen. Af en toe dondert er in ons huis daadwerkelijk wel eens stapel boeken naar beneden. Maar deze last had ik nog niet eerder gevoeld. En dus haastte ik me naar het ziekenhuis.
Omdat het nog maar een maand geopend was, stond er een jongeman bij de slagboom van de parking van de spoedafdeling, om de bezoekers te waarschuwen. ‘Hoe lang denkt u op de spoedafdeling te moeten blijven? Als u denkt dat het langer dan een uur zal duren, moet ik u een andere parking aanraden. Want anders zal u dit heel wat kosten.’ Het heeft me bijna een leven gekost.
Lichamelijke ervaring
Sinds die bewuste dag ben ik nog meer dan voordien een libidineuze poëzielezer geworden. Omdat ik een lichaam teruggekregen heb. Dat leek ik even vergeten te hebben. Want een lichaam, dat was tot dan een soort hulpmiddel dat mij in de zetel en aan mijn schrijftafel rechtop hield en mij met mimiek en armbewegingen hielp om mij voor mijn studenten verstaanbaar te maken.
Ik wil nu vooral poëzie zien, horen, voelen en smaken.
Het denken stond centraal. Ik hield nogal van close reading. Maar sinds die dag in mei besefte ik dat er ook andere manieren zijn om met poëzie om te gaan, via de lichamelijke ervaring. Ik wil nu vooral poëzie zien, horen, voelen en smaken. Close watching, listening, feeling, tasting. Niet dat ik het denken wil uitschakelen bij het lezen van poëzie.
Integendeel. Omdat denken over gedichten beelden zien inhoudt, een stem in je hoofd doet weerklinken, geuren en smaken oproept, je het gevoel geeft dat je aangeraakt wordt. Zo ontstaat er genot, wat de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan ‘jouissance’ noemde. Ik verlang ernaar dat mijn beleving van poëzie een soort aanraking wordt, een vorm van sensorisch denken. En daarbij wil ik me niet louter op de taal concentreren. Ik wil nagaan hoe de werkelijkheid doorheen de taal resoneert en vibreert.
Vreemde vertrouwdheid
We kunnen klagen over het feit dat er zoveel toeschouwers, jong en oud, aan de lippen van de dichters gekluisterd zitten tijdens de Nacht van de Poëzie en dat er desondanks relatief weinig poëziebundels verkocht worden. Alsof het een probleem zou zijn dat poëzieliefhebbers op de eerste plaats willen kijken en luisteren en dus via de trilhaartjes in hun oor willen voelen hoe de woorden en zinnen zich voortplanten, tot de signalen in de gehoorzenuw worden doorgegeven en zo in de hersenen belanden. Wordt op die manier niet automatisch vreemd wat vertrouwd klinkt, omdat je iets voor het eerst lijkt te horen?
Gelukkig zijn de media minder geïnteresseerd in het leven van dichters dan in dat van proza-auteurs. En dus mag de poëzie zelf centraal staan.
Die vreemde vertrouwdheid zoek ik in poëzie. Ik wil de dingen opnieuw ervaren, in het stadium voor het louter rationeel begrijpen. Analoog met de opvattingen van de Franse filoloog met filosofische belangstelling Roland Barthes, staat het genieten van de tekst voor mij niet langer los van het lichamelijk genieten. Omdat ik zo verdomd blij ben dat ik nog een lichaam heb. En dan nog een lichaam dat met mijn geest kan samenwerken. Aan de andere kant van de taal staat het lichaam.
Voor mijn part is poëzie een vrijplaats, omdat de gerichtheid op de auteur momenteel zo groot is in de aandacht voor romans en verhalen. Bestaan de twee ‘schriftjes’ van Stefan Hertmans wel, vroeg Arnon Grunberg zich af toen Hertmans Oorlog en terpentijn publiceerde, gebaseerd op de cahiers van zijn grootvader, waarin die zijn ervaringen als frontsoldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog beschreef. Gelukkig zijn de media minder geïnteresseerd in het leven van dichters dan in dat van proza-auteurs. En dus mag de poëzie zelf centraal staan.
Werkelijkheidseffect
Mij interesseert in poëzie niet in welke mate de gedichten naar de werkelijkheid verwijzen, maar hoe ze een werkelijkheid maken. Dat werkelijkheidseffect – l’effet de réel volgens Barthes – zit in de overdaad van beelden, in niet-verhalende elementen, in de redundantie van informatie. In alles wat taal dus vreemd maakt.
In versregels zit altijd het residu van gebeurtenissen.
Niet alleen als poëzielezer, maar ook als dichter wil ik mij concentreren op de taal. Is dat steriel, bloedeloos? En druist dat in tegen het sensorisch denken waarnaar ik verlang? Helemaal niet. Want in de versregels zit altijd het residu van gebeurtenissen. In Le degré zéro de l’écriture (1953) schreef Roland Barthes: ‘Beeldspraak, tempo, vocabulaire komen voort uit lichamelijkheid en verleden van de schrijver.’
Door het doorschemeren van die elementen in de poëzie hoop ik als poëzielezer de dichter te kunnen aanraken, zonder dat ik dat in werkelijkheid wil. De auteur heeft dus wel degelijk belang, maar dan op de achtergrond. Ik hoop dat de lezer van mijn poëzie een gelijkaardige ervaring kan hebben.
Splitsing
De laatste ogenblikken voor ik drie jaar geleden het bewustzijn verloor, ervoer ik als erg beangstigend: het was alsof mijn lichaam en geest elk een andere kant op wilden in dat kamertje op de spoedafdeling en ik er als in een steeds meer doorzakkende hangmat tussen bungelde en eruit dreigde te kantelen, terwijl ik natuurlijk door lichaam en geest, die twee pijlers in mezelf, bij elkaar gehouden wilde worden. In die laatste ogenblikken flitsten allerlei beelden door mij heen, die steeds vormelozer werden. Alles leek wel onecht te worden en uit te deinen. Ik voelde me hopeloos, hulpeloos, vormeloos worden. En toen ging het licht uit.
Ik weet niet of ik ooit in staat zal zijn om dit slotgedicht uit mijn net verschenen nieuwe bundel voor te lezen zonder ademnood te voelen. Het bewustzijnsverlies heeft mij namelijk de beelden voor dit gedicht aangereikt. Alles wil ik voorlezen, maar niet dit gedicht. Want ik haal de slotregel niet.
Misschien wordt de lezer ook onwel als hij mijn lichamelijkheid doorheen deze versregels ervaart?
Ach, ik ben niet belangrijk. Laat mij maar achter mijn gedicht verdwijnen. Dan krijgt de lezer zuurstof.
Welkom thuis. Hier kan niemand blijven. Wat men
voorzien moet voor onderweg: een broek
die niet sleept, schoenen die de juiste kant uit gaan.
Lopen we dan over zandgrond, bruingeel karton,
is de tuin te groen geverfd, het licht in de rivier is van plastic.
Lichamen bollen op als ze langdurig drijven. We zwemmen
achter onze stemmen. Iemand trekt ons overeind.
Hier moeten we niet zijn. Is hier iemand aan wie we
de weg kunnen vragen? Er zijn draagarmen en een bed
en een laken straks over ons heen geslagen.
– Paul Demets
De klaverknoop wordt uitgegeven door de De Bezige Bij, Amsterdam. 78 pagina’s, €18,99.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.