Liever luisteren? Jonah leest zijn reportage zelf voor.
In Rusland noemen ze zwervers die gevonden worden als de dooi inzet sneeuwklokjes. Op de dag dat Nederland stilviel door de hevige sneeuwval dit voorjaar, ging ik met team buitenzorg Nijmegen op zoek naar een man in de sneeuw.
In tien jaar was er niet zoveel sneeuw gevallen. Als het vriest, moeten daklozen verplicht naar binnen. Het was die ochtend min zes graden, maar door de oostenwind voelde het als min vijftien. We reden door een verlaten stad, naar de polder. Geluiden waren gedempt en haast bestond niet. Her en der stonden er auto’s vast en hielpen mensen elkaar vooruit.
‘Dit gaat niet,’ had politieagent Jan Jacobs vlak daarvoor tegen me gezegd. ‘Hoe lang denk je op die schoenen door de sneeuw te kunnen lopen en zoeken? Ik zal je een foto laten zien.’ Ik zag een voet die was veranderd in een punt van vlees. Hier en daar zie je nog een zwart stukje nagel.
‘Dat is niet helemaal eerlijk,’ zei Jans collega Wendy Broeren lachend. ‘Die man had ook diabetes.’ Wendy is sociaal-psychiatrisch verpleegkundige van het Meldpunt Bijzondere Zorg, GGD Gelderland-Zuid.
Mijn verlopen gympen bleven op het bureau. Ik kreeg politiekisten.
Vanuit de buik
Al jaren werken Jan en Wendy samen als team buitenzorg. ‘Omdat er steeds meer psychiatrie op straat is, kwam er behoefte aan een “agent zorgmijders”,’ vertelt Jan. ‘Er zijn protocollen voor het samenwerken tussen GGD en politie, maar die werken niet praktisch. Dus we doen het gewoon op ons verstand, vanuit de buik. We wisselen gevraagd en ongevraagd informatie uit om ons werk goed te kunnen doen. Anderen zeggen dat dat niet mag, dat is privacy. Maar als je de goede zorgklieren hebt, voel je dat gewoon aan. Officieel moet ik een formulier aanmaken om iets uit te wisselen, dan zou ik dus dertig formulieren op een dag zitten te typen. Daar ben ik niet van.’
Samen bezoeken ze daklozen. In de bosjes wordt zowel aan lichaam als aan geest gedacht. Soms nemen ze een huisarts mee, wordt iemand tegen zichzelf of anderen in bescherming genomen, moet iemand naar het ziekenhuis, moet er worden afgekickt of volgt er een gedwongen opname. Ook regelen ze weleens een oude caravan om in te wonen. Anderen kunnen doorstromen naar een huisje. Een enkeling blijft altijd buiten.
Jan en Wendy lachen veel en spreken over de mensen die ze proberen te helpen alsof het hun vrienden zijn. ‘Ben gister nog bij hem in de cel geweest,’ zegt Jan. ‘Probeerde hem te kalmeren, want hij wil z’n DNA niet afstaan.’
Ze treffen mensen met pech, zwakbegaafden of verslaafden. Geestelijke problemen noemen ze ’t köpke kapot hebben. Het vertrouwen in hulpverleners van daklozen die zorgmijders worden genoemd,is zoals te verwachten valt laag, maar op Wendy en Jan reageren ze allemaal kalm en vertrouwd.
Natte slaapzak
Traag reed Jan die dag in februari over een dijk in de Nijmeegse Ooijpolder. We speurden over eindeloze witte velden. De man die we zochten, had een rode koffer bij zich. Het water stond zo hoog dat hele wandelgebieden waren verdwenen.
‘Daar slapen in de zomer veel mensen,’ zei Wendy vanaf de achterbank. Ze wees naar het water. Van hoge bomen was slechts een topje te zien, alsof het drijvende struiken waren. We stapten het politiebusje uit en liepen de dijk af, het natuurgebied in. Er klonk gegil. Kinderen gleden met sleetjes de heuvel af. Verrukt stonden er vrouwen bij te klappen. Verderop waren wat mannen driftig sneeuw aan het scheppen om de ingang naar hun huis begaanbaar te maken. ‘Als hij slim is, ligt hij wel droog,’ zei Wendy.
We liepen de sneeuw in en volgden vele voetsporen, maar vonden niets.
Aan iedere buurbewoner vroeg Jan of ze de man met de koffer hadden gezien. Niemand wist het. Wendy zei dat hij hier laatst nog in een natte slaapzak lag. Toen vroor het nog niet, dus was er geen reden om hem mee te nemen. Jan liet me een pasfoto van hem zien. Hij keek verschrikt, loenste en had een vlassig baardje. Hij leek op Catweazle, uit de gelijknamige kinderserie.
Elke prikkel is er een te veel voor Catweazle. ‘Een bezoek aan een supermarkt is een aanslag,’ zei Jan. Op de volgende foto lag hij in die natte slaapzak in een hutje van zeil in de struiken.
We liepen de sneeuw in en volgden vele voetsporen, maar vonden niets. Toen we terugkwamen bij het politiebusje werd Jan getipt door iemand van de handhaving om eens een stuk verderop te kijken. Achter een bosje, pal aan het water, vonden we de rode koffer en lag een uitgerolde slaapzak. De sneeuw was er geel van de urine. Wendy keek me opgewonden aan, ging door haar knieën, zei zacht zijn naam en wachtte. Toen tilde ze de slaapzak een stukje op. Er lag niemand.

Bossche bollen
In een statig pand tussen advocatenkantoren zit dagopvang Het Kasteel. Er liepen amper sneeuwsporen naar de ingang, maar toch belde Wendy aan. Er gebeurde niets. Toen we weer in het politiebusje zaten, ging de voordeur open. Twee mannen met een kop thee in de hand deden open. We stapten uit. Wendy vroeg of de dakloze die we zochten zich hier misschien had gemeld. ‘Nee. Misschien was hij er gister,’ zei een van de mannen. ‘Maar toen was de dagopvang dicht vanwege code rood. Het was voor ons niet mogelijk om hiernaartoe te komen.’
Wendy zweeg, keek ongeduldig naar beneden, maar bleef professioneel. In de politiebus zuchtte ze pas en zei tegen Jan dat er gister niemand van het personeel op de dagopvang was ‘vanwege de sneeuw’.
Wendy vertelde dat leidinggevenden haar weleens hebben verweten té betrokken te zijn. ‘Ik maak me soms schuldig aan grensoverschrijdend gedrag. Zal best. Ik vind gewoon alles geoorloofd om mensen tot zorg te verleiden. Mijn baas zegt dan: bijna alles is geoorloofd, Wendy.’
Ooit heeft ze bijvoorbeeld een tientje voorgeschoten zodat iemand een shot kon halen, om te kalmeren. ‘Anders was hij onhandelbaar geweest in de auto en nooit bij een gesprek voor de IND verschenen. Het was van belang voor het verloop van zijn toekomst. Die man was zo blij dat we hem hielpen en niet moeilijk deden, hij bracht ons een doos Bossche bollen als bedankje.’
Jan kende het verhaal, knikte instemmend en zei: ‘Mijn baas zegt weleens: Jan, wat jij allemaal doet, ik wil het niet weten. Toch zijn ze heel blij met ons werk.’
Een beetje creatief
De mens en het bureaucratische hokje, de theorie en de praktijk, ze schuren soms. Volgens Wendy zijn er veel hulpverleners die zeggen: ‘Dit is niet mijn taak, ik ben er voor om te kijken wat deze persoon psychiatrisch mankeert.’ Maar, zegt Wendy, ‘als iemand geen adres en uitkering heeft, is dat het eerste waarmee je kunt helpen. Daarna kun je pas kijken wat er psychisch mankeert. Als ik iemand meeneem naar het gemeentehuis, dan kan ik onderweg al eens kijken: heeft hij een goede conditie? Dan maak ik een inschatting van hoe iemand in z’n vel zit, en kun je de basis scheppen voor een vertrouwensband.’
Jan vertelt dat er in Nijmegen een kantoorgebouw staat waar tientallen hulpverleners achter hun bureau zitten. In het fietsenhok van het gebouw woont een dakloze. ‘Hij ligt in het fietsenhok omdat hij niet in een bepaald zorgkader valt.’ Jan probeert beleidsmedewerkers de straat op te krijgen. ‘Mee de bosjes in zodat ze stront aan hun schoenen krijgen. Want dat stinkt echt. Dat vergeet je niet. Je moet gewoon een beetje creatief zijn.’
‘Ja precies,’ zegt Wendy. ‘Dat is de truc.’
‘Laatst was er een man met achtervolgingswaan. Toen heeft een collega van me z’n wapenstok gepakt en is gewoon door de lucht gaan maaien om de spoken te verjagen. Geweldig, toch? Die verwarde man heeft hem hartelijk bedankt, want het hielp enorm.’

Dertig zeecontainers
Inmiddels is de sneeuw gesmolten en de lente begonnen. Ik ben weer in Nijmegen omdat Wendy Broeren aan het eind van die dag in februari zei: ‘Als het koud is, komen de journalisten wel. Met kerst zorgen mensen voor meer eten of zo’n inzamelingsactie om daklozen in een hotel op te vangen. Hartstikke mooi, natuurlijk. Maar dat is niet structureel. Als de winter voorbij is en de lente komt, hoe moet het dan? Dit is onze dagelijkse realiteit.’
Omdat ik nieuwsgierig ben naar die dagelijkse realiteit, stap ik weer in het politiebusje.
‘Als wij z’n spullen niet hadden gevonden, was hij dood geweest.’
De wereld ziet er anders uit vandaag. De natuur is groen en de lucht blauw. Een paar weken geleden was alles nog wit en grijs. We gaan terug naar de plek waar een paar maanden geleden de koffer in de sneeuw stond. ‘Als wij z’n spullen niet hadden gevonden, was hij dood geweest,’ zegt Wendy. De politie is die avond weer gaan kijken en heeft hem onderkoeld gevonden. ‘Ze hadden niet een paar uur later moeten zijn.’
Als je het weet, zie je nog waar hij heeft gelegen. Het gras is zand geworden en in het bosje ligt nog wat afval van hem. Een flesje bier, een mondkapje en glimmend plastic.
De man werd overgeplaatst naar de noodopvang aan de andere kant van de stad. ‘Maar hij gaat het niet volhouden daar, teveel prikkels.’ Wendy zou hem het liefst laten opnemen, ‘maar als iemand geen zorgvraag stelt of bedreiging vormt, gaat dat niet en moet je hem laten gaan.’
Achter op een industrieterrein staan dertig zeecontainers in bonte kleuren. Er wonen twee daklozen per container en er is vijf man bewaking. Er zijn toiletten, douches en er is warm eten te bestellen.
‘Mensen mogen de hele dag in hun container blijven, als ze maar geen ruzie maken,’ zegt Wendy. ‘Je kunt ook weggaan en drugs gebruiken. Hier worden geen urinecontroles gehouden.’
Die dag dat er zoveel sneeuw lag, bezochten we ook de noodopvang. Er draaide een auto stationair bij de ingang met daarop: hete kip op locatie.
Wendy sprak met de bewakers. ‘Er komen straks drie Polen die in Brabant een huis kort en klein geslagen hebben.’ Ook was er een vrouw onderweg die geschorst was in de nachtopvang in Tiel. ‘Ze hebben haar een treinkaartje gegeven, en dat is het. Maar er rijden amper treinen vandaag. Onvoorstelbaar.’
We liepen over het terrein en Wendy zei: ‘Tijdens de eerste coronagolf deed men alsof daklozen niet meer bestonden. De nachtopvang had niet genoeg plek omdat ze de 1,5 meter moesten waarborgen. Daar kozen ze ervoor om de werkbare mensen op te vangen. Dus was je al tien jaar dakloos, verslaafd en misschien ook zwakbegaafd en had je een grote mond of kwam je zo over, dan werd je aan je lot overgelaten. Corona telde zwaarder dan de kou.’
Acht buikoperaties
Diabetes door slechte voeding, hartproblemen, longproblemen en COPD komen veel voor op straat. ‘Een maand op straat kost je gemiddeld een jaar van je leven,’ zegt Wendy.
Elke week maken huisartsen een ronde langs de containers. Ze werken vrijwillig en zijn aangesloten bij de Nederlandse Straatdoktersgroep. Die ochtend in de sneeuw stond er een jongen van wie de wangen zojuist waren gehecht. Hij was met een schep in zijn gezicht geslagen. Hij stak een sigaret op en verbeet de pijn. Een bewaker vroeg hem wat in het Arabisch. ‘Hij heeft geen identiteitsbewijs, dat is kwijt, maar hij is dus niet illegaal,’ vertaalde de bewaker. Er volgde een lang gesprek in het Arabisch.
Naast de reguliere daklozen verblijven er ook uitgeprocedeerde asielzoekers in deze containers.
Er liepen mannen met dunne jassen en ingevallen wangen haastig het terrein op en af. Als je verslaafd bent, verveel je je nooit, volgens mij. Een rokende vrouw met een wilde maar afwezige blik drentelde voor het toiletgebouw en glimlachte naar me alsof ze me wilde verleiden. Een man op slippers hing uit de deur en liet zijn kies zien en vroeg olijk: ‘Komt de dokter zo?’
Met huisarts Peter Brinkman ging ik de warme container van een geblondeerde vrouw binnen. Peter zei zacht: ‘Ik kan alleen hallo en gedag zeggen in het Pools, en vloeken!’ Achterin de container lag een man op bed onder een fleecedekentje met panterprint. Hij trok meteen zijn trui omhoog en liet een gigantisch litteken zien dat kaarsrecht van zijn navel tot in zijn schaamstreek liep.
Er klonk een Unox-stamppotreclame uit de radio en aan de muur hing een plakplaatje van Jezus. Peter bekeek het litteken en drukte op de buik. Toen vroeg hij of de radio even uit mocht om naar de longen te kunnen luisteren. Er was niks mis met zijn luchtwegen, dus de radio ging meteen weer aan.
De vrouw kwam met een pak papier van het ziekenhuis aanzetten voor Peter en begon tegen mij in het Pools te praten. De man had diarree. Al twintig dagen. Vijf à zes keer per dag ‘flatsch’. Peter en de vrouw spraken krakkemikkig Duits.
‘Kein Blut oder Schleim in diarree, flatsch?’ vroeg Peter.
Hij besloot het ziekenhuis te bellen. De man had al acht buikoperaties gehad. Die week kon hij bloedprikken en een arts spreken: ‘Morgen Blut machen in Krankenhaus, oké?’
‘Dobre,’ zei de man en hij bedankte Peter hartelijk.
De helft van de bewoners is Pools, vertelde Wendy. Het zijn Europeanen die aan hun lot worden overgelaten. Ze hadden werk en huisvesting, maar door corona raakten ze dat kwijt.
Losgezongen
Naast de reguliere daklozen verblijven er ook uitgeprocedeerde asielzoekers in deze containers. Ze moeten Nederland verlaten en het land van herkomst wil ze niet terug, ‘al helemaal niet als ze een delict hebben gepleegd. Maar ze krijgen dus geen huis, baan, verzekering, wat dan ook. Dus hoe houd je jezelf in leven? Waar ga je wonen? Zeg het maar.’
Tussen wal en schip. Alweer op drift. Gevangen in de illegaliteit. Zo ziet uitzichtloosheid er dus uit in dit land: het parkeerterrein van een sporthal op een industrieterrein.
Maar er viel die dag in februari ook genoeg te lachen daar.
Peter is geen tandarts, maar keek wel even in een mond van een uiterst vrolijke man op slippers. Hij schreef een doorverwijsbriefje en vroeg de man: ‘Wat heb je daar voor lekkers?’ Hij doelde op de fles op het aanrecht. ‘Neem maar een slokje,’ zei de man lachend. ‘Dat is olijfolie. Drinken mag hier niet, hè, dokter, dat doen we bij de bushalte.’
Wendy had iemand van de GGD voor de man aan de lijn. Hij pakte de telefoon aan en brulde alsof hij de afstand met zijn stem moest overbruggen: ‘Ik begin me weer levend te voelen nu die verdovingen zijn uitgewerkt, maar nu komt de pijn terug.’ Als bijwerking van de medicijnen had hij al dagen trillende benen.
Het was alsof het telefoongesprek op zijn darmen sloeg. Hij gaf de telefoon terug aan Wendy en riep: ‘Ik moet naar het toilet. Ik heb diarree, ik heb alles.’ Hij zei het zo vrolijk alsof hij de loterij had gewonnen. Wendy vertelde me later dat hij medicatie slikt om psychoses te onderdrukken. De man leek mij niet op een gevaarlijke manier losgezongen van onze werkelijkheid. Misschien viel alles wel mee na zijn leven in een asielzoekerscentrum, gevangenis en op straat, en was dit het winnende noodlot.
Terug naar het bos
In de laatste container zaten twee verloren zielen, twee broers die de avond ervoor het bos waar ze sliepen hadden verlaten. Toen de oudste sprak, keek de jongste naar de grond. ‘De kachel deed het niet, gisteravond, en hij slaapt onder beslapen dekens van een voorganger. Eten gaat ook niet, want ik kan mijn kunstgebit niet indoen met vieze handen.’
Zijn lip begon te trillen, en verdomd, hij sprak zonder tanden. De man ademende diep in en zei: ‘Als er vandaag niks gebeurt, dan rij ik terug naar het bos en dan loopt het anders af. Dan zit hij hier vanavond alleen.’
‘Wat bedoel je precies?’ vroeg Wendy.
‘Dan knoop ik me eigen op. Dit gekloot begon al in 2014, met junks en alcoholisten als buren, we zijn gewoon gebruikt en weggepest.’
De man vertelde dat ze al maanden werkloos waren. Ze waren timmerman, maar nu het koud was, kon niemand ze gebruiken. De jongste broer keek op en zei: ‘Je kunt solliciteren en bellen tot je abonnement verbruikt is. Nu zijn we afgesloten.’
De oudste vertelde dat hij COPD en darmkanker had. ‘Het is allemaal nog heel gevoelig in mijn buik.’ Hij wilde liever niet naar het toilet of douchen. ‘Dan klap ik onderuit, zo koud is het daar. U gaat hier toch ook niet op het toilet zitten, mevrouw?’
Wendy zei niks over het toilet, maar vroeg hoe de situatie in het bos was. Daar mochten ze gebruik maken van het toiletgebouw op een camping. Maar toen het ging vriezen, sloten ze het water af.
‘Misschien is het goed dat jullie eerst een paar dagen tot rust komen. Het is hier warm en veilig,’ zei Peter.
‘Dit is een noodopvang,’ vulde Wendy rustig aan. ‘Zodat mensen niet buiten liggen. Het is misschien wat primitief, maar toch. Vanuit hier kun je doorstromen naar beter. Al zeg ik er wel bij dat je een beetje geduld zult moeten hebben.’
De man wreef aan zijn neus: ‘Ik snap wel dat jullie niet kunnen toveren.’ Misschien went het uitblijven van wonderen ook.
In flessen plassen
We stapten in de politiebus en reden terug naar de stad. Ik zei tegen Wendy dat ze zich ‘de pis niet lauw liet maken’ door zo’n man die zegt zich te gaan verhangen. Wendy begon te lachen en Jan zong met een vet Brabants accent: ‘Ze maken mij de pis nie lauw.’ Zoals Theo Maassen dat eens deed.
‘Nee, dat heeft weinig zin,’ zei Wendy serieuzer. ‘Maar als hij zich vanavond ophangt in het bos, moet ik wel mijn inschatting uitleggen, dat hij in mijn ogen geen gevaar vormde voor zichzelf.’
Wendy was blij met wat er allemaal probleemloos bleek te kunnen qua opvang in tijden van crisis. Maar deze sneeuw ging smelten, en deze opvang was maar tot april open. Daarna waren al deze mensen weer dakloos.
‘Je ziet mensen echt opknappen als ze een eigen plek hebben,’ zei Jan. ‘Een dak boven je hoofd, daar begint het wel mee, hoor. Zelfs bij die gekke man die in de polder ligt. Als je hem echt vraagt: wat wil je? Dan is dat huisje-boompje-beestje. Mensen zeggen vaak: hadden ze maar niet moeten gaan gebruiken. Ze vragen er om of kiezen er zelf voor. Maar niemand doet dit voor z’n lol.’
Bij een stoplicht zei Jan verrukt: ‘Kijk, dat is onze Henk! Hij woonde eerst in een hol in het bos, nu in een caravan zonder stroom of water. Twee keer per jaar wordt de caravan schoongemaakt en halen ze er 150 kilo vuilnis uit. Theezakjes, plas in flessen. Dat doen wel meer daklozen, in flessen plassen. In de winter om zich warm te houden als een kruik. Anderen bewaren het omdat ze vermoeden dat het ooit nog onderzocht moet worden.’
Jan opende zijn raam en riep en zwaaide naar Henk. Een verwilderde oude man met een grote grijze baard keek plots vrolijk op en Jan zei: ‘Daar doe je het voor.’
Geen schatjes
Het is lente en ik ben weer in Nijmegen. De broers zijn weer terug naar het bos en de Poolse man heeft geen diarree meer. Vandaag gaan we niet naar de noodopvang, maar de straat op. Dit is de dagelijkse realiteit waar Wendy het over had, denk ik. We zoeken naar buitenslapers. Jan rijdt en wijst op een braakliggend stuk grond. ‘Daar kunnen toch zeker drie van die containers staan?’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ze straks allemaal ergens in de stad mogen staan. Corona heeft laten zien dat het werkt om mensen zo op te vangen.’
Op een straathoek stopt hij en zegt tegen een man: ‘Goede vakantie gehad?’
‘Ja, ik ben dik geworden,’ lacht hij.
De man heeft in de gevangenis gezeten. Dat kwam eigenlijk wel goed uit, midden in de winter. Er staat tien pakken melk op zijn bagagedrager, daardoor kan hij zijn fiets moeilijk recht houden.
Op een luchtrooster van het casino, onder een afdakje van de bibliotheek, liggen normaal altijd mensen, maar vandaag niet. In een trapgat van een parkeergarage ruikt het naar urine en crack en zegt Wendy: ‘Ik denk dat onze Poolse vrienden er wel zijn.’
‘Het is vervelend als je hier parkeert en uitstapt in de mensenpoep,’ zegt Jan.
Uit een berg pastelkleurige dekens komen twee versufte hoofden tevoorschijn, als kuikens uit een ei. ‘Goedemorgen, jullie weten wat de bedoeling is,’ zegt Wendy. Er klinkt wat begrijpend gemompel.
Bijna dagelijks worden ze gewekt. Jan zegt dat het geen zin heeft om ze een boete te geven. ‘Die betalen ze toch niet. Ze zien er lief uit, maar het zijn geen schatjes, hoor. Ze plegen diefstallen om hun verslaving te bekostigen. Dure hobby.’
Als we weer in de politiebus zitten, zegt Wendy dat de vrouw ooit zwanger was en ze hebben geprobeerd haar op te vangen. De hang naar drugs was sterker dan het willen of kunnen zorgen voor het kind. ‘Ze is bevallen en het kind is naar een pleeggezin gegaan.’
Hoeveel rechten en vrijheid heb je als mens nodig om wel een kind te verwekken en niet te verzorgen? Die vraag lijkt me te complex om op te lossen in een parkeergarage. Jan start de bus, weet het ook niet maar zegt wel: ‘In de buurten waar ik vroeger werkte, heb ik geleerd dat je onder begeleiding, verslaafd en met een laag IQ, best een kind groot kunt brengen. Er ontstaat ook gruwelijk veel verdriet doordat kinderen worden weggehaald.’
Link met de realiteit
We rijden naar een bos. In de verte staat nauwelijks zichtbaar een tentje. Wendy vraagt of ik in de politiebus wil wachten, op sommige dagen is alles te veel voor deze man. Er loopt een mountainbike-route vlak langs de plek waar hij woont. Een mountainbiker komt traag voorbij en hijgt alsof hij snel zijn laatste adem uit zal blazen.
Het duurt even voor ik wordt gewenkt. Van een afstand hoor ik Wendy al lachen in het stille bos. De man zit gehurkt in zijn voortent, gebogen over een gaspitje, en kiest zijn woorden zorgvuldig. Hij zegt dat hij geen vlees- maar een bloedlul heeft: ‘Niemand heeft zo’n grote als ik. Ook de schoffies willen gepakt worden door papa.’ Dan gaat zijn betoog naadloos over in het levensverhaal van Franciscus van Assisi, die in 1228 heilig werd verklaard. Na een uitbundig leven van feesten en drank werd hij een kluizenaar. Franciscus wilde de allerarmste zijn en deelde zijn bij elkaar gebedelde voedsel met mensen die nog minder hadden.
En dan: ‘Gun mij m’n rust, Jan. Je hoeft je geen zorgen te maken. Ieder bezoek, hoe goed bedoeld ook, triggert mijn trauma. Ik kom wel naar het politiebureau voor een dialoog en koffie. Zolang er één winnaar is in deze soap, zullen er alleen maar verliezers zijn. Dan heeft dé entiteit gewonnen en zullen jullie voor eeuwig slaaf zijn. Tederheid en kracht staan in het boek beschreven.’
‘Ik zal je een tijdje met rust laten,’ zegt Jan. ‘Maar ik hou je wel een beetje in de gaten.’
We lopen naar het politiebusje en Jan zegt dat je altijd goed naar mensen moet luisteren en ze serieus moet nemen. ‘Want als je dat niet doet, hebben ze het meteen door. Iemand zegt nooit zomaar wat. Er is altijd een link met de realiteit. Je moet luisteren en eigenlijk horen wat ze niet zeggen.’
Hij heeft zich gisteren ingelezen in Franciscus van Assisi, om te snappen waar deze man het telkens over heeft. ‘De vader van Franciscus dacht dat zijn zoon een dorpsgek was, en probeerde hem met dreiging en verleiding terug te krijgen naar het wereldse leven. Dat doen wij soms ook een beetje, toch, Wendy? Mijn droom is dat hij ooit vrij, maar op een waardige manier woont, en niet in een nat tentje. Ik heb een zwak voor die man.’
Wendy knikt en zegt: ‘Ik ben er nog niet helemaal achter, maar hij heeft het ook vaak over RoXY, die discotheek in Amsterdam, daar heeft hij ook iets mee te maken gehad vroeger. Hij had een wild leven.’
‘Net als Franciscus,’ zegt Jan.
Verwaarlozing
In de bosjes achter een studentenflat staat een schuur waar vroeger hooi voor paarden werd opgeslagen. Tot drie maanden geleden woonde er een jongen. Hij werd verslaafd geboren en is hier dood gevonden door Jan en een collega. Hij is 29 geworden. Het is alsof de jongen net is vertrokken en zo terug kan komen, want er is niks veranderd sindsdien. Er ís ook niks veranderd. ‘Er ligt asbest op het dak en het kost geld om rommel op te ruimen. Dus er gebeurt niks. Ze zeggen weleens: daar wil je nog niet dood gevonden worden. Nou, dit is echt zo’n plek,’ zegt Jan.
Er ligt zoveel troep en dekens, er zou nog zomaar iemand onder kunnen liggen. Jan vraagt of ik een foto wil zien van hoe ze hem aantroffen. Ik knik. De jongen ligt op de grond, met zijn hoofd tussen het vuil, hij heeft blote, verkrampte voeten en handen. We staan op de plek waar hij lag. Zijn schoenen liggen voor me, tussen het afval.
Wendy en Jan hebben de jongen jaren tot zorg proberen te verleiden, maar je kunt niemand dwingen. ‘Misschien was hij wel gedoemd geboren, een vader op afstand en een verslaafde moeder die in de prostitutie werkt. Maar weet dat verwaarlozing echt in alle lagen van de bevolking voorkomt. Bij de een gebruiken de ouders de hele dag, bij de andere zijn ze alleen maar met hun carrière bezig en krijgen de kinderen daarom geen aandacht en liefde.’
‘De GGD heeft een melding gemaakt van zijn overlijden bij de inspectie,’ zegt Wendy, ‘en we gaan deze casus met alle betrokken partijen evalueren. We gaan onderzoeken wat hier gebeurde, wat anders had gekund. Misschien was het wel onvermijdelijk en was dit het hoogst haalbare. De politie of de GGD kunnen de maatschappij niet veranderen.’
Jan is van nature geen onheilsprofeet, maar, zegt hij: ‘Ik ben me er door dit werk heel bewust van geworden dat het zomaar mis kan gaan in ieders leven.’
Babyfoto
De dagelijkse realiteit van Wendy en Jan speelt zich vooral af aan de randen van de stad, maar als we de binnenstad inrijden, beginnen drie daklozen uitbundig te zwaaien naar het politiebusje. Twee pubermeisjes kijken verbaasd naar het tafereel. De mannen hebben doorleefde koppen die meer gewend lijken aan fronsen dan aan lachen, maar niets is minder waar.
Wendy wordt omhelsd door een man met een grote zegelring. Ze informeert hoe het met iedereen is en maakt via haar telefoon meteen wat afspraken voor de mannen bij de GGD en de gemeente.
Een van de mannen vertelt dat het niet gaat op de nachtopvang. Hij is verslaafd aan heroïne. ‘Ik kan me niet aan de regels houden,’ zegt hij eerlijk. ‘En iedere nacht steelt wel iemand wat van me.’
‘Heb je zoveel om te jatten dan?’ vraagt Wendy.
Hij grijnst. ‘Je moest eens weten.’
De tweede zegt trots dat hij net van de heroïne af is en zijn kinderen één keer per maand mag zien.
‘Hoe is het met jou dan, Wendy, is je zoon al groot geworden?’ vraagt de man met de zegelring. Ze laat wat foto’s zien en stuit per ongeluk op een babyfoto van zichzelf. ‘Dit ben ik,’ zegt Wendy tegen de man. Op de foto zit ze bij haar vader op de nek. Verrukt zegt de man: ‘Is dát jouw vader? Hij lijkt wel een Turk, zo zwart is zijn haar!’ Er wordt hard gelachen. Wendy legt een hand op zijn schouder en zegt tegen mij: ‘Dit is de man die ons die Bossche bollen kwam brengen.’ Ze zijn vrienden voor het leven.



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.