Defensie blijft schimmig over de strijd tegen IS. Terwijl we nu ook Syrië gaan bombarderen, is het nog altijd uitermate droevig gesteld met de transparantie en informatievoorziening.

‘Het werk van onze militairen is nooit zonder risico’s en besluiten over hun inzet worden nooit lichtvaardig genomen,’ zei minister van Defensie Jeanine Hennis afgelopen woensdag. Het Nederlandse parlement ging die dag in overgrote meerderheid akkoord met de uitbreiding van de missie met F-16’s van Irak naar Syrië. Daar gaan we ‘aanvoerroutes van Islamitische Staat’ bombarderen, maar mogelijk ook doelen in steden. Troepen die close air support nodig hebben, kunnen eveneens op onze steun rekenen.

Sinds oktober 2015 bombarderen Nederlandse F-16’s doelen van Islamitische Staat (IS) in Irak. Over die bombardementen is weinig bekend. De afgelopen vier maanden werden 1.700 missies uitgevoerd, waarbij 1.300 keer ‘een wapen is gebruikt’ volgens Defensie. Maar waar die bommen zijn neergekomen, of er doelen zijn geraakt, of er doden of gewonden zijn gevallen? We weten het niet.

Defensie verstuurt weliswaar wekelijks rapporten over de bombardementen, maar daarin staan geen data of locaties. In het recentste rapport – van de week van 25 tot 31 januari – staat dat ‘ongeveer tien missies’ zijn uitgevoerd, waarbij ‘doelen’ werden gebombardeerd. Nadere informatie ontbreekt. Bij ‘andere missies’ (welke andere missies?) zouden gevechtsposities, militaire middelen en strategische doelen van de terreurorganisatie IS zijn aangevallen. Bedoelt Defensie hiermee dat de vliegtuigen vaker zijn ingezet? Dat blijft onduidelijk. Nederland stelt zich op het standpunt dat tot nu toe bij de bombardementen bij twee incidenten mogelijk burgerslachtoffers zijn gevallen. Of dat klopt, is niet te verifiëren.

Bahrein van Europa

Toen Nederland aan de missie begon, was het heel gebruikelijk dat het Central Command (Centcom), het door de Amerikanen geleide hoofdkwartier van de coalitie tegen IS, missieberichten naar buiten bracht waarin landen met name werden genoemd. Tot twee weken nadat Nederland zich bij de coalitie had gevoegd, bleef dat zo, daarna is volgens het Britse journalistieke onderzoekscollectief Airwars op verzoek van een ‘niet met name genoemde bondgenoot’ besloten landen niet langer te noemen, dat wordt nu aan de landen zelf overgelaten. Nederland is sinds juni 2015 in zijn eigen persbriefings gestopt met het noemen van het aantal bommen dat wekelijks wordt afgeworpen en meldt alleen nog het aantal vluchten. Een land als Canada geeft standaard datum en locatie van de bombardementen door en de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten geven ook vaker en meer informatie dan Nederland.

In de aanloop naar het Kamerdebat van afgelopen week kwam Airwars regelmatig in het nieuws. De organisatie houdt bij waar en wanneer in Syrië en Irak bommen worden afgeworpen door vliegtuigen van de coalitie. Tegenover verschillende Nederlandse media, waaronder Vrij Nederland, hekelde voormalig BBC-journalist en leider van het project Chris Woods de afgelopen weken de rol van Nederland. ‘Jullie zijn het Bahrein van Europa. Dat land geeft helemaal geen informatie, Nederland zit daar niet ver vanaf.’

De Nederlandse regering stelt dat het geven van meer informatie IS in de kaart speelt, maar ook dat moet worden voorkomen dat hier te lande aanslagen worden gepleegd door jihadistische cellen. ‘De Amerikanen zijn opener over hun luchtaanvallen omdat ze de effectiviteit van hun campagne willen aantonen,’ zegt Matthew Henman van het militaire tijdschrift Jane’s. ‘Bij jullie bestaat grote zorg over de binnenlandse veiligheid en wil men voorkomen dat er aanleiding ontstaat voor aanslagen zoals die in Parijs.’

In de artikel 100-brief waarin de noodzaak van de uitbreiding van de missie wordt onderbouwd, stelt de regering inderdaad dat bombardementen in Syrië de ‘dreiging tegen Nederland en Nederlandse belangen in het buitenland kunnen verhogen’. De bombardementen zouden bij in Nederland woonachtige aanhangers van de jihadistische beweging ‘heftige reacties kunnen oproepen’. Ook zouden ronselaars en (ex)-strijders luchtaanvallen kunnen uitbuiten door ‘gevoelens van frustratie aan te wakkeren en personen over te halen zich van de Nederlandse samenleving af te keren.’

Maar is de ingezette lijn wel verstandig? Wél bombarderen en geen informatie verstrekken zal de woede en frustratie in islamitische kringen in Nederland juist eerder doen toe- dan afnemen, voorspelt bijvoorbeeld Khalil Aitblal, consultant op het gebied van radicalisering die verschillende Amsterdamse stadsdelen de afgelopen tijd bijstond. ‘IS wrijft in haar handen bij deze propaganda-mogelijkheid,’ zegt hij. ‘Mensen kijken naar videofilmpjes, zien dagelijks beelden van platgebombardeerde scholen en huizen, zien burgerslachtoffers. Bewijs maar eens dat IS het bij het verkeerde eind heeft.’ Aitblal noemt het een ‘vicieuze cirkel’ waarin we met zijn allen aan het belanden zijn: meer aanslagen in Europa, meer gruwelijkheden in Syrië, meer coalitiebommen, waarop weer mensen radicaliseren, veel geheimzinnigheid en daardoor veel mogelijkheden voor IS om propaganda te bedrijven, waardoor er weer meer aanslagen komen.

Ook directeur Jan Gruiters van vredesorganisatie Pax stelt vragen bij de enorme hang naar geslotenheid bij Defensie. ‘Je kan een hoop onrust wegnemen juist door eerlijk te communiceren over hoe zorgvuldig de coalitie probeert te zijn, maar ook eerlijk te zijn als het mis gaat en uit te leggen wat er is gebeurd,’ zegt hij. ‘Vergeleken met de Russische en de Syrische luchtmacht is de coalitie zoveel voorzichter, laat dat dan ook zien.’

Dat pleidooi hield Gruiters afgelopen week ook in de Tweede Kamer tijdens een expert-bijeenkomst. Volgens Gruiters kan het door Nederland steeds weer benadrukte gevaar voor de binnenlandse veiligheid worden ondervangen door de informatie over schade of slachtoffers naar buiten te laten brengen door de coalitie, zonder een link te leggen met het land dat de fouten heeft gemaakt.’

Al een paar maanden is Gruiters aan het proberen de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken ervan te overtuigen dat er meer openheid moet komen, tot nu toe zonder veel resultaat. Ook pleit hij voor de instelling van een zogeheten Civilian harm tracking cell (CHT-cell) bij de coalitie, dat is een eenheid die moet uitzoeken wat er is gebeurd als het is misgegaan. Zo’n cel was eerder ook actief in Afghanistan tijdens de ISAF-missie. ‘Toen Nederland een missie uitstuurde naar Mali, pleitten we voor zo’n cel en ook toen we in Irak gingen bombarderen, maar zonder resultaat. Defensie zegt dat het heel moeilijk is om ter plaatse onderzoek te doen nu er geen mensen op de grond zijn. Dat is een vreemd argument, want de coalitie weet wel altijd precies te vertellen hoeveel doden er zijn gevallen en hoeveel schade is aangericht als er een succesvolle actie is geweest tegen IS. Waarom kan dat niet ook als er burgerslachtoffers zijn gevallen?’

Bij succesvolle acties horen we altijd wel hoeven IS-doden er zijn gevallen. Waarom niet als er burgerslachtoffers vallen?

Te rooskleurig

Tijdens het debat in de Tweede Kamer ging het vooral over de vraag hoeveel beperkingen de vliegers van de F-16’s opgelegd krijgen bij hun missies, en dat zijn er tot opluchting van vooral de VVD zo min mogelijk. Door vrijwel alle sprekers werd ‘steun’ en ‘waardering’ uitgesproken voor de vliegers die ‘onze waarden’ verdedigen. Over het idee van Gruiters (dat werd gesteund door Amnesty International) om een Civilian harm tracking cell op te tuigen, werd niet veel meer vernomen. Gruiters begrijpt niet dat Defensie zo terughoudend is als het gaat om die CHT-cel, immers: ‘Burgerslachtoffers ondermijnen het vertrouwen van soennitische gemeenschappen. Dat leidt tot radicalisering en drijft mensen in de armen van IS, en dat is nou precies niet de bedoeling. De afhoudende reactie van Defensie en van de coalitie is onbegrijpelijk inconsistent.’

Minister Jeanine Hennis van Defensie kwam wel terug op de kwestie van de transparantie na vragen hierover van onder meer de PvdA en D66. Nederland doet volgens haar ‘niet veel anders’ dan andere landen, maar tegelijkertijd gaf ze toe dat de Verenigde Staten en Canada ‘af en toe’ meer informatie geven. Dat wil volgens haar niet zeggen ‘dat andere landen dat ook moeten gaan doen’, dat zou ‘bevreemding’ kunnen wekken. Ze kwam vervolgens met het idee dat er ‘intern gekeken’ moet worden hoe een en ander beter kan worden gestroomlijnd om ‘misverstanden te voorkomen’.

D66-Kamerlid Sjoerd Sjoerdsma diende voor de zekerheid maar een motie in waarin de minister werd opgeroepen binnen de coalitie juist te pleiten voor ‘grotere transparantie en betere verantwoording’. Die motie werd aangenomen. Eind februari is er een vergadering van de Commandanten der Strijdkrachten van de coalitie-landen en zal Nederland de kwestie aan de orde brengen, beloofde de minister.

Tijdens de debatten over de uitbreiding van de missie naar Syrië mag dan wel gesproken zijn over transparantie van de missie, twee andere belangrijke onderwerpen kwamen veel minder prominent aan de orde. Het gaat dan over de vragen: op basis van welke informatie worden de bombardementen uitgevoerd en kloppen de berichten over de enorme terreinwinsten die worden geboekt op Islamitische Staat wel? Met andere woorden: kunnen de Nederlandse volksvertegenwoordigers (en de Nederlandse vliegers) wel vertrouwen op de informatie die hun wordt aangereikt?

In Nederland is het nauwelijks opgepikt, maar in de Verenigde Staten was de onthulling dat rapportages aan het Witte Huis over de voortgang in de strijd tegen Islamitische Staat mogelijk veel te rooskleurig zijn voorgesteld, door de geheime diensten groot nieuws. In juli 2015 berichtte The New York Times als eerste over een onderzoek dat door de toezichthouder van het Pentagon (Office of Inspector General) was ingesteld naar mogelijke manipulatie. Later publiceerde online magazine The Daily Beast dat die klachten waren ingediend door vijftig medewerkers van het Central Command. Een aantal van hen beklaagde zich er anoniem over dat hun rapportages door hun meerderen waren aangepast. Senatoren reageerden geschokt. ‘Dit is extreem zorgwekkend,’ zei senator Angus King tijdens een hoorzitting van het Armed Services Committee. In november besteedde The Daily Beast opnieuw aandacht aan deze zaak. Bronnen meldden dat nadat het Office of Inspector General zijn onderzoek begon, een majoor generaal en een hoge ambtenaar e-mails en documenten uit de computersystemen van het Pentagon zouden hebben verwijderd. Er zou sprake zijn van een cover-up. Volgens bronnen die dit keer met The Daily Beast spraken, zou er een ‘giftig klimaat’ heersen op het Centcom. Verscheidene analisten die meegingen in de communis opinio dat operaties goed verliepen, werden beloond, terwijl zij die kritisch waren juist gemarginaliseerd werden. Tot nu toe zijn nog geen formele onderzoeksresultaten naar buiten gebracht.

Wat betekent dit schandaal in wording voor Nederland, dat voor zijn informatie grotendeels, zo niet volledig, afhankelijk is van de Amerikanen? En wat betekent dit voor de parlementariërs die net hebben ingestemd met de missie? Zijn ze wel goed geïnformeerd?

Bommenwerper: Nadere informatie ontbreekt over wat onze F-16’s uitvoeren | Foto: Richard Frigge / Ministerie van Defensie
Burgerdoden

Bovenstaande ging over de mogelijke manipulatie van rapportages die achteraf worden gemaakt over de missie. Uitermate belangrijk, maar misschien nog belangrijker is de betrouwbaarheid van de informatie op basis waarvan de vliegers van de F-16’s hun bommen laten vallen. Nederlandse piloten worden geroemd om hun ervaring en kunde. Ze zijn veelgevraagde vliegers tijdens de missie. De piloten, zo vertellen bronnen aan Vrij Nederland, proberen het zo goed mogelijk te doen en willen zo min mogelijk onnodige schade aanrichten. Daarom proberen ze soms zelfs lager te vliegen om zo dicht mogelijk bij hun doel te komen en de kans op nevenschade te minimaliseren. Maar de crux van het succes van de luchtaanvallen zit ’m in de betrouwbaarheid van de informatie uit het veld. Alleen met goede intel over de vijand kun je de juiste doelen raken. Een klein land als Nederland heeft geen eigen bronnen op de grond, en de Nederlandse generaals die de operaties moeten goedkeuren, baseren zich bij hun afwegingen dan ook op informatie die afkomstig is van de andere coalitiepartners (en vooral van de Verenigde Staten).

In de artikel-100 brief aan de Tweede Kamer en ook tijdens de technische briefing van de Commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp werd steeds de nadruk gelegd op de uiterste precisie waarmee werd gewerkt. Doelen worden weken-, soms maandenlang geobserveerd. Een red card holder ziet toe op de ‘doelselectie’. Zo’n officier is gestationeerd op het hoofdkwartier en kan een rode kaart trekken als hij vindt dat de kans op burgerdoden te groot is of dat een doelwit is gekozen op basis van te magere informatie. De vlieger zelf voert kort voor aanvang van een operatie een combat collateral damage estimate uit, waarin hij ‘zorgvuldig toeziet op de uitvoerbaarheid van de missie’. Maar nog steeds begint en eindigt het met de informatie vanuit het veld. Waar bevindt een commandant van IS zich? Waar is de fabriek waar bommen worden gemaakt? Welk konvooi vervoert gewapende strijders naar het front? Daarvoor heb je betrouwbare ogen en oren op de grond nodig. En daaraan is volgens experts een groot gebrek.

Dat komt allereerst doordat president Obama zijn volk aan het begin van de luchtoperaties verzekerde dat er geen boots on the ground komen. Een ‘Iraq-style war’ was uitgesloten, zei hij. De Amerikanen en hun bondgenoten maken volop gebruik van andere technische hulpmiddelen om dat gebrek aan mensen op de grond goed te maken. In IS-gebied vliegen dag en nacht drones, er worden beelden gemaakt met behulp van satellieten, er worden telefoons van strijders afgeluisterd. Aanwezigheid in het veld lijkt dan minder nodig, maar ideaal is het niet, zegt voormalig CIA-medewerker Patrick Skinner. Hij heeft jarenlange ervaring met counter-terrorismeoperaties in het Midden-Oosten en is nu werkzaam bij The Soufan Group, een denktank op het gebied van strategic intelligence. ‘Al die informatie helpt in elk geval om de doelen beter te selecteren. Maar feit blijft dat nu IS-strijders zich in de steden hebben verschanst, het bijna onmogelijk wordt om geen onschuldige mensen te raken.’

Syrische verzetsgroepen

Om de intel te optimaliseren, maken de coalitiepartners naast drones en satellietbeelden ook gebruik van de informatie van plaatselijke bondgenoten. De Amerikanen werken in Irak samen met het leger dat trouw is aan de regering in Bagdad en in het noorden met Koerdische peshmerga’s. In Syrië heeft de coalitie goede banden met verschillende oppositiegroepen.

Volgens oud-CIA’er Skinner is hét grote probleem bij het selecteren van doelen dat de mensen die de informatie uit het veld moeten leveren, allemaal zo hun eigen belangen hebben, zoals de Iraakse Koerden en het Iraakse leger, die beiden bondgenoten zijn van de VS, maar elkaar wantrouwen en hun eigen agenda hebben. Net als de geheime diensten van bondgenoten Saoedi-Arabië, Israël, Pakistan en Jordanië met wie ook nauw wordt samengewerkt.

De Amerikanen hebben de afgelopen jaren honderden miljoenen gestoken in de opleiding van Syrische verzetsgroepen, maar dat heeft tot nu toe weinig opgeleverd. Veel van de vijfduizend manschappen zijn gedeserteerd, groepen zijn uit elkaar gevallen. De Koerdische pesjmerga’s zijn wel trouwe bondgenoten. Zij worden onder meer opgeleid tot Forward Air Controllers, manschappen die in vijandelijk gebied GPS-apparatuur plaatsen waardoor piloten van coalitievliegtuigen weten wat ze moeten bombarderen. Ook zijn er special forces actief die vanuit Iraaks grondgebied opereren, maar die mochten tot voor kort uitdrukkelijk niet meetrekken met de troepen naar de frontlinies.

Onlangs besloot Obama een tweede groep van vijftig special forces uit te zenden, waarbij het no boots on the ground-principe werd verlaten. De Amerikaanse militairen mogen vanaf nu wél Syrië in voor speciale operaties, onder meer voor het vergaren van informatie over luchtdoelen. Maar het blijft een druppel op een gloeiende plaat vergeleken met Afghanistan, waar de Amerikanen jarenlang duizenden mensen op de grond hadden. ‘Omdat er geen Amerikaanse aanwezigheid is in het oorlogstheater,’ concludeerde het vaktijdschrift Military Times, ‘worstelt de VS met het beantwoorden van basale vragen als het gaat om het verzamelen van informatie, waaronder die over de militaire kracht van IS. De Amerikaanse bombardementen zijn er toe nu toe dan ook niet in geslaagd het kalifaat te ontmantelen.’

In Syrië is de situatie nog veel complexer dan in Irak. Er zijn honderden verschillende elkaar bestrijdende groepen die snel van alliantie wisselen. Dan is het nog lastiger om betrouwbare bondgenoten te vinden. Skinner: ‘In Afghanistan zag je keer op keer dat lokale partijen informatie aanleverden die moest leiden tot aanvallen op hun tribale tegenstanders. In Syrië en Irak zullen de coalitietroepen er alles aan moeten doen om met zoveel concurrerende groepen te voorkomen dat ze worden misleid.’

Massaslachting

Door de afhankelijkheid van al deze verschillende bronnen neemt de kans op ongelukken toe. Op 30 april 2015 ging het vreselijk mis, zo meldde Airwars, toen de Koerden informatie verschaften voor een doelwit. In het dorpje Ber Mahli kwamen 64 burgers om het leven, waaronder 33 kinderen en 19 vrouwen. Het Syrian Observatory for Human Rights sprak van een ‘massaslachting’. Het dodental was volgens ooggetuigen zo hoog omdat burgers na een coalitiebombardement uit hun schuilplaatsen waren gekomen om de gewonden bij te staan en de schade op te nemen, en werden verrast door een herhaalde aanval. Het Amerikaanse centraal commando liet aanvankelijk weten dat er geen slachtoffers waren gevallen, op basis van de informatie van Koerdische eenheden. Later herzagen de Amerikanen hun standpunt en stelden dat er twee burgerslachtoffers waren omgekomen, maar niet meer. Het was de eerste keer sinds het begin van de bombardementen dat Centcom moest toegeven dat er burgerslachtoffers waren.

De Nederlands-Syrische onderzoekster en voormalig BBC-journalist Kinda Haddad van Airwars toonde zich uitermate kritisch: ‘Uit dit incident blijkt zonneklaar dat de informatie die wordt gebruikt bij een operatie niet altijd klopt.’ Haddad verwees naar Canada, dat maar weinig bombardeert en er een dezer dagen helemaal mee ophoudt. Niet omdat ze ‘watjes’ zijn, maar omdat dit land inziet dat het moeilijk is de doelen te bepalen door de complexe situatie op de grond. ‘Het is een erkend probleem: als je zelf niet op de grond aanwezig bent, ben je afhankelijk van anderen, en die zijn niet altijd even betrouwbaar.’

Infographic: Macheld de Vries
Terzijde gelegd

En dan is er de kwestie van de doden die vallen bij bombardementen. Dat kunnen burgers zijn of strijders die behoren tot IS, maar je hebt ook nog een derde categorie: strijders die behoren tot andere groepen dan IS. Dat zijn doelen die bewust zijn geraakt, maar achteraf de verkeerde vijand blijken. Die worden dan niet tot burgerslachtoffers gerekend, terwijl ze dat wel zijn. Je kan dus nog zulke vernuftige bommen hebben, en op basis van geautoriseerde informatie een doel raken, maar dat kan ‘de verkeerde vijand’ zijn. Je spreekt dan van ‘false reporting’. Bij alle discussies over doden die bij de luchtoperatie vallen, wordt dat onderwerp nauwelijks besproken, terwijl dat wel zou moeten.

Centcom bracht cijfers naar buiten over het aantal burgerdoden sinds het begin van de missie in september 2014. De teller zou op 21 slachtoffers staan. Dat zijn aanmerkelijk lagere cijfers dan die van de onderzoekers van Airwars. Zij turfden sinds het begin van de luchtoperaties minstens 880 burgerdoden. Uit een document dat onderzoekers van Airwars in handen kregen, blijkt dat de Amerikanen maar heel beperkt onderzoek doen naar burgerslachtoffers. Bij meldingen willen ze al binnen uiterlijk 48 uur duidelijk hebben wat er is gebeurd. Als de informatie tegenstrijdig blijkt, wordt die terzijde gelegd. ‘Als onderzoeker weet ik dat bewijzen en nadere informatie vaak wat later komen,’ zei Airwars-medewerker Kinda Haddad in september van dit jaar tegen de Australische televisie. ‘Vooral als het gaat om door IS beheerste gebieden is het niet makkelijk om mensen te vinden die kunnen helpen met het vergaren van informatie over burgerslachtoffers.’

Op vragen van de media bleef het Nederlandse ministerie van Defensie tot afgelopen week volhouden dat er sinds het begin van de Nederlandse missie in Irak geen burgerslachtoffers waren gevallen door bommen die door ‘onze’ F-16’s zijn afgeworpen. Maar in de beantwoording van 250 Kamervragen die werden vrijgegeven in de aanloop naar het debat was opeens sprake van twee ‘gevallen’ waarin mogelijk burgerdoden te betreuren zouden zijn. Of die ‘gevallen’ individuele burgers zijn of dat het gaat om twee operaties waarbij meerdere doden zijn gevallen, is onduidelijk. Waar en wanneer de incidenten hebben plaatsgevonden, wil het ministerie – het wordt eentonig – niet zeggen. De zaak is in onderzoek genomen door het Openbaar Ministerie. De Kamer vroeg hoe die onderzoeken ter plaatse worden gedaan, maar daarop geeft de regering in de brief geen antwoord. ‘Om operationele redenen worden geen details vrijgegeven van de afzonderlijke onderzoeken.’

Defensie kan feiten presenteren zoals het wil: IS-gebied is voor journalisten zo goed als ontoegankelijk.

Ontoegankelijk

Een van de twee dossiers zou betrekking kunnen hebben op een operatie op 26 december 2014 in de Iraakse stad Fallujah waarbij twee mogelijke burgerslachtoffers zijn omgekomen bij aanvallen op IS, toen twee mannen op bromfietsen onbedoeld het doelwit werden. Er is een onderzoek uitgevoerd, waarna werd vastgesteld dat er niet bewezen kon wordendat het daadwerkelijk om burgerslachtoffers ging. Dat bracht RTL Nieuws afgelopen september in samenwerking met Airwars naar buiten. Zij baseerden hun informatie op een document dat door het Amerikaanse hoofdkwartier Centimo openbaar moest worden gemaakt op grond van de Amerikaanse Freedom of Information Act. ‘Het is ongelofelijk dat we al zo lang geleden hebben vastgesteld dat er bij een Nederlands bombardement mogelijke burgerslachtoffers zijn gevallen en dat het ministerie van Defensie nooit enige informatie heeft gegeven,’ zegt Woods van Airwars.

Overigens betwijfelt Woods of Nederland überhaupt wel helemaal transparant is over het aantal burgerslachtoffers. Volgens zijn berekeningen viel er tijdens de Afghanistan-oorlog bij elke elf luchtaanvallen gemiddeld één burgerslachtoffer. Nu kun je die berekening niet één op één loslaten op de Nederlandse bombardementen, maar dat er maar zo zelden iets is misgegaan bij de door Defensie opgegeven 1.300 vluchten lijkt statistisch onwaarschijnlijk.

Nederland monopoliseert de informatievoorziening door de weigering doelen bekend te maken. In bijvoorbeeld Uruzgan was dat nog enigszins te ondervangen door er zelf op uit te trekken en te gaan kijken naar de schade die Nederlandse precisiebommen aanrichtten, maar IS-gebied is voor journalisten na alle ontvoeringen zo goed als ontoegankelijk. Dat geeft Defensie alle mogelijkheden om feiten te presenteren zoals het wil.

Afgelopen donderdag was er in Brussel een bijeenkomst van de NAVO. De militaire organisatie onderzoekt de mogelijkheden om zich aan te sluiten bij de coalitie. Minister Hennis zei na afloop dat haast geboden is nu IS de afgelopen tijd zoveel terrein heeft verloren. ‘In Irak en Syrië is nu winst te behalen. We moeten voorkomen dat IS zich herstelt,’ zo citeerde de Volkskrant de minister.

Nederland gaat er in Syrië vol in, zoveel lijkt zeker. Alle reden om de verrichtingen van de F-16’s nauwgezet te volgen.