Feuilleton

e mussen vallen dood van het dak. Betty houdt het nauwelijks uit onder de pannen van haar te warme zolderetage midden in de stad, ’s nachts ligt ze wakker bij het lawaai van een oude ventilator naast haar bed, en als ze hem uitzet, ligt ze wakker van de warmte. Alleen op haar dakterras is het uit te houden, en alleen ’s avonds laat met een koud biertje, dan doet ze haar ogen dicht en luistert naar het gekletter van borden en bestek, naar een onverstaanbare ruzie, naar een kurk die uit een fles plopt, naar mensen die kreunen in een slaapkamer – of is het een pornofilm, denkt Betty, het klinkt als het kreunen in een pornofilm, te nadrukkelijk, te gekunsteld, aan de andere kant: dat is wat vrouwen soms doen, nadrukkelijk kreunen, omdat ze in pornofilms gezien hebben dat vrouwen zo kreunen, als bevestiging, ja, zo, ga door, en mannen denken dat als hun vrouw dat niet doet, zij het niet goed doen. Life imitates art. Nou ja, life imitates porn.

Ze denkt even aan hoe het geklonken moet hebben toen zij en Jonas, in de tent, in de tuin, op net zo’n warme avond, en de buren in de tuinen naast hen, en alle ramen open, en het tentje van de kleine Storm naast die grote tent, en die ene krekel, ze weet zeker dat ze muisstil was, nou ja, één giechel, waarschijnlijk niet goed te horen, niemand kan het gehoord hebben, ze weet het bijna zeker. Niets wees er althans op dat iemand iets gehoord had, de volgende dag, alles bleef zoals het was: zij de blijmoedige nanny, Roos de afwezige moeder, Jonas de moderne survivalvader, Vlinder de kleuter-in-een-fantasiewereld. Alleen die donkere blik van Storm, de blik van de zoon die zijn vader en zijn nanny de maat neemt, die wetende blik, te zwart, te wijs, te dreigend voor zijn zes jaar.

De mussen vallen dood van het dak – niet alleen doordat Storm er af en toe een neerschiet met zijn buks, om daarna het vogeltje aandachtig te observeren (Wat zal hij later worden? Bioloog? Chirurg? Seriemoordenaar?), maar vooral door die zon, die moordende zon, die benauwde lucht die Betty haar huis doet ontvluchten en vaker bij het gezin in Amsterdam-Zuid doet belanden dan nodig is. Hoewel: het is zomervakantie en de kinderen moeten vermaakt, op al die plaatsen waar nog meer oververhitte kinderen met hun oververhitte ouders toeven: pretparken, stadsparken, bioscopen met ­Ver­schrik­kelijke Ikke en airco. Jonas neemt over het algemeen Storm voor zijn rekening, in zijn recente jongens-op-survival-gekte: ze kanoën en doen enge dingen met messen en barbecuen grote stukken rood vlees. Betty ontfermt zich over Vlinder, neemt haar mee naar alle pierebadjes in de stad (te lauw), naar het stadsstrand op het Nemo (te hip), naar het echte strand (te gevaarlijk, volgens Roos, maar wel koeler). Terwijl Roos steeds meer prosecco-afspraken met haar vriendinnen heeft, maakt Betty zich met Vlinder, langzaam gek wordend, alle liedjes van K3 eigen en bestudeert Jonas met dezelfde intensiteit als zijn zoon de ingewanden van een zojuist van het dak geschoten vogeltje. Blij. Met een dode mus.

Er mag geen mus zonder gevolgen van het dak vallen, schreef W.F. Hermans. Maar zijn regel gold voor het schrijven van literatuur waar je niet met losse eindjes mag blijven zitten. En dit is geen roman maar het echte leven, denkt Betty. In het echte leven gebeuren de meeste dingen volstrekt zinloos, vergeefs en zonder gevolgen. En als niemand meer kijkt, gaat alles uit als een nachtkaars. Nelson Mandela wordt ziek, gaat bijna dood, maar toch niet. De kranten melden dat alle mannen in bloemenbroeken gaan lopen, maar op straat zie je alleen maar kreukelige kaki Hema-bermuda’s met polo’s en ruitjeshemden. Drones en internetspionnen bespieden ons van alle kanten, maar niemand kan iets interessants over ons melden. En hoe zou het zijn met Diederik Stapel? Met het Parmalat-schandaal? Met de vrouwenhoed, die volgens de glossy’s jaar na jaar ‘helemaal terug’ is? Nooit meer iets van vernomen.

Zo gaat het ook in Betty’s leven. Hoe zou het met David zijn, en zijn zoon? Sinds ze een jaar geleden zijn deur uit liep, heeft ze nooit meer iets gehoord. Zou haar vriendin Anna haar man Frank nog verdenken van vreemdgaan? Waarschijnlijk niet, anders had ze wel aan de telefoon gehangen. Zouden die opnamen van het kookprogramma Betty’s Bluf ooit nog worden uitgezonden, of blijven ze eeuwig op de plank liggen? En waar is toch die man met het zwart manchester communistenjasje gebleven?

Nachtkaarsen, losse eindjes, zinloze dode mussen.

En nu weer dat woest erotische gefoezel in de tent in de tuin met Jonas. In een oud-Hollandse film had ze de volgende ochtend kotsend boven de lampetkan gehangen (zwanger!), in een Engelse thriller had Roos haar in een steegje met een blunt object de hersens ingeslagen (jaloers!), in een chicklit-pocket was dit de man van haar leven gebleken – of juist de foute man, en de man met het communistenjasje de goeie. Maar nu? Niks. Alsof het niet gebeurd is.

Betty schenkt zichzelf nog maar eens een koud biertje in. Nog even, en het gaat onweren. Dan is iedereen het nationale hitteplan ook weer vergeten.