Feuilleton

Een vioolconcert van Mozart galmt door de kamer. Betty begiet het bonsaiboompje waarmee haar moeder twee weken geleden bij wijze van bloemetje kwam aanzetten (‘Leuk, hè, kind, weer eens wat anders’) met water met een dopje compost. Mest en Mozart, daar houden planten van, heeft ze gelezen, en hoewel Betty mest, Mozart en planten nooit een warm hart heeft toegedragen (en zo’n bonsaiboompje vindt ze eigenlijk een extra enge plant, zo ingetoomd, zo gedresseerd) heeft ze plots in haar hoofd gezet dat ze in staat zou moeten zijn om eens iets met liefde te laten groeien en bloeien. Als ik er maar aandachtig voor zorg, komt het vanzelf goed.

Ze denkt aan Vlinder en Storm, voor wie ze vanaf volgende week niet meer mag zorgen. Ze denkt aan hun ouders, die dat vanaf dan weer zelf willen doen: Jonas gaat zijn jongenskampement in de tuin opdoeken, Roos wil meer thuis zijn voor de kinderen. Ze denkt aan hoe het was: de losgeslagen jongensvader, de afwezige munttheemoeder,...