Feuilleton

Een vioolconcert van Mozart galmt door de kamer. Betty begiet het bonsaiboompje waarmee haar moeder twee weken geleden bij wijze van bloemetje kwam aanzetten (‘Leuk, hè, kind, weer eens wat anders’) met water met een dopje compost. Mest en Mozart, daar houden planten van, heeft ze gelezen, en hoewel Betty mest, Mozart en planten nooit een warm hart heeft toegedragen (en zo’n bonsaiboompje vindt ze eigenlijk een extra enge plant, zo ingetoomd, zo gedresseerd) heeft ze plots in haar hoofd gezet dat ze in staat zou moeten zijn om eens iets met liefde te laten groeien en bloeien. Als ik er maar aandachtig voor zorg, komt het vanzelf goed.

Ze denkt aan Vlinder en Storm, voor wie ze vanaf volgende week niet meer mag zorgen. Ze denkt aan hun ouders, die dat vanaf dan weer zelf willen doen: Jonas gaat zijn jongenskampement in de tuin opdoeken, Roos wil meer thuis zijn voor de kinderen. Ze denkt aan hoe het was: de losgeslagen jongensvader, de afwezige munttheemoeder, het intelligente zoontje met kil-berekenende trekjes, de kleuterdochter die nog niet besmet is met het Amsterdam-Zuid-cynisme. Volgende week gaan ze met vakantie. Betty mag niet mee. En als ze terugkomen, werkt ze er niet meer als kindermeisje, en zijn ze op zichzelf aangewezen. Ze voelt zich onmachtig, als een VN-lid dat een land in oorlog in de steek laat.

Ze heeft, op het schrijven van haar culirubriek in de krant na, niet veel beters te doen dan Mozart draaien voor een bonsaiboompje.

Betty hoort het de man met het communistenjasje nog zeggen: ‘Als je toch niks beters te doen hebt, kun je nog mee naar Parijs.’

Waarom zei ze nee? Ze had toen natuurlijk nog het idee dat ze iets beters te doen had: een klein meisje behoeden voor de desinteresse van haar ouders. Dat Vlinder haar moeder enthousiast in de armen zou kunnen vliegen, dat Jonas ook nog leuke dingen met zijn dochter zou kunnen doen, dat paste niet meer in haar hoofd. Maar ze was toch ooit aan dit baantje begonnen omdat ze niks beters te doen had, niet omdat ze reddingsfantasieën koesterde?

Goedbeschouwd heeft ze allerlei dingen in haar leven gedaan omdat ze niks beters te doen had. Kunstgeschiedenis studeren? De minst erge studie. Een kookrubriek? Een bevriende journalist had eens lekker bij haar gegeten en vroeg haar iets te schrijven en ach… Haar eerste vriendje? Hij deed zo z’n best, en zij was gevleid, en ach… Het tweede, het derde, het vierde vriendje: ach… En Wouter, nu haar ex en object van wraakgevoelens, spijt en haar leeglopende bankrekening? Toen hij haar ten huwelijk vroeg, was ze net afgestudeerd. Ze miste het gezelschap van vage vrienden en studiegenoten. En toen was er ook nog een lekkage in haar huis en ze had geen zin om daarover te bakkeleien met de huisbaas. Dat was het wel zo’n beetje: een bul, een lekkage, een kort moment van angstaanjagende eenzaamheid waar snel en radicaal een eind aan moest worden gemaakt, en dus zei ze ja. Het huwelijksfeest, de jurk, de speeches, alles had de belofte van een nieuw begin geademd, iets wonderbaarlijks dat hun relatie zou uittillen boven weer gewoon-een-vriendje. Maar Wouter wás eigenlijk gewoon een vriendje, waar ze te lang aan bleef hangen omdat ze er toevallig mee getrouwd was en, nou ja, niets beters te doen had.

Tien jaar waren ze getrouwd geweest. Hij was fotograaf en droomde van het maken van een film. Zij was kunsthistorica en droomde van schrijven. Hij een blockbuster voor zijn vijftigste, zij een roman voor haar veertigste: het leek nog of ze een eeuwigheid de tijd hadden en alles kon lukken. Maar hij schreef steeds bloedelozere scenario’s, en zij horoscopen voor damesbladen en de rubriek ‘In bad met Betty’ (interviews met bekende Nederlandse mannen) voor een mannenblad om de huur te betalen – het heeft haar jaren gekost voordat een bad nemen niet meer voelde als werk. Het huwelijk eindigde met een kast vol afgewezen subsidieaanvragen en een bloedrode bankrekening. Toen ze eindelijk de moed bij elkaar had geraapt om te scheiden, bleek dat ze Wouter nog twaalf jaar moest onderhouden.

En nu? Nog even en ze is van die alimentatie af. Dat moet genoeg zijn om een nieuw zwart gat te voorkomen nu ze ook al geen nanny meer is. Maar ze zal toch nieuwe plannen moeten maken. En Betty houdt niet van plannen maken.

Ineens laat het bonsaiboompje de helft van z’n blaadjes vallen, een te haastige striptease. Misschien krijgt-ie te veel mest, denkt Betty. Iemand heeft eindeloos al die takjes en blaadjes zitten afknijpen om dit boompje sierlijk en klein te houden, en dan verpest ik het met te weinig liefde. Moedeloos veegt ze met haar hand de blaadjes bij elkaar. Of te veel liefde. Ze overweegt het hele boompje weg te flikkeren. Of te veel Mozart. Waarom hebben planten ook zo’n slechte muzieksmaak?

Niet halsoverkop naar Parijs gaan, bedenkt ze, was eigenlijk heel daadkrachtig. Ja zeggen tegen een man omdat ik niks beters te doen heb, daar komen maar brokken van. Ze recht haar schouders. Voortaan gaat ze de dingen doen niet omdat ze niks beters te doen heeft, maar omdat ze dat graag wil.

Nou alleen nog even bedenken wat ze graag wil.