Feuilleton

Hoe onschuldig is het spel van een vierjarige? Betty kijkt vertederd toe. Naast haar struikelt Vlinder bijna over de blauwe beddensprei waarin ze haar mollige lijfje heeft gewikkeld: ‘En dan was ik Máxima en jij Willem-Alexander, neehee, jij moet naast mij staan, en dan… en dan kwam prinses Amalia en dan zei jij…’

Vlinder doet wat ze het liefste doet: alsof. Vlinder is het liefst geen Vlinder, maar Máxima, of Amalia, of een passerende zeemeermin, of Willem-Alexander, ze glijdt in volle overgave van het ene lichaam in het andere, ouder en jonger wordend, mooier en lelijker, genderbendend of het niks is.

Het is meivakantie en Betty is alleen in huis met Vlinder. Jonas is met Storm op een lang vader-zoon-weekend. ‘Ik wil tijd investeren in onze relatie,’ heeft hij gezegd. ‘Onze mannenenergie ervaren, dat oergevoel weer krijgen.’ Ze gaan vuurtjes stoken, vlotten en hutten bouwen en dingen doen met zakmessen en touw, de woorden ‘stoer’ en ‘avontuur’ zijn veelvuldig gevallen. Tegen Betty riep Roos vanmorgen: ‘Gaan jullie maar leuk meisjesdingen doen’, en weg was ze, muntthee en witte wijn drinken met haar vriendinnen, of iemand spiritueel coachen, of naar een bijscholing mindfulness, godmagwetenwat, Betty houdt het niet bij.

Aan Betty de taak om zich met Vlinder te vergapen aan de foto’s van de kroning in de speciale roddelbladenedities die ze heeft gekocht, om een diadeem van karton te knutselen, om mee te dromen over de sound-of-music-jurkjes van de prinsesjes (Amalia, Alexia en Ariane zagen eruit alsof ze elk moment konden uitbarsten in ‘Doe, a deer, a female deer’. Zou Máxima die jurken tot diep in de nacht hebben zitten naaien uit oude gordijnen van Villa Eikenhorst?).

Meisjesdingen. Zoete, onschuldige meisjesdingen.

Aan Betty de taak om niets te laten merken als ze in Vlinders kamer onderin de verkleedkist negen borrelworstjes en een halve roze koek vindt, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig uit de geheime voorraad in Roos’ kamer. Heeft ze die gekregen? Gepikt?

Aan Betty de taak om te doen of Storm gewoon heel toevallig nu door zijn vader op een mannentripje is meegenomen. Of te negeren dat ‘tijd investeren in onze relatie’ alleen gebeurt tussen vader en zoon, en tussen nanny en dochter.

Aan Betty de taak om te doen of er niks aan de hand is.

Natuurlijk was Storm onschuldig. Een kind van zes is altijd onschuldig, toch?

Toen vorige week die geur van smeltend plastic uit de keuken was opgestegen terwijl Jonas zijn iPhone zocht, toen tot Betty doordrong dat ze net aan hem had uitgelegd (waarom? Omdat hij het vroeg) hoe je een snelkookpanbom maakt, met ‘iets met veel schroeven erin en een mobiele telefoon’, toen ze de fallacy of misplaced concreteness had gezien en naar de keuken was gerend en het gas had uitgedraaid, toen ze besefte wat Storm had willen doen (Waarom? Gewoon nieuwsgierigheid. Toch?), toen ze Jonas, vechtend tegen zijn woede om z’n verwoeste telefoon maar zich wanhopig vastklauwend in zijn anti-autoritaire opvoedingsidealen, had gekalmeerd, toen Jonas tenslotte uitbracht: ‘Niet tegen Roos zeggen’ en Vlinder mechanisch had herhaald: ‘Niet tegen mama zeggen’, toen Jonas had gezegd: ‘Ik los dit op mijn manier op’, toen had ze het weer even gezien, een flits in Storms ogen, de reden waarom Storm Storm heet ook al lijkt hij van buiten te kalm, te bedachtzaam voor zijn naam. Ergens in zijn hoofd stormt het. Daar sluimert iets dat we tegenwoordig liever niet in kinderen zien: schuld zonder schuldbesef, berekening, kwaadwilligheid.

Een eeuw geleden had zo’n geintje die jongen een flink pak slaag opgeleverd, in de middeleeuwen hadden ze in hem een duivelskind gezien, denkt Betty. Uit die blauwe en roze kinderkamers in dit huis, uit de overdaad aan veiligheidshekjes die hen moeten behoeden voor het kwaad, uit de bewondering voor elke tekening die ze maken, voor elk woord dat ze spreken, uit de planken vol kinderboeken en kinder-dvd’s, het speciale speelgoed, de vakanties die afgestemd zijn op hun wensen, de duizenden foto’s van elk idyllisch moment, het kindereten, de kindertaal, dat hele gecultiveerde kinderparadijs spreekt het geloof in de onschuld van het kind, en de verbeten verwachting dat die onschuld zo lang mogelijk blijft. Omdat de ouders hun onschuld reeds lang geleden hebben verloren, en hun kinderen de taak hebben om dat goed te maken. Maar wat zit ze nou allemaal te denken. Nee, natuurlijk was Storm onschuldig. Een kind. Nog lang niet volwassen.

Betty kijkt naar Vlinder. Ze lijkt nog zo onbedorven, maar oefent al op de smartelijke blik van Máxima, ze hamstert borrelworstjes, ze weet al dat haar ouders geheimen voor elkaar hebben. En Storm speelt nu met vuur onder toezicht van zijn vader, opdat hij het niet meer ongecontroleerd thuis zal doen, alsof je toezicht kunt houden op een storm.

Aan Betty de taak om de resterende onschuld van dit gezin te hoeden.