Feuilleton

Als Betty zichzelf met de sleutel in het huis van Jonas en Roos heeft binnengelaten, klaar voor een lange middag op Vlinder passen (en het onvermijdelijke blijf-je-eten-en-o-kun-je-dan-meteen-even-zelf-koken erna – waar ze overigens nooit bezwaar tegen heeft, ze heeft toch niks beters te doen) hoort ze opgewonden stemmen in de tuin.

Hee. Zijn Jonas en Storm nu al thuis van hun vader-zoon-uitje?

‘Uit de weg. Hier moet het grondzeil!’ Jonas, met luide stem.

‘Jonas!’ Roos, net niet meer beheerst.

‘Luister, het is jouw schuld dat we zo vroeg thuis zijn. Laat ons nou even hier ons ding doen. Opzij! Storm, pak die haring.’

‘Ik was gewoon bezorgd.’

‘Nergens voor nodig. Echte mannen kunnen voor zichzelf zorgen.’

‘Ik kwam jullie gewoon een telefoon brengen.’

‘We waren aan het overleven. We móchten geeneens een telefoon. Als jij wilt dat we een beetje mindful in de bossen naar ons oergevoel zoeken, moet je niet met een telefoon een mannenkamp binnendringen.’

‘Storm moet echt een mobieltje, Jonas. Hij is zes. Stel dat er iets gebeurt! Ik moet jullie toch kunnen bereiken?’

‘Er was een tijd dat niet iedereen constant met elkaar in verbinding hoefde te staan, weet je.’

‘Er was een tijd dat er geen vaders met zonen in het bos verdwenen.’

‘Jezus! Wat is dit? Vertrouw je me soms niet?’

‘Al heel lang niet meer. Je weet precies sinds wanneer.’

Jonas valt stil. Betty ziet ze door het huiskamerraam zwijgend tegenover elkaar staan voor het enigszins knullig opgezette legertentje dat midden in de tuin is neergezet. Storm komt in beeld, sjouwend met een pak haardhout van de Intratuin.

‘Pap, gaan we nou het kampvuur maken?’

‘Zometeen, knul. We gaan een T-bonesteak roosteren.’

‘Vlees? Jonas, sinds wanneer eten wij vlees?’

‘Sinds nu. Goed bloederig, vind je lekker, hè, Storm?’

‘Dus je komt niet even binnen om dit door te spreken?’

‘Nee.’

‘In dit gezin spreken wij de dingen uit, Jonas.’

‘Nee. Ik heb me in lange tijd niet zo goed uitgesproken. Nee. Nee, Roos.’

‘Storm, kom je met mama naar binnen? Lekker glaasje appelsap?’

‘Nee!’ Storm kijkt strak naar Betty. Ze ziet Jonas en Roos even schrikken van haar aanwezigheid.

‘Ha Betty,’ zegt Jonas, ‘ga jij met Vlinder iets gezelligs doen? Wij mannen moeten hier even een potje overleven.’

O verleven, denkt Betty, dat doen mensen in Syrië of Congo of Bangladesh. Hier probeert alleen een staatssecretaris te overleven. Een korenwolf. Een kunstenaar zonder subsidie. En op vader-zoonweekends kun je georganiseerd survivallen, als attractie. Ze loopt de trap op naar het slaapkamertje van Vlinder. Die staat voor het raam met open mond te kijken naar het mannenkamp in de tuin. ‘Gaan we met papa en Storm spelen in de tent?’ vraagt ze.

‘Nee, de jongens willen met elkaar spelen. Jongensdingen doen.’

‘Ik wil ook jongensdingen doen.’

Don’t we all. ‘Wij kunnen meisjesdingen doen.’

‘Nee!’ roept Vlinder. Is ze aangestoken door de geur van rebellie daar beneden? Of is dit zo’n moment waarop ze zich ineens herinnert dat ze nog in de peuterpuberteit zit? Storm is daar al uit – de puberteit heeft zich in hem teruggetrokken en sluimert daar, wachtend op een grote sprong als hij twee keer zo oud is als nu. Betty ziet ’m af en toe sluimeren, de bokkige, eenzelvige puber in Storm. Net nog.

‘Weet je wat? Wij gaan onze eigen tent maken, hier in jouw kamer,’ probeert Betty.

‘Nee!’

Roos steekt haar hoofd om de deur. ‘Niks van aantrekken,’ zegt ze. ‘Ze oefent het uiten van emoties.’ Ze loopt door naar haar meditatiekamer. Betty hoort haar het slot opendraaien – ze heeft een reservesleutel, denkt ze, terwijl ze de sleutel die zij heeft ingepikt in haar zak voelt – en de deur weer achter zich op slot doen. ‘Niet storen’, de boodschap is duidelijk. Roos zoekt haar eigen oergevoel. In het beste geval betekent dat: mediterend tot rust komen in haar totaal witte kamer. In het meer waarschijnlijke geval: de witte laden opentrekken en zich volvreten met chips en roze koeken, of die mysterieuze stapel honderdjes tellen om zich veilig te weten.

V linder is eigenlijk de enige met een natuurlijk oergevoel, denkt Betty. Maar hoe lang nog?

‘Kom, Storm, we gaan een buks kopen,’ hoort ze Jonas buiten zeggen. ‘Kunnen we zelf ons wild uit de bomen schieten.’

‘Betty!’ roept Roos vanachter de deur. ‘Jij kookt vanavond, toch?’

‘Ja, hoor,’ wil Betty terugzeggen. Maar tot haar eigen verbazing hoort ze zichzelf roepen: ‘Nee! Geen tijd!’