Wanneer ik Ivo Pogorelich Chopin wil zien spelen moet ik op YouTube eerst een advertentie weg klikken. Wanneer ik iets op de website van The New Republic wil lezen dringt ook eerst een advertentie voor. Ik heb daar helemaal geen problemen mee. Wat ik te zien en te lezen krijg is gratis. Er valt dus niets te klagen, integendeel, dat je dit zomaar kunt zien en lezen is al mooi genoeg. De advertentie zie ik nauwelijks. Belaagd door reclame die op mijn individuele smaak is toegespitst word ik niet. Tegen het koor internetsceptici dat lamenteert over de onttovering van de wereld, ben ik geneigd te wijzen op de tover die ons omringt. Hele opera’s, hele toneelstukken, hele symfonieën kun je zomaar voor niets zien.
Dat ik hierdoor tot het ‘digitale proletariaat’ zou behoren, waag ik dan ook te betwijfelen. Over de zegeningen als gevolg van de technische en digitale omwenteling lees ik nauwelijks iets in Het digitale proletariaat van Hans Schnitzler, een essay over de strijd die de gedigitaliseerde mens zou voeren ‘met de internetelite van grootdatabezitters die de hedendaagse productiemiddelen gemonopoliseerd heeft.’ Natuurlijk moeten de imperialistische neigingen van Google, Apple, Facebook en Amazon tegengegaan worden, maar Schnitzler ziet alleen maar hun negatieve kanten.

Schnitzler leunt erg zwaar op de ideeën van de Franse filosoof Bernard Stiegler. Die heeft de mens een ‘techniekwezen’ genoemd omdat hij alles wat hij kan moet leren (hij kan niets van nature). Dat daar veel goeds uit voortgekomen is lees je nauwelijks bij Schnitzler. Hij beschouwt internetgebruikers als mensen zonder wil, ten prooi aan de ‘dataficering’ en ‘algoritmisering’ van het bestaan. Schnitzler vindt alleen maar negatieve woorden voor de digitalisering en reduceert het aandeel van de gebruikers, en wat ze er allemaal mee doen, tot niets. Dat die door de digitalisering enorm veel werk kunnen verzetten, ontdekkingen kunnen doen, op een efficiënte manier boeken kunnen schrijven, gebouwen ontwerpen, les kunnen geven, dat behoort niet tot Schnitzlers horizon. Schnitzler heeft geen aandacht voor wat de digitalisering, op dezelfde manier als indertijd de boekdrukkunst, teweeg brengt aan zinvolle activiteit en aan creativiteit. Schnitzler heeft het alleen maar over het spelende, oppervlakkige en consumentistische gebruik van internet. Hij vergeet het gebruik op alle professionele gebieden, van de medische wetenschap tot de architectuur, van de juristerij tot wereld van de uitgeverij. Er ontstaat daardoor een vertekend beeld, alsof de digitalisering alleen maar iets voor de lol is, en uitsluitend wordt gebruikt om te internetten, te e-mailen en te facebooken. En dan nog. Wat kan het voor kwaad?
Schnitzler schetst ook een onheilspellend beeld van het onderwijs. Dat zou helemaal gekneed worden naar de internetcentristische wetten van Silicon Valley. Alleen maar omdat er scholen zijn die experimenteren met de i-Pad, modelleren de blauwdrukken van het onderwijs ‘zich geheel en al naar de vloeibare, virtuele realiteit’. En: ‘Voor de heilsoldaten van het digifundamentalisme is de vestiging van de digitale heilstaat even onvermijdelijk als noodzakelijk en moet het onderwijs hier dienstbaar aan zijn’.
Er zullen zeker idioten zijn die in een ‘virtuele biotoop’ willen wonen, maar daar zijn ze dan ook idioten voor
Schnitzler is een virtuoos in het bedenken van dik aangezette negatieve typeringen voor wat er allemaal mis is: de internetomgeving is een ‘overvolle leegte’, er wordt van ons een ‘totale betrokkenheid’ verlangd, we zitten in een ‘digitale achtbaan’, de technische vooruitgang gaat hand in hand met ‘dehumanisering’, na de industrialisering van het lichaam in de negentiende eeuw beleven we nu ‘de industrialisering van de geest’, we zijn in ‘onze huidige geknechte conditie welwillende systeemslaven’, de ‘schermmens’ is een ‘afgestompte gebruiker’. Er mag de vestiging van ‘het gedataficeerde Silicon Reich’ niets in de weg gelegd worden. In de ‘virtuele biotoop’ heerst een ‘zachte vorm van tirannie’. Dit is wat men een hyperbolische stijl noemt – daarin wordt flink overdreven.
Het digitale proletariaat van Hans Schnitzler is uitgegeven door De Bezige Bij. U kunt het boek hier bestellen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.