Dwarse personages

Mr. Toad

De meeste dwarse kwast in de literatuur is Mr. Toad in The Wind in the Willows (1908) van Kenneth Grahame. In de Nederlandse vertaling heet hij gewoon Pad. Hij staat dwars op het leventje dat Mol, Das en Rat proberen te leiden: picknicken, beetje varen, lummelen aan de waterkant, zitten bij een warm haardvuur met een plaid op schoot. Mr Toad is een en al egoïstische, emotionele en materiële expansie. Hij is rijk en hij is een snob. Hij heeft alles en wil alles. Hij volgt elke impuls: dure auto’s (al of niet van hemzelf) in de soep rijden, een locomotief opjagen, liegen en bedriegen om zijn hysterische verlangens na te kunnen jagen. Mr. Toad is de klassieke egoïst in een gezelschap van dromers.

Christof Anijs

De hoofdpersonen in de romans van Thomas Rosenboom hebben over het algemeen weinig vrienden, zijn brildragend en houden er eigenaardige hobby’s op na. Kleutertje martelen, bijvoorbeeld. Maar ook katten en bejaarden moeten er aan geloven. Apotheker Christof Anijs uit Publieke werken (1999), de zestig ruim gepasseerd, is ook al zo’n weirdo. Woonachtig te Hoogeveen. Boven zijn stand getrouwd. Geen kinderen. Hij schrijft bovendien zonder doktersrecept medicijnen voor, loopt in een gestolen witte doktersjas en ‘geneest’ behoeftige turfstekers met een spraakgebrek door hun tong open te snijden. Levensgevaarlijk operaties waarbij ook enkele slachtoffers vallen. Voor de eigengereide Anijs niet meer dan collateral dammage. Buikoperaties bij zwangerschappen zijn zijn andere specialiteit. Anijs’ bedoelingen zijn heilig, maar zijn megalomanie kent geen grenzen. Samen met zijn neef Vedder beraamt hij een plan om de armlastige veenwerkers naar Amerika te verschepen. En heeft daarbij geen spat last van zijn geweten. Rosenboom beschrijft de duivelse Anijs in geuren en kleuren.

Japi

De bekendste dwarsligger uit de Nederlandse literatuur is Nescio’s uitvreter (1918). Daarover zijn de meeste mensen het eens. ‘Behalve den man die de Sarphatistraat de mooiste plek in Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ (…) ‘Den uitvreter dien je in je bed vond liggen, als je ’s avonds laat thuiskwam. Den uitvreter, dien je sigaren oprookte (…) en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. (…) Zijn naam was Japi.’ Japi eindigt met zijn tijd te verstaren. ‘Bereiken kon je toch niets.’ En dus is hij op een zomermorgen toen de zon prachtig opkwam van de Waalbrug bij Nijmegen gestapt. ‘Springen kon je het niet noemen.’

Over Nescio’s werk is vrijwel uitsluitend bewonderend geschreven. W.F. Hermans schreef twee stukken over hem, ‘Nescio’s onvolwassenen’ en ‘Nescio’s Nirwana’. Maar die hebben aan de populariteit van Nescio geen afbreuk gedaan.

Pietje Bell

Zoon van een vrolijke schoenmaker en een toegewijde huisvrouw. Geboren in 1914. Leeft op de kaden en straten van Rotterdam. Doet waar hij zin in heeft. Jaagt katten op de kast. Gooit door elk open raam dat hij tegenkomt een kastanje naar binnen. Zegt tegen zijn buurman dat zijn lineaal zo lekker ruikt, en als die dan ruikt, geeft hij er een tik mee tegen diens neus. Meesterlijk!

Steeds weer probeert deze schelm de mensen aan het lachen te maken, maar dat loopt altijd fout af. Zijn grootste vijand: drogist Geelman en zijn zoon Jozef – de ultieme brave Hendrik. Zijn meest beroemde daad: wikkelt een draadje om de wrat van zijn slapende tante Cato, legt er een stevige knoop in en trekt die zo hard mogelijk aan. Opeens vliegt tante met een ruk overeind en schreeuwt alsof ze vermoord wordt. En ziet een touwtje aan haar neus bungelen. Magistraal! Alleen oom Paul kan om zijn guitenstreken lachen. Een belhamel is hij, maar met een hart van goud. Zijn naam is Pietje Bell. Zijn schepper Chris van Abkoude.

Keefman

‘Keefman maakt van zijn hart geen moordkuil. Keefman durft zijn bek open te doen. Keefman weet wat er mis is met die bajeskolonie hier. Daarom mag Keefman niet mee klaverjassen. Daarom mag Keefman geen derde kop koffie.’ In zeven monologen richt psychiatrisch patiënt Keefman, een schepping van Jan Arends, zich tot zijn psychiater, die hij aanspreekt met ‘vriend’. Keefman dramt, zeurt, zuigt en haalt zijn toehoorder het bloed onder de nagels vandaan. Gruwelijk en hartverscheurend tegelijk. Alfred Kossmann omschreef het effect ervan zo: ‘Er is geen ontkomen aan de redeneringen van de patiënt die glashelder van het ene verwijt naar het andere verschuiven. Het is allemaal zo logisch en zo volslagen gek.’ Jan Arends kende die wereld van binnenuit. Maar alleen iemand met zijn talent kon een verhaal schrijven waarin de ik zich geheel wil inzetten voor ‘de psychiatrisch gestoorde mens’. Niet: ‘psychisch gestoorde mens’.

Jan Cremer

Een schelmenroman? Een autobiografie? Hoe je Ik Jan Cremer ook noemt, zelden heeft een debuut zoveel ophef en rumoer veroorzaakt in Nederland. In 1964 denderde de schrijver de vaderlandse letteren binnen. Alleen het omslag al: de auteur op een Harley Davidson 750 cc, wijdbeens, in een flitsende, Amerikaans aandoende uitmonstering. Binnen de kortste keren werden er een kwart miljoen exemplaren van verkocht, ook al werd het boek alom gekraakt omdat het als een aanslag op het burgerlijk fatsoen werd gezien. Ik Jan Cremer is het relaas van de ervaringen die de auteur/hoofdpersoon heeft opgedaan tijdens zijn vele beroepen, omzwervingen en erotische verrichtingen. Fantasie en herinneringen wisselen elkaar af. Het boek barst van geweld, bloed en seks. Iemand heeft geturfd dat het woord ‘naaien’ eenenvijftig maal voorkomt, terwijl er negentien keer wordt geneukt. Onverbloemd opgeschreven. Autobiografisch of niet – met zijn dwarse boek schreef Cremer de bijbel van het generatieconflict in de jaren zestig.

Boorman

Is Boorman, de hoofdfiguur uit Elsschots Lijmen/Het been een gewiekste oplichter, een dwarsligger die zich weet te onttrekken aan de tredmolen van een doorsnee bestaan, of alletwee? Een oplichter is hij zeker. En een dwarsligger is hij ook. Boorman leidt een vrijgevochten bestaan. Waar hij woont en met wie hij getrouwd is en of hij wel eens meehelpt met de afwas komt de lezer niet te weten. Maar hij heeft wel een hart en hij probeert in tweede instantie de weduwe Lauwereyssen de financiële strop van de bestelde honderdduizend exemplaren van Het Wereldtijdschrift te besparen. Op een publieke verkoping doet hij een onwaarschijnlijk bod op de pakken Wereldtijdschriften. Er ontstaat tumult, iemand roept ‘communist’ en hij belandt op het politiebureau. Maar uiteindelijk wint de dwarsligger Boorman het van de dwarskop Lauwereyssen. Zij accepteert zijn Wiedergutmachung. Zonder haar was hij als dwarsligger niet zo mooi uit de verf gekomen.

Professor Spothuyzen

Zeker, het is een betweter, professor Spothuyzen, die in De kapellekensbaan van Louis Paul Boon behoort tot het koor van commentaarstemmen dat Boontje begeleidt, ondersteunt en dwarszit. Zeker, hij denkt met een ‘fijne gremel rond de lippen’ zijn minderwaardigheidscom-plex te maskeren, maar verraadt het er alleen maar mee. Zeker, hij lijdt aan die professorenkwaal dat hij geen oordeel durft te vellen als hij niet eerst honderd dikke boeken heeft gelezen. Maar toch trekken zijn inzichten als weerhaken in Boontjes bewustzijn. Hij deelt een slag aan de schrijver uit met het inzicht dat de openhartigheid in zijn schrifturen het zoveelste masker is dat hij opzet. Spothuyzen is een visionair. Al in 1953 formuleert hij de kritiek op de revolutie van de jaren zestig die nu bon ton is: ‘zij hebben het volk geleerd dat de zedelijkheid en de braafheid slechts teugels waren waarmee men hen in bedwang hield… maar nu het volk die teugels heeft afgeworpen, en steelt en liegt en bedriegt en hoereert en boeleert zoals het vroeger alleen de groten deden… en nu dus de wereld langs de beide kanten naar de kloten is… nu zitten de socialen daar in hun ministerszetel en zijn ze te dom om te zien waarin zij hebben gefaald.’ Alleen al om deze zinnen verdient professor Spothuyzen een plekje in de eregalerij van dwarse personages.

Doorn

Dilettant van professie noemt Doorn zich. De hoofdpersoon uit Bas van Puttens gelijknamige debuutroman (2000) is een geniaal kankeraar. Met vlijmend cynisme trekt hij ten strijde tegen ‘de dictatuur van blije middelmatigheid’. Superieur ontmaskert hij alle ijdelheid, grootspraak en kitsch. Maar god, wat is hij eenzaam. Zijn agressieve aandrang alles kapot te denken vervreemdt hem van alles en iedereen. Als hij zijn zoon een verhaaltje moet vertellen, kan hij niets verzinnen waar hij zelf in gelooft. Doorn is een zielsverwant van al die andere personages die rondlopen in het volstrekt eigenzinnige literaire universum van Bas van Putten, of het nu Johannes Bach uit De evangelist of de naamloze biograaf uit zijn laatste roman Drijfjacht is. Ze hebben een tomeloze aandrang al wat oppervlakkig, klein of onecht is te ontmaskeren, verlangen naar zuiverheid en rijken naar hoger. Om te falen natuurlijk. Geniale afbrekers zijn het. Maar opbouwen, ho maar. Hun nietsontziende en besmettelijke razernij vormt een groot gevaar voor henzelf en voor de lezer.

Lodewijk Stegman

Het klassieke dwarse personage is Lodewijk Stegman, de hoofdpersoon van Ik heb altijd gelijk (1951) van Willem Frederik Hermans. Hij komt met de boot uit Indië en laat zijn frustraties de vrije loop bij de gedachte dat hij in dat verdomde Nederland zijn weg zal moeten vinden. Hij staat, als een verlate puber, dwars op alles en iedereen: hij ergert zich aan Nederland, aan de politiek, aan de moraal, aan zijn ouders, aan de katholieken en de socialisten, en aan zijn brave zuster. Dit alles bij elkaar werkt als een stok die dwars in zijn hoofd staat, zodat zijn gedachten er voortdurend over struikelen. En toch denkt hij in alles gelijk te hebben.

Ferdinand

Ferdinand is het kleine monster in Dood op krediet van Louis Ferdinand Céline. Hij is niet het enige monster in deze roman. Het leven is daarin: elkaar mores leren, fysiek, maar natuurlijk vooral met woorden, want dat is de specialiteit van Céline. Ferdinand wordt in de kleurrijkste bewoordingen

(‘Godskolerekankerendesodelooiendestrontzooi!’) op zijn kop gezeten door zijn ouders, zijn buren, zijn leraren, zijn medeleerlingen. Maar hij vecht terug: als een groep jongens hem te grazen denkt te kunnen nemen, begint zijn bewustzijn te malen: ‘kinderen zijn overal even grote loeders. Zodra je ermee te maken krijgt, moet je ze tegen de grond trappen… En niet slap aanpakken, je brengt ze ’t meteen bij of nooit! Met de harde hand!… En met hard bedoel ik Hard! Anders krijgen ze jou te pakken!… ’t is allemaal één grote rotbende, een smeertroep, en kankerzooi.’ Een dwars personage is niet altijd een sympathiek personage.

Maarten ’t Hart

Van zijn hart zal hij nimmer een moordkuil maken. In het tweede deel van zijn autobiografie bekent hij dat hij ‘een beetje verliefd’ is op Rascha Peper, Carl Friedman en ‘de wantrouwige Marja Brouwers’. Hoe zij zijn affectie beantwoorden, vermeldt Een deerne in lokkend postuur niet. Pas door ‘Maartje’ te zijn wist hij ‘dat schrijnende verlangen naar meisjes’ op te heffen. Zo ziet hij kans aan zichzelf, dat ‘monument van treurigheid en verstardheid’ te ontsnappen.

Anderzijds koestert hij zijn idiosyncrasieën. Zo is hij uitermate trots op zijn vrekkige inborst: ‘Waartoe een dure cd gekocht voor één aria?’ Liever heel lang lopen dan een taxi nemen.

Wat hem overkomt, wordt vanzelf literatuur. Een politieagent die hem berispt omdat hij door rood fietst, slaat hij om de oren met Marcus 2 vers 27.

Maarten ’t Hart: een dwarse, eigenwijze eenling, maar een die in staat is zijn gedrag op papier te relativeren.

Meneer Visser

Signalement: een langwerpig gezicht, druipsnor, indrukwekkende borstels boven zijn ogen (die te klein zijn voor zijn kassen) en een nogal hoekige manier van lopen. Mogen wij voorstellen: meneer Visser uit Meneer Vissers hellevaart van Simon Vestdijk. Met zo’n uiterlijk kun je haast niet anders dan een rotkarakter hebben, en dat heeft Meneer Visser dan ook. Hij trekt zich van niets en niemand wat aan, doet gewoon waar hij zelf zin in heeft. En bovendien is hij een krent. Hij pest zijn vrouw – en schept daar nog over op ook – jaagt mensen de stuipen op het lijf, zit iedereen dwars. Op een nacht droomt meneer Visser dat hij zijn vrouw afslacht, een stuk uit haar bil snijdt en dat in de vorm van een ongeboren kind in haar baarmoeder stopt. Hebben we hier te maken met een doorgewinterde sadist? Een kwelgeest eerste klas? Vestdijk zelf vond het wel meevallen: ‘Dat doet hij toch niet in werkelijkheid. Dat vind ik een groot verschil. Hij vermoordt zijn vrouw niet, al scheelt het niet veel… natuurlijk.’