Op 1 september 1961 trouwden de ouders van Arnon Grunberg in Berlijn, precies 32 jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hun huwelijk was de voortzetting van de oorlog op intieme schaal. ‘Geheimen, oorlog en verraad, gelardeerd met onverwachte tederheid, zorg en hier en daar oprispingen van hartstocht, zo heb ik kennisgemaakt met de liefde.’

1.

Hoe mijn vader uit mijn leven is verdwenen zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen. Hij is doodgegaan, maar dat is niet genoeg. Sommige doden blijven akelig levend, hoewel het woord ‘akelig’ de indruk zou kunnen wekken dat ik het deze doden verwijt dat ze zo levendig blijven. Dat is niet het geval. Ik bedoel akelig meer zoals spoken akelig kunnen zijn. Een vriend van mij zei recentelijk: ‘Ik geloof dat intelligente mensen het zichzelf niet zouden moeten toestaan om in spoken te geloven, maar ik betrap me weleens op zwakheden.’ Het verleden spookt, laten we het daarop houden.

Veelzeggend is dat ik de sterfdatum van mijn vader niet kan onthouden. Was het 24 of 25 november? 1991 of 1992? Het was 24 november 1991. Ik was twintig, mijn vader net geen tachtig.

Wie mijn vader was, heb ik nooit geweten. Hooguit zou ik zijn eigenaardigheden kunnen beschrijven. Een klein flesje parfum dat hij in zijn binnenzak met zich meedroeg en waarmee hij zich met name in de zomer op onregelmatige tijden besprenkelde. Zijn voorkeur voor plastic zakken waarin hij van alles en nog wat droeg. Zijn radio. Lang heb ik gedacht dat deze onkenbaarheid een typische eigenschap van mijn vader was, maar een dag of wat geleden werd ik gebeld door een ex. Ze zei: ‘We hebben vijf jaar een relatie gehad, maar ik weet niet wie je bent. Ik heb geen idee waarmee ik je blij zou kunnen maken en als je dat niet weet, dan weet je niet wie iemand is, toch?’

Mijn antwoord bestond uit een aarzelend uitgesproken ‘misschien’, want ik voelde intuïtief dat ze gelijk had. Hoe intiemer je met de mensen verkeert, hoe onkenbaarder ze worden. Wellicht moet ik dit niet te algemeen maken en is deze eigenaardigheid typerend voor de mannelijke kant van mijn familie. Mijn zus en moeder hebben er geloof ik minder last van.

Net als mijn moeder is mijn vader geboren in Berlijn, maar mijn ouders hebben elkaar na de oorlog in Amsterdam ontmoet. Het verhaal dat mijn moeder vertelde – mijn vader vertelde wel verhalen, maar alleen verzonnen verhalen, ook kon hij uitleggen wat inflatie is en dat zou je ook een verhaal kunnen noemen – ging als volgt: een paar jaar na de oorlog, ik weet niet hoeveel jaar precies, zat mijn overgrootvader, die samen met mijn overgrootmoeder de oorlog in Theresienstadt had overleefd, op een avond op een vuilnisbak te wachten op zijn kleindochter, mijn moeder. (In die tijd waren er nog van die metalen vuilnisbakken, die ik me ook nog uit mijn eigen jeugd herinner.) Het wachten van mijn overgrootvader op zijn kleindochter gebeurde op de Tugelaweg in Amsterdam, waar mijn moeder toen met haar overgrootouders en haar nicht Ruth woonde. (Haar ouders waren vergast. Zijzelf heeft enkele kampen overleefd en daarover een verslag geschreven dat in 2015, na haar dood, is gepubliceerd onder de titel Zolang er nog tranen zijn.)

Ook van deze overgrootvader weet ik niets, behalve dit: dat hij de oorlog overleefde – zijn ene dochter is als gezegd vergast, zijn andere dochter, Rosi, overleefde de oorlog eveneens in Theresienstadt en is boven de honderd geworden in Buenos Aires – en dat hij na de oorlog elke avond op een vuilnisbak in Amsterdam op zijn kleindochter ging zitten wachten. (Waar mijn moeder in die tijd ’s avonds laat uithing, is mij niet bekend.) Tot hij kort daarna, begin jaren vijftig, overleed. Hij is begraven op de Joodse begraafplaats in Diemen.

Eén keer per jaar fietste mijn moeder daar met mij naartoe, maar ik mocht nooit met haar mee naar de graven van haar grootouders. (Haar eigen ouders hadden uiteraard geen graf.) Dat vond ze niets voor kinderen. Ik moest bij een geitje blijven wachten dat aan het begin van de begraafplaats aan een paal stond vastgebonden.

Op een avond ergens in 1947 of 1948, dat is mijn vermoeden in elk geval, dat het zo ongeveer die tijd moet zijn geweest, zat mijn overgrootvader weer op zijn vuilnisbak op de Tugelaweg en toen kwam een meneer langs. Meneer Grünwald, ook een overlevende uit Duitsland. Meneer Grünwald vroeg: ‘Wat doet u daar op die vuilnisbak, meneer?’

‘Ik wacht op mijn kleindochter,’ zei mijn overgrootvader. ‘Zal ik u een foto laten zien?’
Dat wilde meneer Grünwald wel. Hij bekeek de foto en hij zei: ‘Ik geloof dat ik wel iemand ken die iets voor uw kleindochter zou kunnen zijn.’
Dat was mijn vader. Zo is het begonnen.

Hoe meneer Grünwald mijn vader kende en waarom hij zich geroepen voelde op een avond op de Tugelaweg mijn vader aan de grootvader van mijn moeder aan te prijzen, is mij niet bekend. In de verhalen van mijn ouders komt meneer Grünwald nog maar één keer terug.

Mijn moeder ontmoette mijn vader; ze spraken – wederom volgens haar, mijn vader zweeg als het graf – vaak af in het Lido op het Leidseplein, waar mijn vader dingen schijnt gezegd te hebben als: ‘Je hebt van die leuke armpjes.’

Dat mijn ouders van elkaar hebben gehouden, daaraan twijfel ik niet, maar van die liefde zelf ben ik nooit getuige geweest.

Of dat aan zijn uitspraken lag of niet, ze wilde hoe dan ook graag met mijn vader trouwen, maar mijn vader had daar geen zin in, want hij wilde zijn vrijheid niet verliezen. Ruim tien jaar lang heeft mijn moeder aangedrongen en uiteindelijk verloor hij die oorlog. Op 1 september 1961 zijn mijn ouders in Berlijn getrouwd. De stad waar ze allebei geboren zijn, de stad waar ze niet meer wilden leven, maar waar ze kennelijk wel wilden trouwen. En hier komt meneer Grünwald weer het toneel op voor zijn afscheidsoptreden. Na afloop van het huwelijk gingen mijn ouders op huwelijksreis naar Frankfurt am Main. Waarom Frankfurt am Main? Het lijkt mij een uitzonderlijke bestemming voor een huwelijksreis, maar in die stad woonde meneer Grünwald. Bij wijze van huwelijkscadeau had hij mijn ouders beloofd hen mee te nemen naar het beste restaurant van de stad. Mijn moeder vertelde: ‘Wij liepen naar het beste restaurant van Frankfurt am Main. Wij liepen door het restaurant, wij keken vol verwachting naar het eten en de gasten en toen gingen we door een andere ingang weer naar buiten en daarop zei meneer Grünwald: “Zo, nu jullie hebben het beste restaurant van Frankfurt gezien.”’

Meneer Grünwald moet iets van een Groucho Marx hebben gehad, maar misschien kreeg hij deze eigenschap alleen in de verhalen van mijn moeder. In die verhalen was meneer Grünwald eigenlijk vooral een man die je blij maakte met een dooie mus. Die mus sloeg natuurlijk op dat restaurant in Frankfurt am Main, maar in mijn moeders verhalen klonk nog iets anders door. Dat ook mijn vader, met wie meneer Grünwald mijn overgrootvader had geprobeerd blij te maken, zich uiteindelijk had ontpopt als een dooie mus.

2.

Dat mijn ouders van elkaar hebben gehouden, daaraan twijfel ik niet, maar van die liefde zelf ben ik nooit getuige geweest. Ik heb mijn ouders tegenover elkaar zelden op tederheid betrapt. Ook heb ik hen zelden lief over elkaar horen spreken. Toen mijn vader ziek werd – hij kreeg een hersenbloeding en was ruim anderhalf jaar lang halfzijdig verlamd – heeft mijn moeder de zorg voor hem op zich genomen met een toewijding die grensde aan obsessie en daar ongetwijfeld ook overheen ging. Misschien is dat liefde, allicht mag dat tederheid heten. Wel zei ze regelmatig tussen het zorgen door tegen hem: ‘Wat heb je ons aangedaan.’ Ze nam hem zijn ziekte kwalijk, zoals ze hem later ook zijn dood kwalijk heeft genomen. Ongetwijfeld wist mijn moeder dat je de doden hun dood-zijn niet in de schoenen kunt schuiven, maar ze voelde kennelijk dat mijn vader door dood te gaan haar had verraden. Ook hij.

Op 1 september 1939 begon de Tweede Wereldoorlog officieel. Dat mijn ouders uitgerekend op 1 september 1961 besloten te trouwen, zal niet zomaar zijn geweest, hun huwelijk was de voortzetting van de Tweede Wereldoorlog op intieme schaal.

Elk jaar op 1 september kocht mijn vader een grote bos rode rozen voor mijn moeder en gaf haar een kus. Verder kan ik me niet herinneren dat ik mijn ouders ooit heb zien kussen. De rozen op 1 september, de kus, het was altijd een ongemakkelijk moment. Ik was er niet graag bij, alsof ik voelde dat ik iets zag wat eigenlijk niet voor mijn ogen bestemd was. De gestes die van de liefde overblijven, de laatste rituelen van de hartstocht.

Als mijn ouders ergens goed in waren, was het ruzie maken, waarmee ik niet zou willen zeggen dat hun huwelijk slecht was. Hun ruzies onttrokken zich aan dergelijke normatieve oordelen. Ze blonken er in uit, en als je ergens in uitblinkt, dan doe je het doorgaans met plezier. Ze deden het omdat ze er behoefte aan hadden. Vermoedelijk gingen achter die behoefte heel andere behoeftes schuil: nabijheid, een intimiteit die iets liefdevoller was dan de ruzie, bevestiging.

Jaren na de dood van mijn vader kon mijn moeder met meer afstand over haar huwelijk praten en ze gaf de oorlog de schuld van de onvolmaaktheid van de liefde; dat er van de liefde niet meer was overgebleven dan oorlog op de vierkante centimeter lag aan de oorlog zelf. Ze sprak er met berusting over, er was niets meer aan te doen. Er was vermoedelijk nooit iets aan te doen geweest. Zo was de geschiedenis, zo gingen die dingen. En daaraan voegde ze toe: ‘Ik heb twee heerlijke kinderen gekregen.’ Dat maakte veel goed, de oorlog had twee heerlijke kinderen gebaard.

Hoewel mijn moeder vaak dreigde met haar vertrek heb ik nooit werkelijk gevreesd dat mijn ouders zouden scheiden. Het was evident dat zij verslaafd waren aan de ruzies, dat er geen leven voorstelbaar was buiten die strijd.

Een verhaal dat mijn zus mij onlangs vertelde, werpt nog een iets ander licht op mijn ouders, op wie zij waren voor ik geboren werd – mijn zus is acht jaar ouder dan ik. Op een dag was mijn zus met mijn moeder aan het vechten, fysiek vechten, en mijn vader kwam tussenbeide en zei dat mijn moeder een volwassen vrouw was en niet zou moeten vechten met haar eigen kind.

Mijn moeder, die misschien iets te vroeg volwassen is geworden, is tegelijkertijd altijd kind gebleven. Haar kinderen waren haar kinderen, maar een paar seconden later kon zijzelf kind tussen de kinderen zijn. Mijn vader schijnt de rol van scheidsrechter op zich te hebben genomen. Een rol die hij toen ik geboren werd eigenlijk alleen nog maar vervulde door zich afzijdig te houden.

Af en toe namen mijn zus en mijn vader het voor mij op in de strijd tegen mijn moeder, maar ik wilde die strijd alleen voeren.

Boven vlnr: Arnons moeder Hannelore (zittend) met oma Van Coevorden (met bril) in het corsettenatelier, Amsterdam 1947; Oma, Arnon, vader en zus Maniou in Neuenahr, 1976; Nicht Rosi met haar dochter Ruth, oma Malchen Tannenbaum en overgrootmoeder Marianne Schloss. Onder: Arnons moeder met haar vader en nicht Ruth in Amsterdam, herfst 1945; De eerste gezinsfoto na de geboorte van Arnon: vader, Maniou, moeder en Arnon, 1971.

3.

In de entourage van mijn ouders kwamen nauwelijks Nederlanders voor. Voornamelijk naar Nederland gevluchte Duitse Joden die zich in verschillende stadia van verval en waanzin bevonden. Daar was allereerst de zus van mijn vader, Tilla, die op de Rooseveltlaan woonde en met wie mijn vader altijd ruzie had. Ze verscheen op verjaardagen met een zuur gezicht. Ik heb haar nooit zien lachen en ik was een beetje bang voor haar. Ze heeft mijn vader een paar jaar overleefd.

De man van Tilla is meen ik in de oorlog vermoord. Over hem is in elk geval nooit gesproken.

Daar was haar dochter, Marion, een vrouw van wie ik me vooral herinner dat ze sigaretten rookte in een pijpje. Een paar jaar voor zijn dood schreef ze mijn vader een brief waarin ze hem verweet dat hij ooit een charmante, lieve oom was geweest maar dat hij was veranderd in een afwezige, kille man.

Mijn vader dicteerde aan mijn moeder een antwoord: ‘Mensen zijn niet van steen, ze zijn aan veranderingen onderhevig.’ De rest van het antwoord ben ik vergeten.
Zij stierf nog vóór haar moeder aan longproblemen.

Dan waren er Lotte en Ludwig Heymann, broer en zus, Joden uit Wuppertal. Ook zij woonden op de Rooseveltlaan. Ze leefden samen alsof ze geen broer en zus waren maar man en vrouw, waarmee ik niet wil zeggen dat ze met elkaar naar bed gingen. Met Lotte schijnt mijn vader na de oorlog een relatie te hebben gehad. Ze waren in elk geval samen op vakantie naar Locarno geweest. Over die vakantie heb ik mijn vader maar één opmerking horen maken: ‘Ik heb daar bittere armoede gezien.’

Ludwig was een fervent antizionist, waardoor hij weleens ruzie maakte met mijn vader, die van dat fervente antizionisme niets moest hebben. Het ging er heftig aan toe, dat wil zeggen dat er op tafel werd geslagen en gasten het verjaardagsfeest of andere bijeenkomsten voortijdig verlieten. Ludwig was groot en kaal en had een paar gouden tanden. In september gingen Ludwig en Lotte altijd naar Pontresina in Zwitserland vanwaar ze mijn ouders een notentaart stuurden. Een keer hebben ze mij vanuit Pontresina ook een pyjama gestuurd.

Ludwig leeft niet meer. Waarom hij zijn gehele naoorlogse leven in directe nabijheid van zijn zus heeft doorgebracht, is mij niet bekend. Een paar jaar voor haar dood heeft mijn moeder Lotte nog opgezocht. ‘Ze herkende me niet,’ zei mijn moeder, ‘ze dacht dat de vrouw die ik bij me had ik was. Ze sprak voortdurend tegen de verkeerde. Het was heel triest.’

Dan was er nog mevrouw Nussbaum, een alleenstaande fotografe uit Frankfurt am Main die op de Minervalaan woonde. Ze maakte met niemand ruzie en zat altijd onder dikke lagen make-up. Wel liet ze zeer regelmatig kleine, hoge geluidjes van afkeuring horen. Ze is in de jaren negentig aan hartproblemen overleden.

Niet vergeten moet ook worden mevrouw Van Coevorden, een Jodin uit Duitsland die zich met passie bekeerd had tot het humanisme. Van religie wilde ze niets weten en Joods wilde ze zich ook niet noemen. Ze geloofde enkel nog in het vegetarisme. Mijn moeder had na de oorlog naailes van mevrouw Van Coevorden gekregen en omdat mevrouw Van Coevorden geen noemenswaardige familie had, stelde ze zich beschikbaar om geadopteerd te worden als oma. We adopteerden haar als oma. Vanaf die tijd heette ze niet meer mevrouw Van Coevorden maar oma.

Op zaterdagmiddag zochten we haar op in haar kleine woning in Buitenveldert. In haar slaapkamer lag een neusspray waar ik als kind gefascineerd door was. Ik stak haar neusspray diep in mijn neus.

Van de mensen die bij mijn ouders op verjaardagen over de vloer kwamen, is denk ik niemand meer in leven, behalve ik. En mijn zus, maar zij is in 1982 naar Israël geëmigreerd en heeft een groot gedeelte van deze bijeenkomsten niet meer meegemaakt. De kleine exilgemeenschap rond het huishouden van mijn ouders is verdwenen. Er zijn enkele losse herinneringen, maar het geheugen is onbetrouwbaar.

4.

Mijn ouders wilden niet dat ik wist hoe oud zij waren. Over hun leeftijd werd gezwegen. Hun paspoorten werden verstopt.

Lang heb ik gedacht dat dat normaal was. Dat kinderen de leeftijd van hun ouders niet hoorden te weten zoals ze er ook niet bij hoorden te zijn als de ouders seks hadden.

Ik heb ook nooit geweten wat mijn vader voor beroep had. Ik heb een tijd gedacht dat ook dat normaal was. Dat je het beroep van je vader niet kent; al te intieme informatie die ongeschikt is voor kinderen. Zoals zij ook niet naar de graven horen te gaan maar voor de ingang van de begraafplaats bij het geitje blijven wachten. Het was pas jaren later toen iemand opmerkte: ‘Misschien was je vader al gepensioneerd toen jij een kleuter was, misschien werkte hij gewoon niet meer.’

Mijn vader zat tijdens de oorlog ondergedoken en – dit is een anekdote die ik al eens heb opgeschreven – op een dag nam hij me mee naar een dame in Rotterdam bij wie hij een tijd ondergedoken had gezeten. Ze had witte muizen in een kooitje die mij bang maakten. Ik vroeg me af of er ook al muizen in een kooitje zaten toen mijn vader daar ondergedoken zat.

Ergens in de jaren tachtig overleed deze dame. Mijn vader ging naar de begrafenis, maar hij kon de begraafplaats niet vinden. Hij vreesde te laat te zullen komen, maar een postbode gaf hem een lift op een brommertje waardoor hij toch nog op tijd arriveerde. Dat vertelde hij ’s avonds bij het eten en hij moest er hartelijk om lachen. Hij achterop het brommertje van de postbode. Het is een van de laatste keren dat ik mijn vader zo uitgelaten heb gezien.

Jaren later, ik woonde al geruime tijd in New York, kreeg ik een e-mail van de dochter van die dame. Zij beweerde dat mijn vader en haar moeder een verhouding hadden gehad en dat hij haar na de oorlog geregeld nog kwam opzoeken om samen met haar een boterham met leverworst te eten. Was het leverworst of heb ik dat verzonnen? Ik kan de e-mail niet meer vinden.

Geheimen, oorlog en verraad, gelardeerd met onverwachte tederheid, zorg en hier en daar oprispingen van hartstocht, zo heb ik kennisgemaakt met de liefde.

5.

De liefde tussen mijn ouders bestond uit een reeks geheimen, wellicht omdat hun huwelijk zoals gezegd de voortzetting van de oorlog was. Liefde is wat werd verzwegen. De waarschuwing van mijn vader dat ik mijn moeder niets moest vertellen omdat ze ons allemaal zou verraden, klinkt nog helder in mijn oren. Hij is doder dan andere doden, maar zijn waarschuwingen leven voort.

In 1945 had mijn vader zijn onderduikadres verlaten, maar hij leefde verder alsof hij alsnog verraden kon worden, vooral door zijn vrouw.

En mijn vader schijnt ook gezegd te hebben toen mijn moeder weer een miskraam had (tussen mijn zus en mij zaten een stuk of acht miskramen): ‘Je kan ook niets, niet eens een kind baren.’

Mijn vader moet een charmante, lieve en zorgzame man zijn geweest met hier en daar wat onaangename kantjes. Wie heeft geen onaangename kantjes?

Geheimen, oorlog en verraad, gelardeerd met onverwachte tederheid, zorg en hier en daar oprispingen van hartstocht, zo heb ik kennisgemaakt met de liefde en de eerste kennismaking was, zoals wel vaker, overweldigend, deze kennismaking heeft een stempel gedrukt op mijn eigen liefdesleven.

Dat mensen onkenbaar zijn, is een gemeenplaats, en ook nog eens een onware gemeenplaats, maar de geliefde ís onkenbaar, de liefde zelf misschien wel.

In zijn briefwisseling met de psychoanalytica Arabella Kurtz schrijft J.M. Coetzee: ‘Als genre lijkt de roman een wezenlijk belang te hebben bij de bewering dat de dingen niet zijn wat ze lijken, dat onze schijnbare levens niet onze echte levens zijn. Een psychoanalyse, zou ik zeggen, heeft daar een vergelijkbaar belang bij.’

Als je beseft dat de mensen die je het meest na staan een reeks van kleine en grotere geheimen zijn, waarvan je vermoedt dat het beter is om die geheimen niet te achterhalen maar de nieuwsgierigheid is groot – is het verlangen iets anders dan nieuwsgierigheid? – dan bevind je je op een tweesprong. De ene weg is het lijden, misschien wel het ondraaglijke lijden, de andere weg is de literatuur.