In Russische apocriefe geschriften doet het verhaal de ronde dat de moordenaars van de laatste tsaar en zijn gezin tijdens de zomer van 1918 in de stad Jekaterinenburg het plan hadden om vlak voor hun executie eerst de vier dochters van Nicolaas II en zijn vrouw Alexandra te verkrachten. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog kennen we de atoomdreiging, alsook die van de waterstofbom. Maar geen kracht op deze aardbol is vermoedelijk groter dan die van de sociale rancune.
Het verschijnsel van de kommunalka, de gemeenschappelijke woning, dat vrijwel direct na de Oktoberrevolutie in 1917 ontstond in de boudoirs, bibliotheken, kabinetten, balzalen en andere ruimtes van de huizen en stadspaleizen van de Russische (adellijke) bovenlaag, was in eerste instantie een rechtstreeks gevolg van opgekropte klassenhaat. De arbeiders en boeren wisselden, na eeuwen van vernedering en uitbuiting, stuivertje met de elite. Staatsraden, tsaristische officieren, advocaten, beurshandelaren, hun kinderen en het dienstpersoneel – voor zover ze al niet waren vermoord, gevlucht of ondergedoken, werden ze door de bolsjewieken uit hun huizen gesleurd, gevolgd door een reeks van dikwijls sadistische kleineringen.
Terwijl de achteroudoom van een Petersburgse kennis van mij (destijds professor in de mechanica te Petrograd) in de winter van 1917 van een Lenin-adept een sneeuwschuiver in handen gedrukt kreeg – ‘Zo, voortaan ben jij arbeider, vuile uitzuiger!’ – zag hij hoe een deel van zijn trouwservies van Meissen-porselein uit de ramen vloog en in duizend scherven op straat uiteenviel. ‘Toen hij terugkwam in zijn huis hadden ze in de slaapkamer een orgie aangericht. Tienermeisjes – arbeidsters van een broodfabriek – lagen naakt en dronken op het echtelijk bed, samen met een oudere revolutionair. Ze goten de parfums van mijn oudooms vrouw als water uit over hun lichaam. Toen mijn oudoom iets opmerkte, werd hij beschoten. De revolutionair miste. Vervolgens werd hij uit zijn huis gezet. Het duurde nog negen jaar voordat mijn oudoom omkwam. In een kamp boven de poolcirkel.’
Dictatuur van de kakkerlak
Onder Stalin werd de grootscheepse industrialisatie van de Sovjet-Unie in gang gezet. Er volgde een massale trek van het platteland naar de steden. Nu pas greep de kommunalka als typisch communistisch verschijnsel massaal om zich heen. Het proletariaat moest worden gehuisvest. Met absurde woonnormen als 3,8 of 4,2 vierkante meter waarop een Sovjetburger recht had. De appartementen en stadspaleizen van de vroegere bourgeoisie en tsaristische adel werden provisorisch intern opgedeeld met kartonnen wanden. Later werd deze indeling met niet minder gehorige gipsen tussenmuren min of meer permanent gemaakt.
De implicatie hiervan op het toch al povere privéleven (de seks voltrok zich doorgaans met de kaken op elkaar) laat zich raden. Doorgaans was er maar één communale gang, met één gemeenschappelijke keuken, wc en badkamer voor veertig mensen. Omdat deze ruimtes van iedereen waren – en dus van niemand – was het gevolg verwaarlozing, verroeste buizen, schimmel, stank, en de alomtegenwoordige dictatuur van de kakkerlak. Als er al een telefoon was, dan werd op de gang om het gebruik ervan gevochten. Maandelijks kwam de rekening voor gas, elektra en de telefoon; daar deze niet naar individueel gebruik was opgesplitst, was het een bron van vele ruzies en twisten.
Als er al een telefoon was, dan werd op de gang om het gebruik ervan gevochten
Omdat er achter de toewijzing van de woonrechten toch een zekere logica stak – verschillende sociale klassen en beroepsgroepen dienden met elkaar te mengen – werden de kommunalka’s in de grote Russische steden al snel staalkaarten van het moderne Sovjetleven. Voormalige boeren, hersenchirurgen, poppenspelers, ingenieurs, scheepskapiteins, tramconducteurs en serveersters huisden op één gang bijeen. Met hun gezinnen. De dichter en Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky, zelf in Leningrad opgegroeid in een kommunalka, wees behalve op de gruwelijke aspecten van het op een krappe ruimte gedwongen met elkaar samenleven, ook op het louterende ervan. ‘Het brengt het leven terug tot de essentie; elke illusie omtrent de menselijke natuur wordt uitgekleed.’
Romance
Toen ik in het najaar van 1989 mijn huidige vrouw Julia leerde kennen in datzelfde Leningrad, maakte ik voor het eerst zelf kennis met het verschijnsel van de kommunalka, in een woonkazerne op het Vasilius-eiland. Sindsdien weet ik wat het is om voortdurend in de kook-, lichaams- en strontlucht van anderen te moeten verkeren en om te worden uitgemaakt voor dief van wc-papier, terwijl zoiets basaals als koken een heel evenement was omdat eerst het fornuis diende te worden veroverd.
‘En toch,’ zegt mijn vrouw, ‘heb ik er goede herinneringen aan.’
Hetzelfde geldt voor mij. Ook al hadden we destijds maar 6,3 vierkante meter, een pijpenla vol met boeken, een theepot en een oude piano van het merk Odessa, ik beleefde destijds in de nadagen van de Sovjet-Unie een romance als in een roman.
Na het uiteenvallen van de USSR in 1991 verdwenen de kommunalka’s in rap tempo. Ze werden opgekocht door slimme vermogende Russen die de bewoners uitkochten, de panden terugbrachten in hun oude glorie en met vette winsten weer van de hand deden. In Moskou is de kommunalka goeddeels verdwenen, maar in Petersburg wonen nog vele tienduizenden mensen alsof de Sovjet-Unie nooit opgehouden heeft te bestaan.
Recentelijk, na de vertoning van de film La Grande Bellezza van de Italiaanse regisseur Paolo Sorrentino, raakte ik in Petersburg verzeild in de kommunalka van een vriend, gevestigd in een oud Petersburgs paleis. Hij maakte het gezellig in zijn hok; de kaarsen op de marmeren schouw (die ooit had toebehoord aan een grootvorst) gingen aan. Even later draaiden zes meisjesstudenten van een nabijgelegen kunstnijverheidsschool rond mijn zeer knappe Russische gastheer. Er werd muziek gespeeld, zowel eurotrash als klassiek. De dansende meisjes maakten door het overdadige kaarslicht zwarte schimmen op de muur. Drank, geschal. Een tandeloze bootwerker voegde zich bij ons, gevolgd door een kunstschilder. Er volgden meer muziek en drank. Toen begon een van de meisjes halfnaakt te dansen op de rand van de marmeren schouw. Nooit eerder kwam de grande bellezza, de grote schoonheid van de kommunalka, me zo intens voor als toen.








Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.