Zijn zaak tegen de staat dwong minister Plasterk tot meer openheid over de geheime diensten, maar Christiaan Alberdingk Thijm wil méér weten. ‘De staat doet nu alsof het ons alleen maar om die 1,8 miljoen metadata te doen was, maar dat is misleidend.’

In een advocatenkantoor aan de Am­sterdamse Keizersgracht komen ze in het najaar van 2013 voor het eerst bij elkaar: een gezelschap van verontruste individuen en organisaties dat zich de ‘Coalitie Bur­gers tegen Plasterk’ noemt.

De ‘zomer van Snowden’ ligt bij ieder nog vers in het geheugen. Klokkenluider Edward Snow­den maakte duizenden documenten van de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA openbaar en legde zo een ontluisterend spionagenetwerk bloot. Het Duitse weekblad Der Spiegel schreef op basis van Snowdens onthullingen bovendien dat de NSA ook 1,8 miljoen Neder­landse telefoongesprekken zou hebben onderschept. Minister Plasterk heeft dat bericht in Nieuwsuur bevestigd. De verzamelde hackers, privacy-activisten en advocaten in het kantoor maken zich dan ook grote zorgen: kunnen ze wel vrij en vertrouwelijk contact onderhouden met hun bronnen en cliënten?

Een van de aanwezigen stelt voor dat ze allemaal hun telefoons wegleggen en hun laptop uitzetten. Daar zitten immers microfoontjes en camera’s in, en er zullen tijdens de bijeenkomst vertrouwelijke zaken worden besproken. Een ander wijst erop dat ze hoe dan ook afgeluisterd kunnen worden. Gericht, vanaf de overkant van de gracht, of zelfs op afstand via de pc in een hoek van de kamer.

Foto: Lenny OosterwijkFoto: Lenny Oosterwijk

Aan tafel onder meer voorzitter van de Neder­landse Vereniging van Strafrecht­advoca­ten Bart Nooitgedagt, die regelmatig internationale terrorismeverdachten bijstaat, onderzoeksjournalist Brenno de Winter, bekend van zijn artikelen over databeveiliging – of liever gezegd: het gebrek daaraan – en hacker Rop Gonggrijp, onder andere betrokken bij de publicatie van vertrouwelijke documenten van de Amerikaanse overheid door WikiLeaks.

Gastheer van de Coalitie Bur­gers tegen Plasterk is advocaat Christiaan Alberdingk Thijm (1971). Hij houdt zich al zijn hele carrière bezig met de juridische vragen die internet en nieuwe technologie met zich meebrengen. In het begin van de jaren nul, net toen de dotcombubbel over z’n hoogtepunt heen leek, begon hij zijn eerste kantoor. Inmiddels geldt hij als specialist in onder meer digitaal auteursrecht en privacy­zaken.

Advertentie

Advertentie

Alberdingk Thijm windt zich naar eigen zeggen bij voorkeur ‘gebalanceerd’ over dingen op. Maar over het Snowden-dossier kan hij zich razend maken. Of liever gezegd: over ‘de volstrekt lauwe reacties’ van Nederlandse politici op de afluisterpraktijken, terwijl het volgens Alberdingk Thijm gaat om ‘flagrante en enorme schendingen van de rechten van burgers’. Daarom besluit hij samen met een aantal belanghebbenden een zaak aan te spannen tegen de staat.

Informatie ‘witwassen’

Wat volgt, laat zich het beste omschrijven als een onverwachte wending. Veel eerder dan Alberdingk Thijm en zijn burgercollectief hadden verwacht, brengt hun zaak minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk in het nauw. Op 4 februari, een dag voor het antwoord van de landsadvocaat op de dagvaarding van Alberdingk Thijm, meldt Plasterk ineens in een kort briefje aan de Tweede Kamer dat niet de NSA, maar de Nederlandse inlichtingendiensten de bewuste 1,8 miljoen aan sets ‘metadata’ hebben verzameld: zogeheten verkeersgegevens, dus over wie met wie communiceert, hoe lang en vanaf welke plek. Het zou gaan om metadata vergaard in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland, schrijft Plasterk ook namens minister van Defensie Jeanine Hennis. Voor zover er gegevens over Nederlandse telefoontjes tussen zaten, zijn die er tussenuit gefilterd. De informatie was eigenlijk staatsgeheim, maar door de rechtszaak van Alberdingk Thijm zagen de ministers zich genoodzaakt openheid van zaken te geven, zeggen ze. Plasterk overleeft ternauwernood een nachtelijk debat over de kwestie in de Kamer.

Alberdingk Thijm windt zich naar eigen zeggen bij voorkeur ‘gebalanceerd’ over dingen op.

Maar daarmee is de kous voor Alberdingk Thijm en de zijnen verre van af. ‘De staat probeert ervan te maken dat het ons alleen maar om die 1,8 miljoen metadata te doen was. Alsof we geen zaak meer zouden hebben nu dat voorbeeld niet blijkt te kloppen. Maar het gaat ons om een veel groter probleem. Sinds Snow­den weten we dat de Amerikaanse en Britse diensten het hele internet aftappen en dat ze die gegevens met bevriende staten delen.’

Onthullingen zijn er inmiddels te over. De NSA breekt in buitenlandse computernetwerken in, met programma’s als Prism verzamelt ze communicatiegegevens van Facebook, Google, Apple en andere grote bedrijven. De Britse diensten tappen op hun beurt voortdurend kabels af om die data vervolgens weer aan de NSA te geven. ‘En de Washington Post schreef dat de NSA het complete telefoonverkeer van een niet nader genoemd land langdurig heeft afgeluisterd! Er worden dus allerlei technieken ingezet die volgens de Nederlandse wet helemaal niet zijn toegestaan,’ zegt Alberdingk Thijm. ‘Het punt is nu: verschillende ministers hebben in de Tweede Kamer toegegeven dat Nederland informatie van buitenlandse diensten ontvangt. En dat ze niet kunnen uitsluiten dat die informatie is vergaard op een manier die in ons land verboden is. De kern van onze zaak is: hoe gaan de Nederlandse inlichtingendiensten met die gegevens over Nederlandse burgers om? Wij willen dat de AIVD en de MIVD stoppen met het uitwisselen van gegevens die zijn verkregen met middelen die in ons land volgens onze wet niet zijn toegestaan. Anders kunnen ze informatie “witwassen” die ze eigenlijk niet mogen hebben.’

‘Wij willen dat de AIVD en de MIVD stoppen met het uitwisselen van gegevens die zijn verkregen met middelen die in ons land volgens onze wet niet zijn toegestaan.’

Op 13 mei staat Alberdingk Thijm in de ‘Plasterk-zaak’ tegenover landsadvocaat Eric Daalder, die de belangen van de staat behartigt (zie VN 16). De rechter heeft hen uitgenodigd voor een comparitie van partijen: beiden krijgen een uur de gelegenheid om hun standpunt toe te lichten. Experts voorspellen dat het wel eens een slepende procedure kan worden, maar de aanvoerder van het burgercollectief heeft er zin in. ‘Ik heb werkelijk het idee dat we een ijzersterke zaak hebben.’

Nike Air Max-gympen

Alberdingk Thijm ontvangt op een vrijdagmiddag in zijn werkruimte aan de gracht. Met drie collega-advocaten en twee medewerkers is hij deze zomer een nieuw kantoor begonnen, bureau Brandeis. Ze huren een deel van de eerste verdieping van het monumentale pand. In de lichte ruimte staan de bureaus dicht op elkaar. Geen kantoor voor wie erg gesteld is op zijn privacy, klinkt het grappend vanachter een van de computers, terwijl Alberdingk Thijm op zijn casual-vrijdagse Nike Air Max-gympen over krakend parket voorgaat naar een kleine vergaderkamer. Aan de muur hangt een streng portret van de naamgever van het kantoor: Louis Brandeis. ‘Vooruitstrevend advocaat en vanaf 1916 rechter in het Amerikaanse Supreme Court. Hij stond bekend als een voorvechter van burgerrechten,’ doceert Alber­dingk Thijm met een knikje naar het portret. Brandeis publiceerde bovendien een fameus artikel in Harvard Law Review, waar Obama overigens later nog hoofdredacteur van zou worden: ‘The Right to Privacy’. Het wordt gezien als een eerste poging het recht op privacy in de wet vast te leggen.

Indachtig Louis Brandeis wil Alberdingk Thijm met zijn nieuwe kantoor bij voorkeur ook zaken op zich nemen die het individuele belang van de cliënt overstijgen, vertelt hij als hij met een eerste vrijdagmiddagbiertje aan tafel is komen zitten. Vanachter zijn hoornen bril kijkt hij het bezoek onderzoekend aan. ‘Ik liep al langer rond met de vraag hoe je het recht kunt inzetten om de publieke discussie over misstanden in de samenleving aan te jagen. Hoe kun je met behulp van juridische procedures maatschappelijke verbeteringen realiseren?’

Bij uitstek geschikt zijn zaken over een actueel juridisch thema. ‘Er wordt in kranten, blogs en talkshows voortdurend van alles geroepen over vrijheid van meningsuiting en privacy, zonder dat we ons werkelijk afvragen waarom we die rechten hebben en hoe ze zich tot elkaar verhouden. Door die vragen in een casus voor de rechtbank te brengen, dwing je een rechter om zich daarover uit te spreken.’

Volgens Alberdingk Thijm zijn er genoeg kwesties te bedenken waarbij het recht kan helpen om de discussie voorbij het politieke tumult op een meer fundamenteel niveau te voeren. Als voorbeeld noemt hij het Polenmeldpunt van Geert Wilders. ‘Dat raakte aan allerlei grondrechten. Daar had ik achteraf best een civielrechtelijke zaak van willen maken, om te laten zien hoe discriminatoir zo’n voorstel is. In een kort geding namens een belangengroep had je zo’n idioot plan in zes weken van tafel kunnen vegen.’

‘Ik liep al langer rond met de vraag hoe je het recht kunt inzetten om de publieke discussie over misstanden in de samenleving aan te jagen.’

Maar ja, zegt hij, toen had hij daar als advocaat de tijd en de middelen niet voor. Die heeft hij nu wel, omdat ze bij bureau Brandeis een klein fonds hebben ingericht. De bedoeling is dat ze zo’n vijftien procent van hun tijd onbezoldigd aan maatschappelijk relevante zaken besteden. De eerste zaak uit die ‘vijftien procent-pot’ is de Plasterk-zaak.

Niet blijven toekijken

De juridische strategie ontstond tijdens een avondcollege aan deeltijdstudenten van de Universiteit van Amsterdam – ‘dat zijn de fanatieksten’. De vraag die hij zijn studenten voorlegde: wat zou je nu vanuit het Nederlands recht kunnen beginnen tegen de praktijken van de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten? Daar móét toch iets tegen te doen zijn?

Met stijgende verbazing had Alberdingk Thijm de voorbije maanden gadegeslagen hoe in Nederland scherp commentaar van politici over de onthullingen van Snowden uitbleef. Nog altijd verontwaardigd: ‘Vergelijk dat eens met de ophef die bijvoorbeeld in Frankrijk, Engeland en Duitsland was ontstaan!’ Goed, de privacyschendingen waren in Duitsland voor het grote publiek misschien nóg concreter omdat bleek dat zelfs het mobieltje van Angela Merkel werd afgeluisterd, maar uit de onthullingen van Snowden viel af te leiden dat de Amerikaanse NSA en de Britse GCHQ ook in Nederland spioneerden. Bovendien was er dat artikel in Der Spiegel, dat stelde dat de NSA in ons land 1,8 miljoen gegevens had verzameld. ‘Op zo’n moment hoop je toch dat de regering in felle bewoordingen afstand neemt van de buitenlandse diensten. Maar nee hoor, schouderophalende reacties van Rutte en consorten. Nederland is vooral bezig de trouwe bondgenoot uit te hangen. Ook in de Tweede Kamer werd er die eerste maanden nauwelijks een stevig debat gevoerd.’

Alberdingk Thijm kan er ook deze vrijdagmiddag weer kwaad om worden. ‘Watergate, allemaal leuk en aardig. Maar wat Snowden blootlegt, is het grootste surveillanceschandaal ooit. Bovendien hebben onze eigen ministers dus openlijk toegegeven dat ze niet kunnen garanderen dat de informatie die Nederland van de buitenlandse diensten krijgt, in overeenstemming met de Nederlandse wet is vergaard. Waarom staan wij in godsnaam toe dat buitenlandse inlichtingendiensten hier dingen doen waarvan wij vinden dat onze eigen diensten ze niet mogen? Dat is natuurlijk krankzinnig. Waarom maken we daar geen einde aan?’

In Groot-Brittannië liep inmiddels een rechtszaak waarin privacy-activisten meer openheid van de Britse staat verlangden. ‘Ik vond: hier mag je als advocaat niet blijven toekijken. Als je er een zaak van kunt maken, moet de staat juridisch met de billen bloot. En jawel, in één avondcollege hadden we de puzzel opgelost.’

De NSA aanklagen zou onzinnig zijn, die heeft zich alleen aan de Amerikaanse wet te houden. Maar de Nederlandse staat viel volgens Alber­dingk Thijm en zijn studenten wel degelijk iets te verwijten. ‘Op grond van het Europese Ver­drag voor de Rechten van de Mens en Europese jurisprudentie heeft de overheid de verplichting om de persoonlijke levenssfeer van haar burgers actief te beschermen. Bovendien hebben onze diensten zich aan de Nederlandse wet te houden. Op het moment dat de Nederlandse inlichtingendiensten van de NSA of GCHQ informatie aannemen over Nederlandse burgers waarvan ze niet weten hoe die verzameld is, en die dus mogelijk in strijd met de Neder­landse wet is verkregen, is de staat niet actief genoeg bezig de privacy van haar burgers te beschermen.’

Foto: Lenny Oosterwijk
Foto: Lenny Oosterwijk


Ineens geen staatsgeheim meer

Eigenlijk hadden ze gerekend op een eenregelig antwoordbriefje van de landsadvocaat waarin hij schreef dat hij, omdat het nu eenmaal geheime diensten betrof, niets over de zaak kon zeggen. In plaats daarvan ontving Alberdingk Thijm aan de Keizersgracht veertig kantjes. Het verweer van de staat: de informatie die Nederland van bevriende mogendheden krijgt, mag wel degelijk gebruikt worden omdat de buitenlandse diensten zich alleen aan hun eigen wetgeving hebben te houden. Daarbij komt dat de samenwerking gebaseerd is op vertrouwen: de buitenlandse diensten zijn niet verplicht hun bronnen en werkwijze met de Nederlandse geheime diensten te delen. En bovendien was er dus de onthulling dat het door Alberdingk Thijm in zijn dagvaarding aangehaalde voorbeeld van Der Spiegel niet klopte.

Dat zijn dagvaarding ertoe leidde dat de staat meer openheid van zaken gaf, betekende een eerste overwinning, zeker. Maar is het niet problematisch dat het enige concrete voorbeeld van de afluisterpraktijken van de NSA in Nederland dat hij in handen had, nu van tafel is?

‘Luister, wij konden natuurlijk niet weten dat Plasterk had gejokt. Daarmee is wat ons betreft alleen een voorbeeld weggevallen. De lands­advocaat richt zich in zijn verweer alleen maar op het verzamelen van metadata, maar dat is gewoon een afleidingsmanoeuvre.’

Er blijft genoeg aanleiding om de staat ter verantwoording te roepen, meent de advocaat. ‘Zo heeft Plasterk in de Tweede Kamer gezegd dat de Amerikanen zich in Nederland aan onze wet moeten houden, maar schrijft de landsadvocaat dat dat niet nodig is. Hoe zit dat nou precies? En waarom zouden de Nederlandse diensten niet aan de NSA vragen waar zij haar data vandaan haalt?’

De landsadvocaat schrijft dat het werk van de inlichtingendiensten op die manier volstrekt onmogelijk wordt gemaakt. Volgens Alber­dingk Thijm is dat overdreven. ‘Ja, dan komt de landsadvocaat met die gevleugelde term dat het nu eenmaal de “modus operandi” van de geheime diensten is om elkaar niet te vertellen waar hun informatie vandaan komt.’

‘Zodra iets het predikaat staatsgeheim krijgt, houdt elke discussie op. Dan mogen we als burgers überhaupt geen vragen meer stellen.’

Er klinkt een honend lachje. ‘Om te beginnen geloof ik daar geen fluit van. En als het wel zo is: waarom zou je er niet naar vragen? Waarom zou er geen systeem te bedenken zijn waarin de Nederlandse overheid moet vertellen hoe zij aan haar data komt? Wij eisen dat burgers de mogelijkheid hebben om daarnaar te informeren.’

Waar hij met name woedend van wordt: ‘Zodra iets het predikaat staatsgeheim krijgt, houdt elke discussie op. Dan mogen we als burgers überhaupt geen vragen meer stellen.’ Een minister als Plasterk springt bovendien volstrekt willekeurig met de term om, zegt hij: ‘Eerst kon hij niet zeggen hoe het nou zat met die 1,8 miljoen gegevens, omdat dat staatsgeheime informatie zou zijn. Vervolgens riep hij dat onze rechtszaak hem tot een onthulling had gedwongen en was het ineens geen staatsgeheim meer. Daar klopt natuurlijk niets van.’

Klassiek gevecht

Hij herneemt zich, zegt dan enigszins plechtig: ‘Dit is een klassiek gevecht tussen de staat en haar burgers. Hoe ver mag ze ingrijpen in het persoonlijke leven van die burgers, welke data mag de overheid over hen verzamelen? In dit dossier is de balans volledig doorgeslagen naar de verkeerde kant. Op het moment dat je daar niet tegen ageert, ben je een welwillend slachtoffer en laat je toe dat jouw vrijheid beknot wordt door de staat.’

Wat de advocaat daarbij zorgen baart: in haar fixatie op veiligheid is de staat hier en daar veel te voortvarend met het inzetten van opsporingsmiddelen, zonder zich af te vragen of de schending van de privacy van haar burgers wel noodzakelijk en proportioneel is.

Onlangs procedeerde Alber­dingk Thijm met succes tegen een database met vingerafdrukken die de overheid wilde aanleggen. ‘Stel je voor: je gaat naar het gemeentehuis en geeft vier vingerafdrukken af. De gemiddelde burger vraagt zich niet af wat die mevrouw achter de balie daar eigenlijk mee gaat doen. Wat vrijwel niemand in de gaten had: de staat wilde al die vingerafdrukken in een database opslaan en daaruit een opsporingsmiddel creëren.’ Een systeem dat bedoeld is om paspoortfraude tegen te gaan, wordt zo gebruikt om misdaad te bestrijden. ‘Eén gekke minister kan dat gewoon bedenken, en als je niet oppast, staat het zo in de wet en wordt het ook nog gebouwd door een of ander raar Frans bedrijf. Intussen hoor ik niemand een fundamentele discussie voeren over de vraag of die maatregel wel nodig en in verhouding is. Ook daar kan ik me, nou ja, gebalanceerd over opwinden.’

Gevoel van autonomie

Af en toe ontvlamt hij even, krijgt zijn betoog iets venijnigs. Maar met zijn lange, bedachtzame zinnen en zijn ietwat lijzige intonatie heeft Alberdingk Thijm meer weg van een jurist dan van een activist. Of zoals hij zelf zegt: ‘Ik ben niet iemand die zich voortdurend zorgen maakt over de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Ik let wel op, maar ik heb de muren van mijn huis niet met aluminiumfolie behangen.’

‘Dat ik een procedure kan starten tegen een minister, en dat die zich dan ook daadwerkelijk zorgen moet maken: dat geeft mij een aangenaam gevoel van autonomie.’

Want dat is volgens de advocaat het probleem van veel privacy-strijders: die slaan door in hun activisme, nemen een onrealistisch standpunt in. ‘Ik vind het geen optie om je uit angst afgeluisterd te worden volledig terug te trekken uit de maatschappij. We leven nu eenmaal in een samenleving waar ontzettend veel data worden vergaard en waarin de techniek ons voortdurend volgt. Of het nou je mobiele telefoon is of je pc: die gegevens zijn allemaal te traceren. Dat brengt risico’s met zich mee, maar ook een zekere veiligheid. De grote vraag is: hoe komen we tot een goed evenwicht tussen persoonlijke vrijheid, staatsveiligheid en de bescherming van ieders privacy, in een wereld die van technologie vergeven is?’

Daar is de jurist weer, die gebalanceerd naar mogelijkheden zoekt. En toch, er schuilt ook een zeker fanatisme achter zijn vorsende blik. In alles wat hij doet, wordt Alberdingk Thijm naar eigen zeggen gedreven door een ‘enorme hang naar vrijheid’. Ook de Plasterk-zaak komt daar volgens de advocaat uit voort. ‘Ik vind: je bent pas écht vrij op het moment dat je vrijelijk kunt optreden tegen de ministers in een land. Dat ik een procedure kan starten tegen een minister, en dat die zich dan ook daadwerkelijk zorgen moet maken: dat geeft mij een aangenaam gevoel van autonomie.’


Vier grote broers

Alberdingk Thijm groeide op in het Gooi, als jongste van vijf broers. Hun Larense jeugdjaren inspireerden zijn oudere broer, filmmaker Robert, tot de VPRO-serie De Daltons. De cineast is niet verbaasd over de strijdlust en geldingsdrang van zijn jongere broer: ‘Chris­tiaan was altijd al erg bezig met hoe machtsstructuren werken, hij vindt het leuk om vragen te stellen bij de status quo. Ik denk dat hij dat van huis uit heeft meegekregen. Met een machtsblok van vier grote broers boven zich moest hij als jongste natuurlijk zorgen dat hij óók gezien werd. Daarbij zijn we allemaal enorm eigenwijze betweters, het gelijk willen hebben loopt als een rode draad door onze familie.

Als zevenjarige had Christiaan een eigen club, daar was hij de baas van. Hij maakte er bovendien een wetboek voor met als eerste regel: “Ik heb de grootste club van al mijn broers.”’

Ook als jonge advocaat bleef Alberdingk Thijm worstelen met hiërarchie. Hij begon zijn carrière bij een van de grootste clubs van de Am­ster­damse Zuidas, het chique advocatenkantoor De Brauw, maar kon er niet aarden. Jaren later zou hij zijn ervaringen verwerken in de roman Het proces van de eeuw, die in 2011 verscheen. Het boek leest als een lichtvoetige aanklacht tegen de cultuur van de grote commerciële advocatenkantoren, tegen de arrogantie van de partners met hun onaantastbare status.

Al na anderhalf jaar vertrok hij, zeer tegen de geldende mores in, om onderzoek te gaan doen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij meende aan de universiteit meer te kunnen leren. Eigenlijk verschrikkelijk arrogant, zou hij later toegeven. En: ‘Ik was echt een vlerkerig baasje’.

Foto: Lenny Oosterwijk
Foto: Lenny Oosterwijk

Op de universiteit deelde hij een kamer met de huidige vicepremier Lodewijk Asscher, overigens ook de trouwambtenaar op het huwelijk van Alberdingk Thijm. Opmerkelijk: Asscher publiceerde indertijd zeer kritisch over het opereren van de inlichtingendiensten en de overheid, die naar zijn idee al te gulzig was met het verzamelen van informatie over haar burgers. Maar over de Plasterk-zaak hebben ze geen contact gehad, beweert Alberdingk Thijm. Met een glimlachje: ‘De minister doet zijn eigen woordvoering, daar heeft hij mij niet voor nodig.’ Hij stuurde zijn oude vriend nog wel een sms’je nadat Asscher Plasterk in Pauw & Witteman had verdedigd. ‘Dat was een goed optreden. Sowieso vind ik hem een briljant politicus. Aanvankelijk had iedereen het alleen op de ijdele minister met zijn baard en zijn hoed gemunt, maar Asscher betrok heel slim ook de rol van minister van Defensie Hennis in het verhaal.’

Ontwrichtende technologie

Aan hun gezamenlijke tijd aan de universiteit kwam een einde toen Alberdingk Thijm op een zolderverdieping zijn eerste kantoor oprichtte: SOLV. Het was het jaar 2000, waarin World Online naar de beurs ging en internet en ondernemen nog nét golden als toverwoorden van een nieuwe tijd. Het juridische dilemma waarvoor de offlinewereld zich gesteld zag: is internet een aparte maatschappij of het verlengstuk van de wereld die we al hebben? Hoe handhaaf je het recht, moet er wereldwijde wetgeving komen, wie is er eigenlijk de baas van internet?

Als 29-jarige jurist met de nodige branie besloot Alberdingk Thijm zich met zijn kantoor volledig op technologie en nieuwe media toe te leggen. In een van zijn eerste grote zaken stond hij ‘de jongens van Kazaa’ bij. Die hadden een succesvolle muziekuitwisseldienst opgezet en werden daarop door de muziekindustrie voor de rechter gesleept. De kern van de zaak: zijn de makers van de software waarmee internetgebruikers auteursrechtelijk beschermde muziek uitwisselen aansprakelijk voor schending van het auteursrecht? Alberdingk Thijm won, de uitspraak geldt nog altijd als baanbrekend. ‘Voor het eerst bepaalde een rechter dat de tussenpersonen, de neutrale platforms die uitwisseling van informatie alleen maar mogelijk maken, vrijuit gaan.’

En terecht, meent Alberdingk Thijm. Hij is er ten diepste van overtuigd dat nieuwe, ontwrichtende technologie op internet ruim baan moet krijgen. ‘Dergelijke initiatieven zijn cruciaal voor ontwikkeling en innovatie. Zonder Kazaa hadden we nu geen Spotify of Netflix gehad.’

Hoe handhaaf je het recht, moet er een wereldwijde wetgeving worden, wie is er eigenlijk de baas van het internet?

In zijn carrière stond hij in de rechtszaal vaak tegenover de partijen die het in de analoge wereld voor het zeggen hadden, zoals platenmaatschappijen en uitgevers. Hij verwijt hen veel te star vast te houden aan een achterhaalde opvatting over auteursrecht. ‘Toen de jongens van Kazaa begonnen, heb ik eerst eindeloos met ze langs de platenmaatschappijen geleurd. Die jongens wilden helemaal geen boefjes zijn, ze stelden de muziekindustrie voor dat ze hen zouden betalen voor het uitwisselen van muziek door de Kazaa-gebrui­kers. Wat zij toen bedacht hadden, is tegenwoordig Spotify: het streamen van muziek op internet. Dat had er dus al tien jaar eerder kunnen zijn! Maar de platenmaatschappijen wilden er niet aan, die hielden halsstarrig vast aan het oude model waarin zij niet alleen de rechten beheerden, maar ook de enigen waren die de muziek mochten exploiteren.’

Copyleft

Zelf is hij meer van de ‘copyleft’-richting: wat hem betreft moet creatief werk vooral door zoveel mogelijk mensen gezien, gehoord of gelezen worden, mits er een vergoeding voor de maker tegenover staat. ‘Dan is het nog steeds knap ingewikkeld hoe je die vergoedingen vervolgens moet incasseren, maar dat kun je overlaten aan een collectieve rechtenorganisatie die namens alle schrijvers of filmmakers optreedt. Hoe dan ook mag het auteursrecht er niet toe leiden dat de voor de maatschappij zo noodzakelijke vernieuwing wordt gedwarsboomd. Daarvoor is het nooit bedoeld.’

Met het downloadverbod, waartoe het Europese Hof onlangs besloot, schieten artiesten volgens Alberdingk Thijm in elk geval niets op. Begin april kwam vanuit Luxemburg de oekaze dat Nederland het downloaden van films en muziek uit illegale bron, bijvoorbeeld via torrent-sites en nieuwsgroepen, niet langer oogluikend mag toestaan. ‘Een betere vergoeding voor artiesten is daarmee niet geregeld, want zo’n verbod is in de praktijk helemaal niet te handhaven. Hoe wil het Europese Hof de auteursrechten bij al die miljoenen consumenten gaan claimen? Je moet heel diep in de datapakketjes gaan kijken die consumenten met elkaar uitwisselen om te zien wie precies wat downloadt. Dat is weer volledig in strijd met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.’

Is dat geen bangmakerij? De Stichting BREIN, die namens de entertainmentindustrie piraterij bestrijdt en door Justitie is aangewezen om het downloadverbod in Nederland te handhaven, heeft al gezegd niet achter consumenten aan te zullen gaan, maar zich vooral op ‘illegale handelaars’ te richten: de websites en andere diensten die illegale films en muziek aanbieden. Toch is Alberdingk Thijm er niet gerust op. ‘Voor je het weet, is het hek van de dam. Uit Duitsland en de VS zijn er genoeg voorbeelden van mensen die een serie downloadden en met een gigantische schadeclaim werden geconfronteerd.’ Bovendien vindt hij het ‘volstrekt onwenselijk’ als internetaanbieders bepaalde diensten voor hun klanten zouden moeten filteren of zelfs blokkeren. ‘Het internet is een dom, neutraal netwerk waar iedereen op mag, en dat is een groot goed. Als dat indertijd anders was gelopen, als de telecomindustrie vergunningen was gaan uitdelen of de overheid had ingegrepen, hadden we het internet zoals we dat vandaag de dag kennen helemaal niet gehad.’

Onbegrip en gebrek aan kennis

De technologie ontwikkelt zich veel sneller dan de wetgeving kan bijhouden, dat is de grote uitdaging van zijn vakgebied. Ook voor rechters is het geen sinecure. Veel in zijn optiek ‘verkeerde’ vonnissen komen voort uit onbegrip en gebrek aan kennis over het internet en nieuwe technologie, schampert Alberdingk Thijm.

‘Hoe dan ook mag het auteursrecht er niet toe leiden dat de voor de maatschappij zo noodzakelijke vernieuwing wordt gedwarsboomd. Daarvoor is het nooit bedoeld.’

Toen hij half maart in een hoger beroep tegen Stichting BREIN voor de Amsterdamse rechtbank stond, kon hij het niet laten de raadsheren voor de zekerheid nog eens in vogelvlucht de technische infrastructuur van het internet uit te leggen. ‘De kans is groot dat u nog nooit op Usenet bent geweest,’ hield hij de drie grijzende rechters in de opening van zijn pleidooi voor. ‘Mis­schien heeft u ook nog nooit Second Life bezocht, Snapchat gebruikt, een film op You­Tube geplaatst of iets gekocht via Markt­plaats…’ De advocate van de wederpartij kwam op haar beurt met een powerpointpresentatie in een poging de rechtbank het verschil tussen front end-, back end- en spool servers uit te leggen. De rechter keek enigszins glazig naar het geschetste serverpark op het beeldscherm en mompelde verbouwereerd: ‘Past u toch op voor het snoertje.’ Je moet rechters blijven uitleggen dat de dingen op internet nu eenmaal anders werken dan in de analoge wereld, verzuchtte Alberdingk Thijm, terwijl hij in de pauze krentenbollen uit een zak at. Nog altijd zijn niet alle raadkamers even goed op de hoogte van de laatste stand van de techniek. Zijn mooiste voorbeeld: de rechter die bij het oplezen van een aantal e-mailadressen tijdens een zitting belangstellend informeerde wie die ‘Ed’ nu toch was.

De wereld op zijn kop

Op 13 mei staat Alberdingk Thijm dus voor de rechter in de Plasterk-zaak. Een belrondje langs staatsrechtgeleerden en inlichtingendienstenexperts leert dat ze het initiatief van Alber­dingk Thijm ‘moedig’, ‘innovatief’ en ‘interessant’ vinden, maar dat ze zijn zaak niet al te veel kans geven. ‘Zaken tegen de staat hebben de neiging om verloren te worden,’ klinkt het. En: ‘Als de vorderingen van Alberdingk Thijm worden toegewezen, kunnen de inlichtingendiensten wel inpakken met hun werk. Dat zal de rechter nooit laten gebeuren.’ Weer een ander: ‘Het is de wereld op zijn kop als een ontvanger van inlichtingen de verstrekker moet verzoeken om te bewijzen dat hij die informatie legaal (volgens zijn eigen wetten dus) heeft verkregen. Dan wordt er niets meer uitgewisseld.’ Het grootste probleem voorzien de experts bij de bewijslast: hoe gaat Alberdingk Thijm in vredesnaam hard maken wat de NSA en de GCHQ precies voor – volgens de Neder­landse wet – onheuse dingen uitspoken?

De advocaat zelf laat zich intussen niet ontmoedigen. ‘De landsadvocaat zal roepen dat wij met bewijzen moeten komen, maar wij draaien de bewijslast om. De staat heeft volgens de wet een zorgplicht om te voorkomen dat ze informatie krijgt die op illegale wijze is vergaard. Op het moment dat onze inlichtingendiensten niet eens naar de herkomst van informatie vragen, voldoen ze daar dus niet aan.’

Bovendien zijn er de laatste tijd verschillende rapporten verschenen die zijn zaak ondersteunen, meent Alberdingk Thijm. Zo waarschuwde de CTIVD, de commissie die toezicht houdt op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in februari voor een al te vanzelfsprekend vertrouwen dat de buitenlandse diensten de mensenrechten respecteren en binnen hun eigen wettelijke kader handelen. ‘De Commis­sie is van mening dat het in het licht van de onthullingen van de afgelopen periode gewenst is om na te gaan of dit vertrouwen nog steeds terecht is.’

‘Als de vorderingen van Alberdingk Thijm worden toegewezen, kunnen de inlichtingendiensten wel inpakken met hun werk.’

Maar ja, in hetzelfde rapport stond ook dat de commissie in haar onderzoek geen aanwijzingen had gevonden dat de AIVD en de MIVD de buitenlandse diensten vragen gegevens te verzamelen op een manier die hunzelf niet is toegestaan. Dat zijn precies de witwaspraktijken waar het burgercollectief in haar dagvaarding over spreekt.

Alberdingk Thijm, onverstoorbaar: ‘Dat de CTIVD geen aanwijzingen heeft gevonden, wil niet zeggen dat het niet gebeurt.’ De advocaat die de staat ter verantwoording roept, heeft er alle vertrouwen in. ‘Ik zou bijna zeggen: kat in het bakkie, maar dat brengt ongeluk.’

Dan, ernstig: ‘Als ik deze zaak verlies, voel ik me ten diepste aangetast in mijn rechtvaardigheidsgevoel. En dat zeg ik niet alleen als advocaat, maar vooral als burger.’

Wat is netneutraliteit?

‘Het internet is een dom, neutraal netwerk waar iedereen op mag, en dat is een groot goed,’ zegt advocaat Christiaan Alberdingk Thijm in VN 19. Dit grote goed is niet onbedreigd. Eurocommissaris Neelie Kroes wilde netneutraliteit opheffen zodat ‘speciale diensten’ voorrang op de digi
tale snelweg konden kopen. Na kritiek van internetactivisten stemde het Europees Parle
ment begin april tegen: Europese kabelaars moeten al het digitale verkeer gelijk behande
len.

Zo ver is het in de VS niet. De baas van communicatiewaakhond FCC, Tom Wheeler, is daar door verdedigers van het open internet uitgeroepen tot volksvijand nummer één. Zijn plannen geven kabelaars de macht om data te discrimineren. Dit filmpje laat zien welke consequenties dat heeft.