Aan boeken over de Verlichting is de laatste jaren geen gebrek. Toch vond oud-redacteur van The Economist Anthony Gottlieb het nodig er nog een aan toe te voegen.

Bij het laatste hoofdstuk aangekomen van Anthony Gottliebs De droom der Verlichting is de verwachting strak gespannen. Gottlieb zal daarin de vraag beantwoorden wat de Verlichting ‘eigenlijk voor ons gedaan’ heeft. Nu zullen we eindelijk weten hoe hij tegen de Verlichting aankijkt: de voorgaande hoofdstukken hadden daar weinig aanwijzingen voor gegeven. Dat begon zich te wreken. Wat wilde Gottlieb eigenlijk aantonen met de zeventiende en achttiende-eeuwse filosofen die hij behandelt? Hij had in de inleiding geschreven dat we niet moesten denken dat ze onze taal spreken en deel uitmaken van onze wereld. ‘Als we hun ideeën recht willen doen, moeten we pas op de plaats maken en in hun schoenen gaan staan.’

Gottlieb wil een tolk zijn, wil de ideeën van Descartes, Locke, Spinoza, Hobbes, Leibniz, Hume, Bayle en een beetje Voltaire en Rousseau zo goed mogelijk weergeven. Maar is dat wel voldoende om een heel boek over te schrijven? Bestaan over deze filosofen niet al voldoende kleine en grote samenvattingen van hun denkbeelden? Wat we willen is nieuw licht, een onverwacht aspect, vergeten denkers, een polemisch standpunt. Dat is wel het minste na de kolossale drie delen over de Verlichting van Jonathan Israel en de twee delen van Philipp Blom (Encyclopedie en Het verdorven genootschap). Met Gottliebs keuze van de filosofen is niets mis, maar waar zijn Pascal, Diderot, Berkeley, Helvetius, Montesquieu, Adam Smith en Condorcet?

De laatste komt helemaal niet voor, terwijl hij verantwoordelijk is voor het idee waarmee de Verlichting het meeste wordt geassocieerd: de veelomhelsde en veelgesmade Vooruitgang. Adam Smith wordt verantwoordelijk gehouden voor het neoliberalisme, Montesquieu voor de zegeningen van de scheiding der machten, Diderot voor het recht te mogen twijfelen, Pascal voor het geloof in God als de beste gok. Het zijn stuk voor stuk filosofen die hiermee wél deel uitmaken van onze wereld, zoals je dat ook kunt zeggen over een filosoof die Gottlieb met recht wel uit de schaduw haalt: Pierre Bayle. Hij toonde aan dat atheïst of agnost zijn niet betekent dat je voor een immorele samenleving bent.

Met de klok mee: Joseph Hume, Marquis de Condorcet, Adam Smith en Denis Diderot. Beeld: Wikimedia Commons

Door nauwelijks accenten te leggen doet Gottlieb zijn vele werk geen recht. Soms vertelt hij welke invloed een filosoof heeft gehad. Dat gaat heel terloops, terwijl het toch interessant is dat de Engelse dichters Coleridge en Shelley van Spinoza’s gelijkstelling van God en Natuur een natuurfilosofie maakten. En dat de romanschrijfster George Eliot delen van Spinoza’s werk vertaalde. En dat Goethe’s ‘stormachtige gemoed’ kalmeerde door het lezen van Spinoza.

Helder uiteengezet, dat wel, maar zonder dat brisante thema of betoog dat het boek voort had kunnen stuwen. Hij had ook veel meer kunnen halen uit zijn constatering dat Diderot, Locke, Hume en Bayle alle vier overtuigd waren van de feilbaarheid van het verstand en alleen al daardoor braken met de vermeende zekerheden van het geloven. Zij zouden niet over de achttiende eeuw als ‘de eeuw van de rede’ hebben gesproken, wetend hoe groot de rol van de hartstochten was: de hartstochten konden het verstand behoorlijk in de war brengen. Gottlieb houdt het heel zuinig bij een ‘minder pakkende naam’: ‘Het tijdperk waarin werd gepoogd redelijker te zijn.’

Wanneer Gottlieb dan eindelijk zegt wat de Verlichting voor ons gedaan heeft, kan het niet minder zuinig. Volgens hem is het moeilijk om exact vast te stellen wat op het conto van filosofen geschreven kan worden, maar ‘het getuigt van bekrompenheid’ als men niet wil erkennen dat de denkers van de zeventiende en achttiende eeuw aan de goede kant hebben gestaan bij de gevechten over geloof, verdraagzaamheid, wetenschappelijke vooruitgang en de geleidelijke ontmanteling van de feodale politieke instellingen.

Gottlieb heeft vooral werk gedaan dat al door vele anderen is gedaan. De gemiddeld veertig pagina’s die hij aan een filosoof besteedt zijn uitvoerige encyclopedische lemma’s, gelardeerd met anekdotes en iets over de levensloop. Helder uiteengezet, dat wel, maar zonder dat brisante thema of betoog dat het boek voort had kunnen stuwen. Gottlieb weet eigenlijk niet wat hij in algemene zin van de droom van de Verlichting moet denken. Hij vindt het vaak allemaal nogal dwaas en naïef. Veel verder dan te erkennen dat het toch een ‘intellectueel avontuur’ is geweest dat ons minder onwetend heeft achtergelaten komt hij niet. Dat is geen droom om snel door te vertellen.

De droom der Verlichting door Anthony Gottlieb is uitgegeven door Ambo|Anthos.