Het is geen goed jaar voor actrice en beeldend kunstenaar Sylvia Kristel. Vrienden ontvielen haar en zelf is ze herstellende van een ernstige ziekte. ‘ Laat ik deze tijd maar beschouwen als bezinningsperiode.’
Sylvia Kristel (Utrecht, 1952) sprak liever af in een brasserie of café in de buurt, had ze door de telefoon gezegd: ‘Ik woon nogal klein, het is rommelig en ik heb niet de puf om op te ruimen. Wat ik wél zou willen doen als ik iemand ontvang.’
Ruim op tijd stapt ze de roezemoezige zaak binnen. Rijzig, bleek, gehuld in een wijde blauwe herenjas. Een enkeling kijkt haar even na, peinzend.
Aan tafel pakt Kristel een recente Libération uit haar tas. Geamuseerd toont ze de achterpagina: een interview met ‘het Nederlandse icoon van de seksuele bevrijding van de jaren zeventig’. En vertelt: ‘Een paar jaar geleden heb ik in Brussel, op een feestje bij galeriehouder Jan Mot en schrijver Oscar van den Bogaard, goede vrienden van mij, Manon de Boer ontmoet. Een Nederlandse kunstenares die installaties maakte. Ze wilde met mij werken, zei ze. Het plan boeide me wel. In 2000 en 2001 zijn we met camera en geluidsapparatuur naar Parijs en Los Angeles geweest en heb ik over mijn leven en werk verteld. In L.A. in het Engels over mijn Hollywood-periode, in Parijs in het Frans over mijn jaren daar. De sessies waren vermoeiend maar leuk. Graven in het verleden is zwaar werken. Ik heb alles twee keer moeten vertellen. Het spijt me, zei ik wel tegen Manon, maar ik weet niet wat ik eerder heb gezegd. Maakte niet uit, zei ze. Dat was juist de vorm.’
Deze zomer werd ‘Sylvia Kristel-Paris’ (2003), de veertig minuten durende super 8-film van Manon de Boer vertoond en bekroond op het documentaire festival van Marseille.
De kijker dwaalt door Parijs, slaat straten in, staat stil bij gebouwen, wandelt over bruggen, daalt af in de metro. Buiten beeld verhaalt Kristel, op laconieke toon, in een ononderbroken monoloog over zichzelf, mannen, liefdes en films: van de een naar de ander, over ontrouw, verlangens en twijfels. Zo jammer, zegt ze tenslotte, dat de schoonheid van de stad, zijn architectuur en gebouwen, van de Seine, haar al die jaren domweg was ontgaan. Dan verschijnt ze, net als aan het begin, even in beeld: een sober geklede vrouw van middelbare leeftijd, zwaar trekkend aan een sigaret, in zichzelf gekeerd. Achter haar een groene heuvel met uitzicht op de stad. Vervolgens zwerven we weer door Parijs en vertelt Kristel opnieuw haar verhaal. Maar het klinkt net even anders. Ze bezingt het bijzondere licht van de grote stad, roemt architectuur en gebouwen. Praat over haar succes als filmster, artistieke ontwikkeling en ambities in de schilderkunst.
Twee zelfportretten, twee verhalen. Het eerste werd 22 september 2001 opgenomen, het tweede bijna een jaar eerder, op 20 november 2000.
‘Momentopnamen,’ zegt Kristel met een brede lach. ‘Toen rookte ik nog! Maar ook dat genot is verleden tijd. Ik kreeg last van mijn keel, ik voelde iets dat leek op een verdwaalde doperwt, toen kwamen er felle, omhoogschietende pijnen. Het heeft een tijd geduurd voor duidelijk was wat ik had: keelkanker. Eind 2002 ben ik in het Antonie van Leeuwenhoekziekenhuis intensief bestraald en een paar keer met chemo behandeld, volgens de nieuwste Amerikaanse methoden. De tumor is weg, tot op heden. Eens in de drie maanden ga ik voor controle. Alles goed, iedere keer weer. Van de zomer heb ik om een longfoto gevraagd. Ik vertrouwde het niet. Inderdaad: de artsen zagen iets. Ik ben geopereerd. In één long zat een metastase.
Eén op de drie mensen,’ vervolgt ze, ‘ krijgt het. Vroeger of later. Kanker. Dat zei mijn arts in het AvL. Ik ben aan de vroege kant, maar ik houd mezelf goed in de gaten. Doe mijn best om gezond te leven. Er zijn wel tegenslagen. Vóór die keel was ik in topvorm, althans voelde me zo. Woog drieënzestig kilo (Kristel is 1.76 lang – IH) mijn ideale gewicht. De chemokuren hebben mijn eetlust niet aangetast en van de aansterkende astronautenvoeding ben ik aangekomen . Ik was meteen al gestopt met roken. Dat zette direct aan. Ik heb ook gekapt met blowen. Zelfs de drank heb ik geminderd. In het ziekenhuis is me verteld: er is een verband tussen uw ziekte, drank en sigaretten. Ik vergeet nooit hoe mijn arts in het AvL me, na de kijkoperatie, zei, zeg maar toeriep: “Eenentwintig! Niet meer dan eenentwintig glazen per week!— Daar houd ik me aan. Drie per dag. Als ik een dag niks drink kan ik de volgende dag extra nemen. Het is te doen. Vervelender vind ik mijn gewicht. Ik pas niet meer in mijn kleren. Gênant. Ik ben van maat 36 naar 42 gegroeid. Ik moet me de trappen naar mijn zolderwoning op slepen. Ik moet afvallen. ’
Nee, de momentopname van september 2004 toont niet het beeld van een Kristel in supervorm.
2004 is geen goed jaar, zegt ze mat. Deze zomer overleed in Antwerpen Freddy de Vree, vierenzestig jaar oud. Belgisch schrijver/criticus en sinds 1992 levenspartner van Sylvia Kristel. De eerste zeven jaar woonden ze samen in Brussel. ‘Freddy kookte, ik deed boodschappen. Mijn ideale taakverdeling, want ik ben niet goed in koken. Overdag stuurde hij me naar mijn flat, waar ik minstens tien tekeningen moest maken. Mijn luiheid kreeg weinig kans, ik kon geen kant op en dat was goed. Het waren gelukkige jaren.’
Ze kwam naar Amsterdam voor de repetities van Mensch durf te leven, een voorstelling van Kas & De Wolf waarin de filmster debuteerde als theateractrice. Ook na de tournee bleef ze in het noorden. ‘Freddy ging in Antwerpen wonen, het leek hem beter als ik hier bleef. Met veel geluk heb ik snel betaalbare woonruimte gevonden. Hij kwam ook vaak naar me toe en is heel behulpzaam en zorgzaam geweest toen ik ziek was. Altijd opmonterend en ondersteunend. Wel, ik ben er nog. Freddy is op 3 juli overleden. Zijn bourgondische levensstijl, in het bijzonder van eten en drinken, heeft hem waarschijnlijk geveld. Ik was net geopereerd, op 30 juni, en lag in het ziekenhuis. Ik kon gelukkig wel naar de begrafenis.
Toen Freddy en ik een relatie kregen kenden we elkaar al heel lang. Sinds de tijd dat ik met Hugo (Claus – IH) was. Zij waren altijd dikke vrienden. Hij is weer in mijn leven gekomen toen ik in Los Angeles woonde. Als afgevaardigde van België was hij naar een internationaal congres van kunstcritici en zocht me op. Ik vertelde hem hoe vreselijk mijn huwelijk was en ik geen uitweg zag. Hij was kleinbehuisd, zei hij, maar wilde me wel helpen. Zo is het gegaan. Freddy was vaker daar geweest, ook samen met Hugo, en ze hadden meermaals gezegd: je moet hier weg. Ik zat in West Hollywood, reed geen auto, had weinig filmwerk, schilderde wel veel. Het was een en al eenzaamheid, maar die vond ik okay. Ik zat op een glijbaan van drank en cocaïne. Mijn Amerikaanse echtgenoot bezat drieëntachtig gebouwen, was hartstikke rijk. Maar door al zijn gesnuif ging het mis. Hij is alles kwijt geraakt en zat tenslotte volkomen aan de grond.
Terug in Europa heb ik mijn zelfvertrouwen hervonden, had succes met mijn schilderijen, ontmoette interessante mensen. Een keer per maand gingen we naar Parijs. Dan was het feest! We logeerden bij vrienden, toonden elkaars werk. Het was enerverend en inspirerend. Vooral de groothartigheid en brille van Roland Topor. Freddy heeft, in eigen beheer, een erotisch sprookje van Topor uitgegeven met zes tekeningen van mij. Een ingenieus uitklapwerk in een huidkleurige fluwelen doos.’
Freddy, Hugo, Topor, zegt ze bedachtzaam, ‘zijn drie mensen die grote invloed op mij hebben gehad. Ze zijn ook van belang geweest voor mijn werk. Als je samenwerkt met mensen van statuur brengt dat een zekere exclusiviteit met zich mee. Het geeft een steuntje in de rug en verzacht de “lijdensweg—.’
Van schilderen en tekenen komt het de laatste tijd niet zo, bekent Kristel. ‘Ik heb geen atelier en omdat het bij mij zo klein is maak ik kleine dingen. Te weinig. Er is altijd wel een excuus om niet te gaan schilderen.
Ligt er, bij voorbeeld, een berg fanmail op tafel waar ik iets mee moet. Uit Finland, Duitsland, Canada, alle denkbare uithoeken. Of post, veelal uit Engeland, over healing, over alternatieve geneeswijzen, met goede raad of tapes met rustgevende muziek. Sinds mijn keel heb ik niet meer geëxposeerd. Op het moment werk ik met een aantal kunstenaars aan Topor et moi, een animatiefilm als hommage aan Roland.
Ik vind het leuk om mijn zoon, Arthur, te zien. Hij is bijna dertig, woont in Utrecht en werkt in de coffeeshop van mijn zuster. Arthur is heel geestig, met gevoel voor ironie. “Ik heb dezelfde gevoelens, dezelfde pijn, maar niet het talent van mijn vader (Hugo Claus – IH),— zei hij laatst tegen me. Als hij niet zo nerveus was zou hij een goede stand up comedian zijn. Was ik vroeger meer een tante die altijd veel speelgoed meebracht, de laatste jaren zijn we meer en meer kameraden. Maar het werk! Er moet wel iets gebeuren. Ik moet met iets nieuws komen. Ik kan toch niet de hele dag in bed blijven liggen?
Het spijt me’, zegt ze, terwijl ze haar bord wegschuift, ‘maar ik ben down. Over Freddy, van wie ik geen afscheid heb kunnen nemen. Over Wim Verstappen, die drie weken later overleed. Hij belde me: niet schrikken. Ik heb kanker. De dokter zegt dat ik nog twee maanden heb. Wim en ik hebben ooit iets gehad en zijn altijd bevriend gebleven. Hij was zo trouw, een echte kameraad. Stond ook meteen klaar toen ik ziek werd. Ik heb nog bij hem gewaakt. Diny, zijn vrouw, heeft zijn exen, een paar vrienden en familie bijeengeroepen, de deuren naar de tuin stonden open, het was prachtig weer, Wim lag op bed, rustig en het was klaar. Weg was hij.’
Ze zwijgt. Dan, met indringende blik: ‘Ik zit niet bij de pakken neer. Ik ben in de rouw. Laat ik deze tijd dus maar beschouwen als bezinningsperiode. Ik veer altijd weer overeind!’ ?