Waarom ik Wilders zijn ‘nepparlement’ zo kwalijk neem.

Een van mijn lievelingsboeken tijdens mijn studie politicologie was Crisis en kritiek der democratie van A.A. de Jonge. Hij behandelde daarin ‘antidemocratische stromingen en de daarin levende denkbeelden over de staat in Nederland tussen de wereldoorlogen’. De Jonge, historicus van marxistische komaf, was de eerste die een verschil maakte tussen de ‘grote’ en de ‘kleine’ crisis van de democratie. Het grootste gevaar in het interbellum kwam van openlijk totalitaire stromingen als het Italiaanse fascisme, het Duitse nationaal-socialisme en, niet te vergeten, het Russische stalinisme.

Maar ook buiten de kring van aanhangers van Mussolini, Hitler en Stalin leefde in het Nederland van toen de hang naar de sterke man. Wall Street was ingestort, de economie maakte een diepe crisis door, de werklozen vormden lange rijen voor de arbeidsbureaus en stempellokalen. In dat grimmige klimaat gingen steeds meer kiezers twijfelen aan de zegeningen van de parlementaire democratie met haar politici die elkaar de tent uitvochten. Het mocht wel wat autoritairder.

Dat bedoelde De Jonge met zijn ‘kleine crisis’. Je had rooms-katholieke intellectuelen die dweepten met het corporatisme in het dictatoriaal bestuurde Portugal: daar werden ondernemers en arbeiders door de overheid gedwongen harmonieus met elkaar samen te werken. Was dat ook niet iets voor hier? Musserts NSB had concurrentie van het Zwart Front van journalist Arnold Meijer die de politiek ‘vlees noch vis’ noemde en in zichzelf de gedroomde sterke leider zag. Het Verbond van Nationaal Dietsche Solidaristen wilde Nederland en Vlaanderen herenigen en ‘volksvreemde elementen’ verdrijven. De vestiging van Joodse vluchtelingen in ‘Dietsland’ moest met hand en tand worden bestreden. Het Verbond voor Nationaal Herstel (V.N.H.) van generaal C.J. Snijders achtte de parlementaire partijen ‘totaal verziekt’. De defensie-uitgaven moesten omhoog en dat kon alleen onder streng bewind. Aan de Leidse universiteit trok filosoof Gerard Bolland fel van leer tegen de Joden en de democratie. De studenten hingen aan zijn lippen. In de jaren dertig was het in om af te geven op de ‘Haagse koehandel en compromissen’, op de ‘kleurloosheid en smakeloosheid’ van de politiek.

Ho! Stop! Kijk uit voor de Wet van Godwin! Niemand kon toen nog weten dat er een Tweede Wereldoorlog op uitbreken stond en het Duitse leger zou binnenvallen. Auschwitz was nog een onbekend stationsstadje in het zuiden van Polen. Als Meijer, Snijders en Bolland in de toekomst hadden kunnen kijken, zouden ze wellicht een wat minder autoritaire toon hebben aangeslagen.

Toch valt van de jaren dertig te leren hoe gevaarlijk het is compromispolitiek voor gewetenloze koehandel en het parlement voor een praathuis dat niets uit zijn handen krijgt uit te maken.

Daarom neem ik het Wilders zo kwalijk dat hij bij de Algemene Politieke Beschouwingen voor de Tweede Kamer de term ‘nepparlement’ introduceerde. Een uitspraak die sindsdien door zijn partijgenoten Sietse Fritsma en senator Marjolein Faber is herhaald.

Historische parallellen gaan nooit voor honderd procent op, maar zo heel anders dan de jaren dertig van de vorige eeuw is de periode die wij doormaken nu ook weer niet. Toen de beurskrach op Wall Street, nu de bankcrisis. Toen werkloosheid, nu ook. Toen de Joodse vluchtelingen waarvan werd gezegd dat ze alleen maar op onze banen en uitkeringen afkwamen, nu de Syriërs die voor gelukzoekers worden uitgemaakt. We kunnen de vluchtelingenstroom niet meer aan, werd toen gezegd: de boot is vol. De grens is bereikt, heet dat tegenwoordig.

Natuurlijk is Wilders geen Mussolini, laat staan een Hitler of Stalin. Zijn PVV opereert binnen de smalle marges van de democratie en bedient zich niet van paramilitaire eenheden of gewelddadige knokploegen. Als voetbalhooligans amok maken in de asielopvang in Woerden, veroordeelt Wilders dat geweld. Maar uitspraken doen als ‘senatoren die niet het belang van het Nederlandse volk vertegenwoordigen maar wel dat van miljoenen islamitische vluchtelingen, zijn nepvertegenwoordigers’ (Marjolein Faber bij de Algemene Politieke Beschouwingen in de Eerste Kamer) komt in de gepolariseerde situatie van nu neer op spelen met vuur.

Wilders is geen fascist, hij wakkert wel de ‘kleine crisis van de democratie’ aan.