Boer zoekt vrouw: een welomschreven script?

door Elma Drayer

De geregisseerde authenticiteit van ‘Boer zoekt Vrouw’: een even fraaie als knappe paradox.

Het moest eindelijk maar eens gebeuren. Bijna vijf seizoenen lang begon ik glazig te kijken zodra de conversatie zich in de richting van Boer zoekt Vrouw bewoog. Ik had het betreffende KRO-programma nog nooit gezien. Het was er simpelweg niet van gekomen.

Uit de geschreven pers begreep ik evenwel dat ik heel wat miste. Zodra immers een televisieformat onverwacht breed blijkt te scoren, kruipt intellectueel Nederland achter het toetsenbord om het succes ervan te duiden – liefst in samenhang met tijdgeest en volksaard. Ik herinner me diepgravende analyses over het succes van Big Brother, van Idols. Ook bij Boer zoekt Vrouw was dat binnen de kortste keren het geval.

Daaruit leerde ik bijvoorbeeld dat de furore te maken had met het feit dat de makers ons inzicht boden ‘in de problemen waarmee moderne boeren op dit moment kampen’. Dat dankzij het programma het boerenberoep ‘ineens weer salonfähig’ was geworden, het imago spectaculair opgevijzeld. Veelvuldig las ik dat het succes te verklaren viel uit onze ‘hang naar authenticiteit’ in deze geïndividualiseerde en hectische samenleving. Menigeen wees daarbij op de hoge verkoopcijfers van hedendaagse schrijvers als Jan Siebelink, Gerbrand Bakker en Franca Treur, wier boeken eveneens zicht boden op een bijna verloren wereld, ver weg van die der meeste Nederlanders.

– Soms dook een goedlache jongedame op, in een kleuterjas

Ook de wetenschap boog zich over de immense populariteit van het concept. Het Wageningen University & Research Centre wijdde er op zijn website een compleet ‘dossier’ aan. Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut zette de ongehuwde boer in historisch perspectief. En aan de Erasmus Universiteit Rotterdam schreef iemand een heuse masterscriptie over taalgebruik en ‘stereotypering’ in Boer zoekt Vrouw. ‘Meer wetenschappelijk onderzoek naar dergelijke programma’s is echt nodig,’ schreef een mediaprofessor, ‘en ook erg interessant.’

Dit alles verleidde me nog niet. Maar toen in januari het kijkcijfer de ‘magische grens’ van vijf miljoen overschreed, en bovendien om mij heen de ene na de andere verslaafde giechelend uit de kast kwam (‘Ze zijn zo écht!’) gaf ik mezelf gewonnen. Niet zo nuffig, jij. Kijken. En dus zat ik zondagavond stipt om 20.20 uur op de bank, koffie binnen handbereik, de televisie afgestemd op Nederland 1.

Na enkele minuten voelde ik me zoals een geboren atheïst zich moet voelen bij zijn allereerste kerkdienst. Iedereen begrijpt precies wat er te gebeuren staat, behalve jij.

Ik zag een reeks personages in wisselende samenstelling dezelfde rituelen uitvoeren (naar de supermarkt, koken, samen agrarische klussen doen, lopen in het hoge gras, uitkijken over het water, zitten in de schuur). Tussendoor hoorde ik ze tegen elkaar nogal intieme teksten prevelen (met om de paar zinnen woorden als ‘gevoel’ en ‘verstand’). En op gezette tijden dook er plotseling een goedlachse jongedame op, gekleed in een kleuterjas, bij wie de deelnemers desgewenst hun hart konden luchten.

Pas gaandeweg drong tot me door wat ervaren kijkers natuurlijk allang weten: dat er ergens een welomschreven script klaarligt dat door de trouwlustigen heel zoet wordt nagevolgd en ingevuld. Alleen wie uiteindelijk wie krijgt, blijft geloof ik tot de laatste aflevering in het ongewisse.

Geregisseerde authenticiteit – het is een even fraaie als knappe paradox. Helemaal als je er wekelijks meer dan vijf miljoen landgenoten mee aan het scherm weet te kluisteren. Of ik daar zondagavond ook weer bij ben? Ik weet niet of het ervan komt.