Libris geschiedenis prijs: Kasavubu baalt

door Ronald Havenaar

De keuze van de kandidaten voor de Libris Geschiedenis Prijs beweegt zich tussen bizar en terecht. Vijf recensies.

Zaterdag 23 oktober wordt voor de vierde keer de Grote Geschiedenis Prijs, inmiddels omgedoopt tot Libris Geschiedenis Prijs, uitgereikt. De afgelopen jaren leek de jury bevangen door genegenheid voor de biografie. In 2008 zegevierde Luuc Kooijmans met zijn boek over de wetenschapsman Jan Swammerdam, in 2009 won Jolande Withuis met het levensverhaal van verzetsstrijder Pim Boellaard. Bij die laatste gelegenheid presteerde de jury het zelfs om op de shortlist van vijf beste boeken vier biografieën te plaatsen. Dit jaar was het blijkbaar tijd voor een forse koerscorrectie. Onder leiding van Paul Schnabel werd geen enkele biografie geselecteerd. Het waardevolle boek van Piet Hagen over Troelstra is het duidelijkst slachtoffer geworden van deze dwarsheid.

Individualist Jacques Gans wordt geportretteerd in de 'Telegraaf'-geschiedenis

Bernhard-bashing

Op de huidige shortlist ontbreekt het biografische genre niet helemaal, maar het boek van Annejet van der Zijl over Bernhard kan niet doo rgaan voor een volwaardige biografie. Ze houdt op in 1945, nota bene drie jaar voordat Bernhard als gemaal van koningin Juliana aan het belangrijkste deel van zijn publieke leven begint. Die periode wordt in het slothoofdstuk van nog geen ve ertig bladzijden samengevat. Van der Zijl, die op deze monografie is gepromoveerd, behandelt uitgebreid de geschiedenis van het Duitsland waarin de in 1911 geboren Bernhard opgroeide. Vooral het adellijke nest komt uitvoerig ter sprake. Daar is iets voor te zeggen voor zover Van der Zijl duidelijk maakt dat hij in hoge mate het product van zijn afkomst was. Minder begrijpelijk is dat zij haar kennis ook uitvoerig uitstalt als deze niet zo relevant is. Waarom bijvoorbeeld uitgebreid het krijgsverloop geschetst van de Eerste Wereldoorlog, die begon toen Bernhard een peuter was?

Op het omslag prijkt de uitroep van Geert Mak: ‘Een prachtig boek. Hulde!’ Uit zijn mond een begrijpelijk compliment, want Van der Zijl vertoont een voorkeur voor geschiedschrijving die simpel van inhoud en sappig van stijl is. Helaas leidt dit soms tot een overzichtelijkheid die berust op een tekort aan kennis. Zo beweert ze dat het jaar 1923, toen Duitsland werd getroffen door een hyperinflatie, ‘algemeen’ wordt beschouwd als het jaar dat de Duitse geschiedenis ‘voorgoed’ bepaalde. Een paar bladzijden later ontkracht zij trouwens zelf deze stellige bewering met de opmerking dat in 1924 door het economische herstel ‘alles weer gewoon werd’.

De voorliefde voor eenvoud komt ook naar voren in de merkbare afkeer van Bernhard. Van der Zijl schrijft in haar inleiding de essentie van de persoon op te willen sporen, maar die ambitie legt het af tegen de drang om Bernhard te ontmaskeren. Hij wordt geportretteerd als een feestbeest, een klaploper en een leugenaar. Deze exercitie in Bernhard-bashing levert een plat portret op. Tussen de regels door merk je dat Van der Zijl haar project over dit abjecte personage zuchtend tot een einde heeft gebracht. In 1945 aangekomen was het genoeg: eindelijk gepromoveerd! Vreemd dat deze minder dan een halve biografie is genomineerd.

NSB van binnenuit

Het werk van Robin te Slaa en Edwin Klijn over de beginjaren van de Nationaal-Socialistische Beweging is ook een deelstudie, maar dat is dan ook de enige overeenkomst met het werk van Van der Zijl. Deze monografie over de NSB getuigt van een grote degelijkheid. De auteurs kennen literatuur en archiefmateriaal door en door. Zorgvuldigheid gaat samen met leesbaarheid in een boek dat de meest succesvolle periode van de NSB behandelt. Sinds de oprichting in 1931 kreeg de NSB binnen 5 jaar bijna 50.000 leden. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1935 verwierf de partij bijna 8 procent van de stemmen. De auteurs gaan uitvoerig in op de oorzaken van dit succes en maken duidelijk dat de NSB op een radicale wijze het anti-democratische sentiment verwoordde dat in meer verlichte vorm wijd verspreid was in de Nederlandse samenleving. De auteurs beschrijven de NSB ook van binnenuit, met een liefde voor detail die van de lezer een lange adem vraagt. Het boek van 900 bladzijden is een prestatie van formaat, maar het is ook een erg specialistisch en bovendien een incompleet werk. Van de 15 jaar dat de NSB bestond, wordt slechts een derde deel behandeld. Dit boek is niet meer dan een begin van wat de definitieve studie over de NSB zou kunnen worden. Een eerbetoon aan de auteurs kan dus nog wel even uitstel velen.

Verzonnen Congo

Dat het boek van David Van Reybrouck over Congo is genomineerd, wekt verbazing. Geschiedschrijving is een vrij genre; het leggen van verbanden tussen feiten biedt grote ruimte aan de verbeeldingskracht. Maar feiten verzinnen, dat gaat toch echt te ver. En dat doet deze auteur in een werk dat een combinatie biedt van historisch verhaal, reisreportage, interviews en fantasie. Over de geschiedenis van Congo vóór 1870, toen het land door de Belgische koning Leopold II werd ingelijfd, is weinig bekend. Van Reybrouck biedt uitkomst door de voorafgaande eeuwen er doodleuk bij te verzinnen.

De auteur, van nobele bedoelingen vervuld, wil vooral de gewone Afrikaan laten spreken. Hij is archeoloog en heeft geleerd dat ‘niet-tekstuele informatie een voller en tastbaarder beeld geeft’. Wat hij kennelijk niet weet, is dat de herinnering als historische bron hoogst onbetrouwbaar is. Wat worden we wijzer van de interviews met voormalige aanhangers van Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo, die banale propagandapraatjes verkopen? De auteur heeft een verklaarde afkeer van eurocentrisme en dus drinkt hij het allemaal gulzig in. Zijn preoccupatie met de authentieke Afrikanen heeft het nadeel dat een figuur als Leopold II, die toch geen geringe rol speelde in de geschiedenis van Congo, bij gebrek aan belangstelling een karikatuur blijft.

Het boek van Van Reybrouck, die ook romans schrijft, is door menig kwaliteitsdagblad ingehaald als literair meesterstuk. Het leest zonder twijfel lekker vlot weg. Maar dat komt toch vooral omdat de auteur grossiert in stilistische kitsch. Moerassen zijn ‘koortsig’, stroomversnellingen zijn ‘onverbiddelijk’ en een scheepswrak ‘brult zwijgend naar de wolken’. Naast aanstellerige stijlbloempjes is Van Reybrouck ook dol op spreek- en kindertaal: focussen, insteek, zien zitten. In een typerende passage over de eerste president van Congo schrijft hij: ‘Kasavubu baalde’. Inmiddels is dit boek ook genomineerd voor de AKO Literatuurprijs.

Het type van de Nederlandse huisvrouw is voor het volkskarakter even belangrijk als dat van de dominee

De geroepen huisvrouw

Vrouw des huizes van Els Kloek is een werk dat van grote ambitie getuigt. In vogelvlucht schildert Kloek een cultuurgeschiedenis van de Nederlandse huisvrouw door de eeuwen heen. Het is het boek van een deskundige die heel veel materiaal heeft verwerkt en haar onderwerp volledig beheerst. Het type van de Nederlandse huisvrouw, zo laat Kloek overtuigend zien, is voor het Nederlandse volkskarakter even belangrijk als dat van de koopman en de dominee. Volgens een taaie traditie is haar plaats van bestemming de echtelijke woning, waar zij voor gezelligheid en netheid zorgt en waar zij ook de vaak eigenzinnige baas speelt.

Kloek gebruikt teksten, prenten en schilderijen als bron. Ze schreef haar smaakvol geïllustreerde boek in een prettig laconieke stijl, vrij van de verongelijkte wij-onderdrukte-vrouwentoon. Opvallend is ook de relativerende wijze waarop zij over de invloed van het feminisme schrijft. De eerste feministische beweging, aan het eind van de negentiende eeuw, keerde zich volgens haar niet tegen de klassieke rolverdeling van mannelijke kostwinner versus huisvrouw, maar ijverde voor de oprichting van huishoudscholen en organiseerde tentoonstellingen om aandacht te vragen voor het handwerk dat vrouwen naast hun huishoudelijke arbeid produceerden. Huisvrouw zijn bleef een roeping, in de ogen van de vroege feministes was het voor arbeidersvrouwen zelfs een middel tot verheffing. Pas in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw kwam deze culturele traditie volgens Kloek onder druk te staan, zonder geheel te verdwijnen.

Kloek beschrijft zowel de beeldvorming over de Nederlandse vrouw als haar positie in de historische werkelijkheid. Minpuntje is dat ze niet goed duidelijk weet te maken hoe die twee zich tot elkaar verhouden. Als ze op deze relatie ingaat, krijgt haar stijl een stroefheid die beslist niet representatief is voor haar boek. Al met al een boek dat een terechte winnaar van de Libris Geschiedenis Prijs zou kunnen zijn.

Honderd jaar dagbladinhoud

Maar er is ook nog de monografie van Mariëtte Wolf over de geschiedenis van het in 1893 opgerichte dagblad De Telegraaf. Dit werk voldoet aan alle eisen van een mooi geschiedenisboek. Het behandelt een afgerond onderwerp, presenteert nieuw materiaal, schetst met vaste hand een rode lijn, schenkt tegelijk veel aandacht aan nuances en is vloeiend geschreven.

De auteur heeft honderd jaar dagbladinhoud in haar boek verwerkt, wat op zichzelf al een immense prestatie is. Daarnaast bespreekt zij ook de bedrijfsgeschiedenis van het concern De Telegraaf. Bovendien wordt de ontwikkeling van de krant in zowel een politieke als culturele context geplaatst. Het boek stijgt door die aanpak in betekenis uit boven zijn onderwerp: het geeft een boeiende geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw.

Wolf heeft een scherp oog voor het feit dat een krant bestaat uit de mensen die hem maken. Bij De Telegraaf waren dat vaak leuke gekken zoals Alexander Cohen en Jacques Gans. Met hun tegendraadse individualisme gaven zij kleur aan een krant die vooral succes had dankzij de jacht op primeurs en aandacht voor faits divers. Minder bekend is dat De Telegraaf ook in andere opzichten voorop liep, bijvoorbeeld door al in de jaren ’20 veel aandacht te schenken aan ontwikkelingen in de Amerikaanse samenleving. Wolf laat zien hoe de krant vóór de Tweede Wereldoorlog een voorhoederol speelde in het pas decennia later succesvolle verzet tegen de verzuiling. Zij toont aan dat de krant bij de naoorlogse perszuivering wegens deze houding extra streng werd gestraft. Dit boek is geschreven in opdracht van De Telegraaf, maar Wolf toont geen enkele terughoudendheid in haar oordelen. Het slechte oorlogsverleden komt uitgebreid aan de orde, terwijl de typering van de naoorlogse Telegraaf als ‘spreekbuis van de reactie’ duidelijk genoeg is. Een hoogtepunt is het verhaal over de geraffineerde wijze waarop de krant in de jaren zestig en zeventig, toen de oplage steeg tot boven het half miljoen, appelleerde aan de opvattingen van de zwijgende meerderheid.

Met twee onbegrijpelijke, één solide en twee voortreffelijke keuzes scoort deze jury een zesje. Dat kan iets meer worden als zaterdag Els Kloek met Vrouw des huizes of, beter nog, Mariëtte Wolf met Het geheim van De Telegraaf zegeviert. Het kan ook minder worden als de lauweren naar een van de twee kandidaten gaan die geschiedenis schrijven op glossyniveau.

Annejet van der Zijl, ‘Bernhard. Een verborgen geschiedenis’, Querido, 456 p., € 27,95; Robin te Slaa & Edwin Klijn, ‘De NSB. Ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging 1931-1935′, Boom, 939 p., € 39,50; David Van Reybrouck, ‘Congo. Een geschiedenis’, De Bezige Bij, 680 p., € 29,90; Els Kloek, ‘Vrouw des huizes. Een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw’, Balans, 256 p., € 19,95; Mariëtte Wolf, ‘Het geheim van De Telegraaf’, Boom, 565 p., € 19,95

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.