Doeschka Meijsing (1947 – 2012)
door Jeroen Vullings
Het kauwgomkind. Zo heet haar nieuwe boek dat op de kalender van uitgeverij Querido met te verschijnen titels voor de afgelopen maand stond aangekondigd. Dat zal nu postuum gepubliceerd worden, een besef dat geleidelijk moet doordringen.Doeschka Meijsing overleden, een schok. Niet alleen door haar leeftijd, vierenzestig is te jong, maar ook omdat ze, rijkelijk laat in haar schrijversloopbaan, vanaf 2000, de romans ging publiceren waardoor ze herinnerd zal worden. Ze was niet uitgeschreven.
Doeschka Meijsing, geboren als Maria Johanna Meijsing op 21 oktober 1947 te Eindhoven, gestorven in Amsterdam op 30 januari jongstleden, was veel: neerlandica, literair critica, schrijfster. Met Carel Peeters stond ze, als redacteur van Vrij Nederland, aan de wieg van het boekenkatern De Republiek der Letteren. In 1978 kwam ze bij VN en toen had ze al De hanen en andere verhalen, Robinson en De kat achterna op haar naam, geacheveerd geschreven jeugdwerk waar de geest van Simon Vestdijk vaardig over was. Ze verliet VN tegen haar zin. Er moest bezuinigd worden en, zo kon ze jaren later nog vurig en met bijtende spot vertellen, haar schrijverschap werd bij die afvloeironde door de toenmalige hoofdredactie opeens tegen haar gebruikt. Dat zou haar ware roeping zijn, werd voor haar besloten.
Daar voegde ze zich maar naar. Ze leidde een honkvast bestaan in de Amsterdamse binnenstad en schreef, het ene boek na het andere. Voorschotten wilde ze niet, ze leefde van de bescheiden royalties van haar werk. Als schrijver stond ze in die jaren in de schaduw van haar jongere broer Geerten, die de lezer in semi-autobiografisch proza deelgenoot maakte van het aanmerkelijk wildere, exotische bestaan dat hij almaar zoekt. Bij Doeschka Meijsing vinden de (geconstrueerde) avonturen veelal in de verbeelding plaats, op papier. Al zijn ze allemaal geput uit haar autobiografie, verklaart broer Geerten in hun gezamenlijke boek Moord en doodslag.
In het licht van de literaire geschiedenis was haar ware roeping inderdaad: schrijven. Al werd dat pas in 2000 duidelijk, toen ze de grootse, filosofische roman De tweede man publiceerde. Haar meesterwerk, waarin ze het uiterste van haar kunnen toonde. Haar hoofdpersoon, de leraar Robert raakt na een erfenis hevig op drift, reist van hot naar her, gaat een amourette aan met een overspelige Italiaanse, drinkt als een tempelier en eindigt ondanks zijn fijne geld niet gelukkig. De aangeboorde kennis in die (avonturen)roman, zeker die over de wortels van het christendom, en de vele en inventieve verhaallijnen, maken het geen simpele lectuur. Maar Roberts tragiek, zijn liefdesverdriet, de zuigkracht van zijn alcoholisme en zijn down and out-ellende zijn ronduit emotionerend. Wat De tweede man zo’n allure geeft, is de psychologie. In het blootleggen van Roberts al te menselijke zwakheden excelleert Meijsing. Hij is de eeuwige man in de coulissen – tevens een adequate typering van de persoon achter haar schrijverschap.
Met psychologisch inzicht, met scherpe, concessieloze observaties, dit alles gelardeerd met beschermende ironie – zo gaf ze in haar proza het menselijk tekort vleugels. In haar mooiste, 100% chemie, een autobiografische familieroman, schetst Meijsing een liefdevol portret van haar moeder, de sterke vrouw in het gezin, de meesteres van de vertelkunst, degene die de illusie een leven lang koestert. ‘Zoveel raadselachtige liedjes had ze al haar hele leven voor mij gezongen zonder maar te vermoeden dat haar zingen de grondtoon was voor alles wat ik zou schrijven.’
Het grote publiek ontdekte haar door De tweede man, de talkshows volgden in 2008 met Over de liefde, bekroond met de AKO Literatuurprijs. Oudere lesbienne wordt verlaten door haar partner, nota bene voor een man – dat is de inzet. In dit verhaal met een hoog sleutelromangehalte wordt de verbeelding ingezet ter verwerking van navrante werkelijkheid: het verlies van een grote liefde, en het verlies van de illusie die liefde heet. Hard en tegelijk liefdevol, zo schreef ze.
En zo was ze. Ik herinner mij haar toespraak bij de uitvaart van haar vader. Ze somde liefdevol en onverbiddelijk alles op wat hij niet voor haar gedaan had en waarnaar ze levenslang verlangd had, zoals een dans met hem na haar eindexamen. Die aanklacht eindigde vergevingsgezind, in het benoemen van wat hij desondanks voor haar betekende. Zo confronterend en kwetsbaar tegelijk zijn, dat kon ze als geen ander in ogenschijnlijk licht proza verwoorden. Die stem zal ik missen.
Foto: Eddy de Jongh


Pingback: Longlist Libris Literatuurprijs en Gouden Boekenuil én ander literair nieuws « Biblogasse