De giftige wortels

door

Grote namen rouwden in 2011, maar wie verder kijkt ziet dat dit het jaar was van de historische roman. Met als hoogtepunt het schitterende ‘Het bloed in onze aderen’ van Miquel Bulnes, over Spanje aan het begin van de vorige eeuw.

Wie zijn indruk van de Nederlandstalige romanoogst van 2011 laat bepalen door ‘grote namen’, hobbelt van incident naar incident. Bernlef, altijd in voor potboilers, gaat literair desastreus aan de thriller met De een zijn dood. Herman Koch vernieuwt zijn gebeitelde bestsellerformule in Zomerhuis met zwembad. Robert Anker schrijft met Oorlogshond een vitale, contemporaine roman over oeroud heldendom. Marcel Möring publiceert Louteringsberg, al de tweede mislukking in zijn Danteske trilogie-in-aanbouw. Jeroen Brouwers haalt niet het niveau van de meester in zijn mulischeske roman Bittere bloemen. Kluuns Haantjes wordt toegejuicht door de Volkskrant en NRC Handelsblad – een knettergekke landslide in de literaire kritiek. A.F.Th. van der Heijden verrijkt ons met Tonio, een roman zo indringend en verpletterend dat we herlezing nog even uitstellen.

Beperkt tot dat echelon van gebruikelijke verdachten zal 2011 wel te boek gaan staan als het jaar van de rouwliteratuur, met Tonio en (ook al is dat helaas geen roman) Connie Palmens Logboek van een onbarmhartig jaar. Rouwliteratuur, een noodzakelijk genre voor schrijvers die getroffen worden door een groot persoonlijk verlies. Het zijn de boeken die ze niet wilden, maar moesten schrijven, om daarna verder te kunnen schrijven. Het zijn de realistische boeken die ontwrongen zijn aan, bevochten op of gedwongen zijn door de realiteit. De schrijvers Van der Heijden en Palmen hadden uiteraard liever de luxe gesmaakt met de realiteit als uitgangspunt via de verbeelding een parallelle, volledig romaneske werkelijkheid te scheppen. Dat is ze bij een volgend boek van harte gegund.

Rebellerende Berbers

Maar wie bij zo’n vlootschouw van 2011 scherper kijkt, krijgt oog voor een flottielje van minder bekende schrijvers van historische romans. Die kwam er niet van het ene op het andere moment: vorig jaar schreven Gustaaf Peek (Ik was Amerika) en Marente de Moor (De Nederlandse maagd) al historische romans. Dit jaar verschenen Johan de Booses Bloedgetuigen, Stefan Brijs’ Post voor mevrouw Bromley, Miquel Bulnes’ Het bloed in onze aderen, Erik Menkvelds Het grote zwijgen, Jan Van Loys Ik, Hollywood en Richard Osinga’s Een duivel met een ziel. Ik licht ze niet alleen uit omdat het stuk voor stuk romans zijn die ik met plezier gelezen heb, maar vooral omdat het historische romans zijn. Dit in tegenstelling tot de vie romanceé, die grofmazige, vaak pover uitpakkende combinatie van biografie en roman, waarop feelgoodschrijvers als Arthur Japin zich storten. Differentiëren is mijn werk, zo niet m’n lust en leven, dus ik richt me op de beste historische romans van 2011: die van De Boose, Bulnes en Van Loy. Daarmee wil ik weinig afdoen aan de anderen. Menkvelds romandebuut verdicht dramatisch en beeldend de vriendschap tussen de vaderlandse componisten Alphons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen, meester en leerling, genieters van vrouwelijk schoon. Tegen het decor van de strijd in 1909 van de Sultan tegen de rebellerende Berbers in Marokko speelt Osinga’s meeslepende jongensavontuur over twee Franse ijzervreters en een redbaar meisje. In zijn romantisch heldendom bevragende anti-oorlogsroman voert de vakbekwame verteller Stefan Brijs twee jongens op die belanden op gruwelijke slagvelden in de Eerste Wereldoorlog.

Nog even op televisie

Jan Van Loy is een verrassende schrijver, al vanaf zijn eigenzinnige debuut Bankvlees, over twee schelmen die moeten kiezen tussen een leven doordesemd van maatschappelijk conformisme of de destructie aan de zelfkant. Achteraf kun je op grond van zijn eerdere boeken zeggen dat die de voortekenen bevatten van een epos als Ik, Hollywood, maar dat is achteraf gepraat. Naast de keuze voor wel of geen conformistisch bestaan zat er thematisch altijd wel een van-loopjongen-tot-miljonair-element in zijn proza. Meestal een Belg die de Amerikaanse droom ging waarmaken. Dat heeft Van Loy uitgewerkt in Ik, Hollywood, een indrukwekkend epos dat het midden houdt tussen de biografie van een filmstad en de levensgeschiedenis van de oprichter van Hollywood. Louie Peters heet-ie, op zijn zeventiende trok hij naar Hollywood, inmiddels is hij honderdacht jaar oud en woonachtig in Brussel. Ik, Hollywood is gelardeerd met smeuïge, glamoureuze en decadente filmgeschiedenis, van anekdotes tot ‘Voor een briefkaart op de eerste rang’-filmquizfeitjes. Maar het gaat Van Loy er natuurlijk om dat zelfs een machinale dromenfabriek als ‘Hollywood’ ook zelf een verhaal is – al dan niet verzonnen. Ik, Hollywood is een ode aan de fictie.

Aan romans als Ik, Hollywood en (nog meer) Bloedgetuigen en Het bloed in onze aderen ontlenen commerciële prijzen als de AKO- en de Libris Literatuurprijs hun literaire bestaansrecht. Zo’n lijvig boek verschijnt, de literaire kritiek spreekt zich uit – overwegend positief, ook nog. Een paar literatuurminnaars slaan hun slag. Misschien komt zo’n schrijver nog even op de televisie, al is de kans klein, want ja, dik dús moeilijk boek plus onbekende naam, dan liever een Bekende Nederlander die – dolletjes – ook nog ‘schrijver’ is – een onbeschermde titel, even inflatiegevoelig als doctorandus.

Een Vlaamse SS’er

Maar redding komt ietsje naderbij – áls er een jury is die zijn werk doet. Het boek belandt op de longlist, dat zegt nog niks. De shortlist is het serieuze werk, want dan zijn er opeens weldra ‘verliezers’, genoeg om de brood-en-spelen-behoefte van het massapubliek te stillen. Is dat slecht? Nee, de voordelen zijn groter. Zo werd Thomas Rosenbooms meesterwerk Gewassen vlees gereanimeerd, nadat het, nog geen jaar na verschijnen, alweer was weggezakt in het collectief geheugen. Een ambitieus boek dat het nodige van de lezer vergt, heeft tegenwoordig zo’n opkontje nodig, ‘t is niet anders. Het winnen van zo’n grote prijs is handig, maar niet cruciaal. Een nationaal gekoesterde komiek of een voetballer die bij de altijd energieke talkshow DWDD je boek prijst – dat geeft tegenwoordig de doorslag. Dat overkwam Peter Buwalda kort geleden, sindsdien vliegt Bonita Avenue over de toonbank. Terecht, in dit geval. Maar meestal, helaas, moeten goede boeken het zonder deze nazorg doen. Ik zie zoiets zeker niet gebeuren bij Johan de Booses Bloedgetuigen. Hij heeft het zichzelf en de lezer bewust moeilijk gemaakt. Eigenlijk is Bloedgetuigen niet één roman, maar vier tegelijk. Zijn onderwerp is de door -ismen geteisterde twintigste eeuw en dat anti-utopisme verbeeldt hij door een drietal verhaallijnen dooreen te vlechten. Op die manier slaagt hij erin via de personages – of het nu een Vlaamse SS’er is of een Russische Jood – de alledaagse gruwelen van het nazisme en het communisme voor het voetlicht te brengen. Allemaal goed te volgen, de verhalen zijn dan weer ontroerend, dan weer verkillend van narigheid. De Booses stijlfiguur is de hyperbool, iets wat niet alleen de omvang van zijn roman dicteert, maar ook het intertekstuele, overvolle, encyclopedische karakter. Niet alleen de geschiedenis trekt tot in detail voorbij, maar ook de halve wereldliteratuur. Ik heb daar geen bezwaar tegen, fictie kan een moeilijk genot zijn. Maar bepaald lezersonvriendelijk is De Booses oplossing om zijn verhaallijnen van een bredere historische context te voorzien; hij introduceert daartoe een essayerende stem, ‘de slettebak’, die in delirerende, exuberante, scheldende taal de anti-moraal van de voorbije eeuw personifieert.

Literair is die taal niet nieuw – Louis-Ferdinand Céline ging De Boose daarin voor. Het is duidelijk dat De Boose verwantschap zocht met Hugo Claus’ Het verdriet van België en Jonathan Littells De welwillenden, maar de schaduw van Louis Paul Boon valt eveneens over dit boek. Ooit heb ik zijn De Kapellekensbaan, dat eveneens een verhaal kent dat gelardeerd is met commentaar op metaniveau, braaf integraal gelezen. Was de moeite waard, maar zou ik het nog eens lezen, dan toch echt alleen de verhalende passage over het fabrieksmeisje Ondine. Die neiging mij te beperken tot de verhalen heb ik ook bij Bloedgetuigen. Is De Booses kaleidoscopische roman daarmee mislukt? Geenszins. Tegenover alle obstakeltjes staat een keur aan, modern gezegd, bonuspunten in deze rijke roman.

Voortdurende dreiging

Toch verkies ik Miquel Bulnes’ Het bloed in onze aderen en dat is niet alleen een kwestie van smaak. Zowel De Boose als Bulnes leverden met hun historische roman hun meesterproef af. Vanuit het niets, leek het wel. Al waren er voortekenen: de journalist De Boose schreef daarvoor vooral non-fictie, superieure reisverhalen door Oost- en Midden-Europa. Miquel Bulnes, van Nederlands-Spaanse bloede, liet zich daarvoor kennen als schrijver van ironisch-realistische zedenschetsen van de ziekenhuiswereld – hij is als arts werkzaam bij het UMC. Maar Spanje speelde ook al een belangrijke rol in zijn derde, beduidend grimmiger boek, Attaque. Voor beide schrijvers geldt met betrekking tot het eerdere werk: het was nog geen grote gooi. Bulnes’ legt de lat behoorlijk hoog in Het bloed in onze aderen; hij laat daarin de roerige vroeg-twintigste eeuw in Spanje herleven, via personages die elkaar vanwege politieke belangen naar het leven staan – een verscheurdheid in Spanje die de opmaat vormt tot de Burgeroorlog. Zijn roman is niet minder dan een zoektocht naar de giftige wortels van de Burgeroorlog, de periode daaraan voorafgaande waarin een stel intriganten, veelal boze militairen en machtsbeluste geestelijken, in opstand komt tegen de regering en een staatsgreep pleegt – de Spaanse Pronunciamento. Bulnes’ roman doet qua complexiteit niet onder voor die van De Boose. Ook hij vervlecht verhaallijnen zodanig dat het politieke – het chaotische Spanje in het decennium na de Eerste Wereldoorlog, getriggerd door de totale nederlaag tegen de Berbers in het protectoraat Marokko – verweven wordt met het persoonlijke: een macabere moordzaak in een bordeel (die later politiek gemotiveerd blijkt) en de moeizame pogingen van een gehandicapte oorlogsheld om in de burgermaatschappij een jong gehuwd, heteroseksueel bestaan te leiden.Maar Het bloed in onze aderen verschilt in aanpak van Bloedgetuigen als dag en nacht. Bulnes neemt volstrekt geen afstand van zijn vertelling – zoals De Boose wel doet met die slettebak. Hij schreef een verhaal waarin de geschiedenis via de persoonlijke verhalen strak en ingehouden verteld wordt, vanuit het kleine verbeeldt hij het grote – een aanpak die diametraal op die van De Boose staat. Nergens stijgt hij boven het verhaal uit, al heeft Het bloed in onze aderen een alwetende verteller. Bulnes houdt alles, een ware kunst, zo klein en persoonlijk mogelijk, informatie wordt slechts verstrekt als dat nodig is voor de personages. De voortdurende dreiging die in zijn roman hangt wordt gereleveerd door Bulnes’ grote troef: zijn ironie, waarmee hij de psychische gesteldheden van zijn zo tastbare historische personages menselijk, al te menselijk maakt – en daarmee herkenbaar voor de contemporaine lezer. Het bloed in onze aderen keert zich – rare stellige uitdrukking bij Bulnes’ hyperempathische schrijven – tegen het gemakzuchtige moralisme: in het Spanje uit het verleden, en langs lijnen der universaliteit ook in het Spanje uit het heden.

Literair ijkpunt

Meestal wordt de geslaagde historische roman gedefinieerd door mogelijke valkuilen die vermeden zijn. De ergste en meest gebruikelijke heet overdocumentatie: de schrijver heeft tal van historische studies bestudeerd, schriften vol aantekeningen gemaakt en in plaats van die voor het schrijven weg te mieteren, komen die feiten, jaartallen en andere weetjes allemaal in de roman. Een andere valkuil is dat de schrijver, naarstig op zoek naar de universaliteit die zijn roman over vroeger ook een roman over nu maakt, het algemeen menselijke te veel benadrukt door de mensen van toen te veel over een kam te scheren. Psychologie is een probaat middel om de afstand tussen verleden en heden op te heffen en (dramatische) ironie dient juist om die afstand weer te benadrukken. Dat onscheidbare duo is van onschatbare waarde voor de historisch romancier die het verleden met de tastorganen van zijn dromen wil omspelen. Bovenstaande metafoor is van de schrijver Simon Vestdijk, de peetvader van de (moderne) historische roman in ons taalgebied, en mijn immer standvastig literair ijkpunt. In zijn essay ‘De betovering van het verleden’ (in: Essays in duodecimo, 1952) formuleert hij precies de vrijwel onhaalbare eisen om van het verleden een open boek te maken. Vestdijks beste historische romans beantwoorden aan dat strenge eisenpakket, en ook de schitterende historische roman Het bloed in onze aderen. Bij wijze van chapeau aan leerling Bulnes dit citaat van de meester: ‘Niet dat onze voorouders zulke verschrikkelijke brede hoeden droegen, kenschetst het verleden in al zijn raadselachtigheid, maar dat zij bestonden en niet meer bestaan, dat zij heen zijn en toch nog aanwezig, dat zij tot de werkelijkheid werden toegelaten, om er bij ondoorgrondelijk decreet weer uit verbannen te worden. Hier reiken de dichter en de filosoof van de tijd elkaar de hand, aandachtig gebogen over hun onderwerp; en op een afstand slaat de historische romancier hen gade, naijverig, bleek van zijn bronnenstudie, en zich tevergeefs inspannend om op te vangen wat die twee daar met elkaar verhandelen.’

Illustratie: Siegfried Woldhek

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.