‘Vikingverhalen werken hier overal in door’

door Ed van Eeden

‘Laatst zat ik in Italië in een forum samen met Elmore Leonard.’ Arnaldur Indridason grijnst breed. ‘We hadden het over de achtergronden van onze misdaadboeken. Hij komt uit Detroit, waar jaarlijks zo’n zeshonderd moorden plaatsvinden. Ha! In heel IJsland hebben we jaarlijks hooguit één of twee moorden. Meestal niet één. Daar komt nog bij dat niemand hier wapens heeft, alleen het Viking-team van de politie, dat slechts wordt ingezet bij calamiteiten en noodgevallen. Dus Leonard is ten opzichte van mij ontzettend in het voordeel, want mijn handen zijn geboeid. Ik kan in mijn boeken geen pistolen gebruiken en al helemaal geen vuurgevechten. Wilde achtervolgingen per auto of met helikopters zijn ook uitgesloten, want waar zou iemand heen kunnen vluchten? En seriemoordenaars, terroristen of internationale maffia, die de voornaamste inkomensbronnen vormen van veel van mijn collega’s: vergeet het maar. Niet in IJslandse misdaadboeken!’

De vader van Arnaldur Indridason, Indridi G. Thorsteinsson, was een van de belangrijkste IJslandse schrijvers van de twintigste eeuw. Zijn zoon had als journalist twintig jaar over films en bestsellers geschreven en was in 1991 de co-auteur van een gids waarin tweeduizend IJslandse films besproken werden. Omdat hij daardoor enig inzicht had verworven in de technische manieren waarop met verhalen de aandacht van kijkers of lezers kon worden vastgehouden, besloot hij midden jaren negentig zelf fictie te gaan schrijven.

‘Je leert veel van goede films, maar nog meer van slechte films.’ De ogen van Indridason twinkelen; deze grap maakt hij niet voor het eerst. ‘Namelijk hoe je een verhaal níét moet schrijven! Ik wist dat mijn boeken niet over the top mochten zijn en dat geen van mijn personages meer dan levensgroot zou mogen worden. Daarop lettend heb ik gewoon de boeken geschreven die ik zelf wilde lezen. En dat bleken misdaadboeken te zijn!

Er was op dat moment totaal geen traditie van thrillers in IJsland. Het bruist hier van de cultuur, maar alle schrijvers wilden de nieuwe Halldór Laxness zijn en literatuur schrijven met een grote L. Ik heb al die sceptische lezers, die riepen dat in IJsland geen plaats is voor misdaadverhalen, laten zien dat er ook in ons land wel degelijk genoeg is om crime over te schrijven. En in mijn kielzog hebben we nu al een stuk of tien andere thrillerauteurs. In een land waar het een groot deel van het jaar zo vreselijk donker kan zijn, temidden van gletsjers, bergen en onverzoenlijk weer. Dat laat maar weer eens zien dat je als schrijver moet schrijven over de omstandigheden die je kent, en dat is precies wat ik doe.’

IJslands bos

Dat is precies waarom fotograaf Ad Nuis en ik in IJsland zijn, een paar weken vóór de uitbarsting van de vulkaan Eyjafjallajökull: om kennis te maken met het IJsland uit de boeken van Indridason. Op de dag van aankomst wacht ons de Blue Lagoon, een van de 170 zwembaden in IJsland die gevuld worden met thermisch water uit de bodem. Temidden van kale rotsen ziet het fluorescerend blauwe water – vol zouten, jodium en zwavel – eruit alsof er een chemische ramp heeft plaatsgevonden. Maar het openluchtbad is weldadig, ondanks de snijdende wind en de buitentemperatuur van 2 graden. In de directe omgeving van het punt waar het grondwater omhoog spat, is het zelfs te heet om te zwemmen.

Ons hotel bevindt zich in het centrum van Reykjavik, pal naast het gebouw van Morgunbladid, de krant waarvoor Indridason twintig jaar gewerkt heeft. In de winkelstraten wordt het verkeer opgehouden door langzaam rijdende auto’s, van waaruit mensen naar de etalages kijken zonder de kou in te hoeven. Als we ‘s avonds de stad in gaan, vraagt vrijwel iedere IJslander die hoort dat we Nederlanders zijn onmiddellijk: ‘O, jullie komen zeker je Icesave-geld halen.’ De wond is vers en diep, want de catastrofe rond Icesave dreigt IJsland een schadevergoeding te gaan kosten die omgerekend neerkomt op ruim zeventienduizend euro per hoofd van de bevolking.

Er zijn ongeveer vijftig bars en clubs en zo’n honderd restaurants in het kleine centrum van Reykjavik, dat slechts een handvol straten beslaat. In de weekenden vormen zich na middernacht rijen buiten de clubs. Aan het eind van de nacht staan vergelijkbaar lange rijen bij de schaarse taxistandplaatsen, waar de wachtenden de tijd doden met kletsen, verhalen vertellen en zingen.

Zelfs de Engelse pubs in Reykjavik hebben borden voor het raam hangen waarop ‘Echt IJslands bier’ wordt aangeprezen. De IJslanders zijn een trots volk, zal onze gids Tryggvi de volgende dag beamen: ‘We zijn trots op ons water, onze paarden, ons land en onze producten.’ Het bier blijkt een bijzondere geschiedenis te hebben: van 1915 tot 1989 was bier verboden in IJsland, omdat de overheid bang was dat het zou leiden tot aanhoudende dronkenschap van de bevolking. Sterke drank mocht wel geschonken worden, met name de IJslandse Reyka-wodka en een lokale brandewijnsoort die Brennivin (Zwarte Dood) heet. Bij de opkomst van alcoholvrij bier, eind jaren tachtig, begonnen barmannen dat echter te mengen met sterke drank. Reden genoeg voor de regering om de wetgeving daar maar op aan te passen.

‘Zo gaat dat hier vaker,’ zegt onze gids, die tijdens zijn studie jarenlang in Frankrijk gewoond heeft. ‘Dat heb je in zo’n klein, afgelegen land, dan krijg je toch situaties die elders alleen in de gemeentepolitiek te zien zijn. Zo zijn de cafés en clubs hier door de week tot één uur ‘s nachts open, en was de uiterste sluitingstijd vrijdag en zaterdag tot voor kort drie uur. Maar in de zomermaanden, als de middernachtzon er was, gingen mensen op straat verder met drinken, wat leidde tot carnavalachtige taferelen. Toen zijn de openingstijden vrijgegeven, en nu gaan sommige kroegen pas om zeven uur ‘s ochtends dicht. Net als met dat recente verbod op strippen: een van de nachtclubeigenaars laat die meiden nu met alleen een reetveter het podium op gaan. Zijn ze toch gekleed! Die weerbarstigheid is typisch IJslands.’

‘s Ochtends vroeg haalt Tryggvi ons op voor een lange tocht in zijn jeep. Hij leidt vaker mensen rond over het eiland. Daarnaast is hij leraar IJslandse taal- en letterkunde op een school, waar hij onder anderen lesgeeft aan de zoon van Indridason. (‘Het is hier een kleine gemeenschap. Vrijwel iedereen kent wel iemand uit ons nationale voetbalteam persoonlijk, of is familie of vriend van een van onze beroemdheden.’) Hij weet veel van de geschiedenis, de cultuur en de natuur van zijn land en lijkt dat volkomen vanzelfsprekend te vinden. Niet voor niets draagt elke berg, elke kreek, elke vallei en elke kruising een naam die iets te maken heeft met een historische of mythische achtergrond, die vaak teruggaat op de vikingtijd, of op verhalen over trollen, elfen en legendarische helden.

We rijden langs toeristische trekpleisters als watervallen en geisers. Het natuurschoon is overweldigend, wij mensen vallen totaal weg tegen de enormiteit van het vulkanische gebergte. Onze gids laat de plek in de bergen zien waar de vikingen in 930 het eerste IJslandse parlement hielden, 56 jaar nadat Ingólfur Arnasson zich als eerste pionier op het eiland gevestigd had. Hij toont ons plaatsen waar zevenhonderd tot duizend jaar oud water in heldere stromen uit de rotsen komt.

Maar er zijn nauwelijks dieren. Vanuit de auto zien we wat schapen en IJslandse pony’s. Er schijnen ook inheemse poolvossen te zijn, plus wat geïmporteerde rendieren en konijnen. Verder geen knaagdieren, nauwelijks insecten, alleen vogels. En overal is de begroeiing schaars op de bodem van geërodeerde lava. Geen gras, hooguit wat mos. Hier en daar wat struikjes. De enige bomen die er staan, zijn geplant en komen nauwelijks boven de struiken uit. Het commentaar van onze gids: ‘Als je in IJsland verdwaalt in het bos, hoef je alleen maar even rechtop te gaan staan, dan komt het wel goed.’

Veerkracht

Het hotel waar we met Indridason hebben afgesproken, heeft houten lambriseringen en een lounge vol diepe, kunstleren leunstoelen. Hij laat zijn ogen ronddwalen terwijl hij vertelt over zijn land. ‘Veerkracht is het woord dat ons, IJslanders, waarschijnlijk het beste kenmerkt. We zitten al meer dan duizend jaar op een onvruchtbare rots in een koud stuk van de oceaan. En dan ook nog eens temidden van de vulkanen. De grote vulkaanuitbarsting van 1789 – die er door de enorme asregens mede verantwoordelijk was dat de oogst van de boeren in West-Europa mislukte, waardoor de mensen uit honger een revolutie begonnen – heeft hier duizenden mensen gedood en gezorgd voor een jarenlange hongersnood. Als een vergelijkbare uitbarsting bij Reykjavik plaatsvindt, wordt de hele stad bedolven onder een laag van driehonderd meter lava. Erger dan Pompeï.

Eeuwenlang waren we op onszelf aangewezen. We aten vis en lamsvlees, hadden vrijwel geen landbouw, en toen de Denen ons aardappels en wortels wilden leren eten, weigerden we dat halsstarrig. Eens per jaar ging er een postschip heen en weer naar Kopenhagen, totdat we in het begin van de twintigste eeuw telegraaf en telefoon kregen. Pas sinds de Tweede Wereldoorlog zijn we geen arme boeren meer, maar hebben we ons ontwikkeld tot een moderne staat. Tegenwoordig hebben vrijwel alle IJslanders een computer met internetaansluiting. En de laatste vijftien jaar zijn we wat al te voortvarend aan het bankieren geslagen, waar we nu de ellende van krijgen. Die crisis kan diepe wonden slaan in onze cultuur.’

Hij zwijgt even. ‘Of we in de Europese Unie willen? Echt, ik weet het niet. We zijn pas sinds 1944 zelfstandig en staan niet te trappelen om onze jonge democratie in handen van Brussel te geven. Dan zijn er ook nog de voorschriften over visvangstbeperking, die onze bevolking als heel bedreigend ziet. Maar daar staan voordelen tegenover zoals een grotere economie en de komst van de euro. Het zal erom gaan spannen. Als er nu gestemd moest worden, zou de kans wel eens fifty-fifty kunnen zijn.

Tot nog toe hebben wij, IJslanders, samen overleefd. Alleen doordat we ons aangepast hebben aan de omstandigheden, ons voordeel hebben gedaan met wat het land ons bood. We koesteren onze geschiedenis en vooral ook de taal en de traditie, die ons binden. Bij ons is de taal van de oude Edda-verhalen het beste intact gebleven. We hebben een commissie die jaarlijks beslist welke nieuwe woorden in onze taal geïntroduceerd worden. Ondanks de verstikkende invloed van het Engels, die er misschien wel voor zorgt dat het IJslands over honderd jaar als eerste taal verdreven is, hangt de hele identiteit van onze natie samen met ons erfgoed.

Kijk, we zijn maar met zo weinig. Als ik een auto koop, staat dat morgen als nieuws in de krant. Onze hele identiteit hangt samen met de oude verhalen die ons zijn overgeleverd, sagen over eer en wraak en familie. Dat zijn ook de belangrijkste thema’s uit mijn eigen boeken. Zo zie je maar dat die vikingverhalen hier overal in doorwerken en de kern uitmaken van wat wij de wereld te vertellen hebben. Omdat ze geschreven zijn op een koeienhuid, die toen al net zo schaars en duur was als nu, zijn die legenden geschreven in een taal die heel beknopt is, zonder een woord te veel. Zo wil ik ook schrijven. En wist je dat er in een van die duizend jaar oude verhalen een moordmysterie staat? Niemand weet wie het gedaan heeft. Erlendur zou het misschien kunnen oplossen, ooit.’

Goede politieman, slechte vader

Met Erlendur Sveinsson is de naam gevallen van de hoofdpersoon uit de boeken van Indridason. De bedaagde hoofdinspecteur is een melancholieke vijftiger, die bij het oplossen van misdaden terzijde wordt gestaan door de veel jongere, energieke en vrijgevochten Sigurdur Oli, samen met enkele andere leden van hun politieteam. Het is veelzeggend voor het beeldend vermogen en de psychologische diepgang van Indridasons werk dat veel IJslanders denken dat het duo echt bestaat.

In Onderstroom, het in 2008 in IJsland verschenen boek dat zojuist in Nederlandse vertaling is uitgekomen, zijn Erlendur en Oli echter verrassend weinig aanwezig. De hoofdrol is ditmaal weggelegd voor hun vrouwelijke collega Elínborg, die een gruwelijke moordzaak rond het thema verkrachtingsdrugs met zeer praktische middelen tot een goed einde weet te brengen.

Is Indridason zijn Erlendur soms zat?

Hij schatert. ‘Ha, nee! Mijn vier laatste boeken – waarvan er nog eentje in het Nederlands vertaald moet worden en de laatste dit jaar hier in IJsland verschijnt – vormen een apart kwartet binnen mijn serie. Ze spelen allemaal in dezelfde periode, het najaar van 2005. En omdat het om verschillende zaken gaat, heb ik het team opgesplitst. Sigurdur Oli krijgt een financiële zaak op te lossen en Erlendur is met iets heel anders bezig, reden waarom Elínborg in dit boek steeds niet weet waar hij is. Toen ik met dit project begon, had ik geen idee waar het toe zou leiden. Ik wilde zo min mogelijk van tevoren vastleggen en heb alleen een tijdtabel gemaakt, om ervoor te zorgen dat mijn personages elkaar niet voor de voeten zouden lopen of dat er onjuistheden zouden optreden. Maar het was geweldig om die vier simultane verhalen onder mijn handen te zien groeien.

Erlendur zal me pas gaan vervelen als ik hem helemaal doorgrond. Tot nu toe blijft hij zich nog ontwikkelen, ik kom steeds meer te weten over zijn karakter, geschiedenis en achtergrond. Hij verrast me nog altijd, er is steeds weer iets nieuws aan hem. Dat is het mooie: ik leer hem steeds beter kennen.

Arnaldur Indridason (Foto: Ad Nuis)

Er is iets met Erlendur waar ik nog niet achter ben. Hij is als plattelandsjongen naar de grote stad gekomen, maar eigenlijk houdt hij niet van Reykjavik en wil hij terug naar het boerenleven. Hij is geïnteresseerd in wat verdwenen is, dat raakt kennelijk zijn eigen ervaring. Het gaat hem niet zozeer om de mensen die verdwenen zijn, maar om degenen die achterblijven: voor hen doet hij er alles aan om zo’n zaak te kunnen afronden. Door hem voelen we de pijn en het verdriet van de slachtoffers.

Maar in zijn eigen leven is hij een rampzalige vader, die zijn gezinsleven totaal heeft verwaarloosd. Met zijn kinderen heeft hij eigenlijk geen relatie, wat pijnlijk blijkt als zijn dochter, een heroïneverslaafde, hem ter verantwoording komt roepen. Ik weet niet of ik ooit de echte reden zal ontdekken waarom hij zo’n goede politieman en zo’n slechte vader is. Misschien kan ik dan stoppen met schrijven over hem.

Wat ik wel weet, is dat Erlendur diep geworteld is in de IJslandse heldensagen. Hij heeft een hekel aan vernieuwing en leeft in het verleden. Sterker nog: daar begraaft hij zich in, als een trieste, eenzame en depressieve man. Ik heb hem altijd gezien als de tegenpool van de hebzucht in IJsland, de behoefte die iedereen hier ineens had aan een tweede of derde auto, en allerlei luxe. Hij is een eenvoudig man, die het liefst thuis zit te lezen en niets geeft om een nieuwe keuken of dure apparatuur. Het is alsof hij van een andere planeet komt, want in plaats van geld te lenen voor een auto, koopt hij liever contant een slechte auto. Hij denkt gewoon anders dan de andere mensen. En hij is volkomen geworteld in het IJslandse landschap.’

Maanlandschap

Nergens ter wereld zijn verhoudingsgewijs zoveel vierwielaangedreven auto’s als in IJsland. Overal rijden jeeps met soms absurd grote wielen. Dat die nodig kunnen zijn, blijkt als we ‘s avonds de vallei in rijden van waaruit we een kleine werkzame vulkaan, die later de voorloper van de Eyjafjallajökull blijkt te zijn, goed kunnen zien. Vele tientallen terreinwagens werken zich zonder veel moeite door een paar ondiepe sloten en over een terrein vol steenslag naar de beste uitkijkplaatsen. De ‘gewone’ auto’s moeten genoegen nemen met veel meer afstand. Van de enkeling die toch probeert om de wagens met de grote wielen te volgen, komt menigeen vast te zitten, waarna niets anders rest dan te wachten op de overbelaste hulpdienst.

Bij benzinestations, die buiten de IJslandse steden de sociale ontmoetingsplaatsen bij uitstek zijn, wisselen de diverse gidsen informatie uit over het weer, de toestand van de wegen en de activiteit van de vulkaan. Daar is sanitair, eten en drinken en daar is het voortdurend druk. In een vergelijkbare uitspanning bij een van de grootste geisers laat Tryggvi ons het favoriete voedsel voorzetten van Indridason en zijn hoofdpersoon Erlendur: lamssoep. ‘De op een na beste van heel IJsland. Alleen mijn moeder, in het hoge Noorden, maakt die lekkerder.’

Bij de kassa van die pleisterplaats vragen een paar Italiaanse toeristen aan de inheemse eigenaar naar de mogelijkheden om daar een hike naar de grotten in de nabijgelegen bergen te ondernemen. De man neemt hen van onder tot boven op en zegt opgewekt: ‘Zo’n tocht vergt minimaal zes uur, eersteklas bergschoenen, een goed gecontroleerde uitrusting, ervaring met het terrein, recente stafkaarten en een meer dan uitstekende conditie. Ik zou er nog een keer over nadenken, als ik u was.’ De mannelijke helft van het toeristenduo, een strak gekapte en modieus geklede yup met een merkzonnebril op zijn voorhoofd, toont zich teleurgesteld en licht beledigd.

Omdat we een paar uur tijd over hebben op ons schema, grijpt onze gids de gelegenheid om ons iets van het binnenland van IJsland te laten zien. De grote kustweg, waarover je binnen anderhalve dag het hele eiland kunt omrijden, bestaat uit solide asfalt, net als de wegen eromheen. Maar slechts enkele kilometers het binnenland in maakt het asfalt plaats voor gravelwegen, met diepe kuilen en scheuren, en vol keien en rotsblokken. Zelfs de jeep gaat er maar langzaam overheen.

Het is een soort maanlandschap, waarin we rijden. Bergen aan de horizon, overal stof en stenen, bijna geen begroeiing. Onze gids vertelt dat Neil Armstrong en Buzz Aldrin, de astronauten van de Apollo 11, vanuit de Amerikaanse basis bij Keflavik in IJsland geoefend hadden voor hun maanlanding. We begrijpen direct dat dit een goed idee moet zijn geweest.

Nadat we een tijdlang zwijgend naar buiten hebben zitten kijken, vertelt Tryggvi dat hij een paar jaar geleden een Amerikaans gezin een week lang over heel IJsland heeft rondgereden, onder meer dagenlang door dit desolate binnenland: ‘Aan het eind van die week vroeg ik aan de vader wat hij het mooiste had gevonden. “Niets,” zei hij. Ik was verbijsterd, want we hadden zoveel gedaan. Dat zei ik ook tegen hem. Lag het soms aan het eten of aan de tenten? Waarop de man lachte. “Nee, je begrijpt het verkeerd. Wat ik het meest indrukwekkend vond, was het absolute niets in het binnenland. Geen mensen, geen activiteiten van buitenaf, alleen maar stilte en die enorme leegte. Prachtig.”‘

Plausibele plot

De volgende ochtend toont de gids ons het politiebureau in Reykjavik en de straat waarin de moord uit Onderstroom heeft plaatsgevonden (‘Kijk, dat gele huis daar op de hoek, daar woont mijn broer. Kleine wereld, niet?’). Een paar uur later zitten we bij Indridason, die verder filosofeert over schrijven in IJsland.

‘Jullie hebben het nu zelf gezien: kleinschaligheid hoeft geen beperking te zijn. Ik houd van een sobere en realistische verteltrant, waarbij de personages me dwingen om met slimme oplossingen en een plausibele plot te komen. Daarbij gaat het altijd om levensechte psychologie en sociaal-realistische thema’s, geheel in de Scandinavische traditie. Op die manier laat je mensen ook nadenken over de wereld waarin ze leven. Terwijl de spanning als vanzelf komt.

Het rare is dat je bij het schrijven van een boek miljoenen ideeën voorbij laat komen en de meeste ervan meteen weer verwerpt. Achter je computer bouw je stap voor stap aan je verhaal en beoordeel je allerlei invallen op bruikbaarheid. Als ik met zo’n moordverhaal bezig ben, zijn geweld en misdaden maandenlang aanwezig in mijn onderbewustzijn. Diep van binnen denk ik er voortdurend aan en toets ik het allemaal obsessief aan de werkelijkheid om me heen, de krant, de televisie, alles. De beperkingen van de IJslandse werkelijkheid – die ons, IJslanders, in de genen verankerd zit – dwingen me tot discipline en verhinderen dat ik rare wendingen of cliffhangers gebruik. Uiteindelijk is dat misschien wel een voordeel.’

Dit interview verscheen in Vrij Nederland Detective & Thrillergids 2010.

Gepubliceerd op: | 1 Comment


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.