De tuin van de Franse poëzie. Een canon in honderd gedichten – Paul Claes
door Aart van Zoest
Claes’ formidabele Franse canon
Paul Claes heeft zijn rondleiding door de tuin van de Franse poëzie afgerond. Hij presenteert van ruim tachtig auteurs honderd gedichten waarvan gezegd kan worden: die zijn canoniek. Franse auteurs, maar ook een aantal niet-Fransen die in het Frans dichtten, waaronder drie landgenoten van Claes: Verhaeren, Rodenbach en Maeterlinck. Terecht, ze horen erbij, met anderen, naast de heel grote jongens als Villon, Du Bellay, Ronsard, La Fontaine, Baudelaire, Hugo, Verlaine, Rimbaud, Mallarmé, noem maar op. Ook dichteressen als Christine de Pisan, Louise Labé en Marceline Desbordes-Valmore hebben hun plaats gekregen. Claes sluit de rij met Boris Vian. Na hem is er door anderen poëtisch doorgecreëerd, maar Claes moet – eveneens terecht – gedacht hebben: om het woord canon te gebruiken, moet je een afstand van minstens een halve eeuw in acht nemen.
Waar het woord canon valt, dringt discussie zich onvermijdelijk op. Er zijn gedichten die iedere Fransman kent. Onbetwist canoniek dus. Verlaines ‘Mon rêve familier’, misschien wel het mooiste gedicht ooit geschreven, is er een. Of Baudelaires ‘Correspondances’. Dat kan niet missen. Maar ‘Blason du beau tétin’ (‘Lof van het mooie tietje’), van Marot, hoort het erbij? Twijfel. Maar je bent Claes dankbaar dat hij dit kostelijks onder je aandacht brengt. Enkelingen zijn misschien wat onderbedeeld. La Fontaine en Prévert bijvoorbeeld. Maar over het algemeen vertoont de selectie een hoge graad van onaanvechtbaarheid.
Van de dichters is er steeds een korte levensbeschrijving. Zelfs wordt, waar mogelijk, vermeld waar ze begraven zijn. Een poëtofiel zou met dit boek in de hand een enorme commemoratieve rondreis kunnen maken. Het boek verdient het om eveneens in handen te komen van wie die aanvechting niet heeft. Wie de Franse poëzie al een beetje kent, vindt er zeer veel dat zijn kennis zal verdiepen; zijn liefde zal verstevigen.
Claes geeft zijn lezers heel compact informatie, zonder poespas. Over het leven van de dichters, over de thematiek in de afzonderlijke werken, over de literaire stromingen door de tijden heen, over de Franse geschiedenis. Hij toont zich een perfecte docent wanneer hij kort en krachtig uiteenzet wat de basisvormgeving van poëzie inhoudt. Helder legt hij het verschil uit tussen de Nederlandstalige en Franse versificatie. Hij categoriseert de Franse poëziegeschiedenis trefzeker. Geheel in zijn tuin-metaforiek: de rozentuin van de middeleeuwen, de boomgaard van de renaissance, de siertuin van de klassieken, en zo voort.
Dit boek moet vooral ook in handen komen van wie, schuchter wellicht, met de Franse poëzie in aanraking wil komen. Alle gedichten staan er in het Frans in, met de Nederlandse vertaling er naast. Allemaal wonderbaarlijk mooie, en ook volkomen correcte, vertalingen.
Vertalen, dat is het meest opmerkelijke talent van alleskunner Claes.
Daarvan één enkel voorbeeld, uit vele mogelijke. Verlaine schreef:
Il pleure dans mon coeur
Comme il pleut sur la ville.
Wat moet dat in het Nederlands worden? Welnu, dit vindt vertaler Paul Claes:
Het huilt hier in mijn hart
Zoals het druilt daarbuiten.
Wie zo vertaalt, verraadt dat hij zelf dichter is. Deze maakte met zijn boek een monument voor poëzie, en impliciet ook voor zichzelf.
Athenaeum – Polak & Van Gennep, 438 p., € 32,50



Pingback: www.ensafh.nl