Richard Sennetts cultuurkritiek: ‘lof der sprezzatura’

door Tomas Vanheste

In tijden van Facebook en flexibel kapitalisme zijn we het samenwerken verleerd, vindt Richard Sennett. De Amerikaanse socioloog roept links op de gemeenschap te herontdekken.

Foto: Marco Secchi/Getty Images

Richard Sennett is een ziener. Toen Facebook en Pauw & Witteman nog niet eens bestonden, ontwaarde de Amerikaanse socioloog al de ‘tirannie van de intimiteit’. In The Fall of Public Man (1977) betoogde hij dat je vroeger bij betreden van het publieke domein een sociaal masker opzette. Fatsoen hield in dat je de ander beschermde tegen de last van jouw ego. Dat masker was niet louter een beperking, maar het gaf je ook de vrijheid en beweeglijkheid om goed het spel in het publieke theater te kunnen spelen. Nu zien we onpersoonlijkheid als een sociaal kwaad en is warmte onze god.

De meesten onder ons zoeken die geborgenheid in de persoonlijke levenssfeer, bij de haard en de televisie. Op het scherm aanschouwen we de kleine groep mediasterren die in het publieke theater acteren en we beoordelen hen op de emoties en drijfveren die ze etaleren. De dwang tot vertrouwelijkheid beheerst ook de politiek. Burgers zijn passieve toeschouwers geworden van ‘een politiek personage dat hun zijn bedoelingen en gevoelens in plaats van zijn daden aanbiedt voor consumptie,’ schreef Sennett vijfendertig jaar voordat Henk Bleker Mauro bij Pauw & Witteman een briefje toeschoof. Toen al zag de socioloog haarscherp dat de elektronische media de tiran van de intimiteit dienen door de persoonlijkheid van de politicus over te belichten en het zicht op zijn werk te verduisteren.

Een verzameling stammen
Opwekkende literatuur was The Fall of Public Man niet. In het boekje De mens als werk in uitvoering, dat in 2010 ter gelegenheid van de toekenning van de Spinozalens aan Sennett verscheen, noemt Ido de Haan het ‘een klassieke Verfallsgeschichte’ – een verwordingsgeschiedenis. In zijn jongste boek Together betoont Sennett zich nog steeds geen vrolijke Frans. Opnieuw analyseert hij hoe het publieke domein in verval is geraakt. Ons vermogen samen te werken met mensen uit andere sociale milieus en met overtuigingen die niet stroken met de onze is ernstig aangetast, constateert Sennett. De samenleving krijgt steeds sterker een tribaal karakter, lijkt almaar meer op een verzameling stammen van gelijksoortigen. De enige vorm van ontmoeting is de clash tussen wij en zij. Maar daar wil de inmiddels negenenzestigjarige socioloog zich niet langer bij neerleggen. ‘Berusting lijkt niet echt een mooie nalatenschap,’ schrijft hij met de hem kenmerkende zelfspot. In Together analyseert hij daarom niet alleen wat samenwerken eigenlijk is en waarom we er niet meer toe in staat zijn, maar ook hoe we het weer kunnen leren.

Sennetts eenvoudige definitie van samenwerking is ‘een uitwisseling waarbij de deelnemers voordeel hebben van de ontmoeting’. Een dergelijke win-winsituatie kan alleen ontstaan als alle partijen de kunst van de dialoog beheersen. Onder communicatieve vaardigheden verstaan we in het tijdperk van Wilders vooral het vermogen je eigen standpunten luid en duidelijk te presenteren en in een tweet van hoogstens honderdveertig tekens de wereld in te sturen. Sennett benadrukt juist het talent te observeren en te luisteren in een poging je te verplaatsen in het standpunt van de ander.

Het jezelf pontificaal op de voorgrond plaatsen mag de samenwerking weinig deugd doen, een luidruchtig beleden altruïsme is al even verstikkend, vindt de socioloog. Door de ander te omhelzen, maak je een open ontmoeting onmogelijk. Wat we nodig hebben is empathie, niet sympathie. De taal van de dialoog gedijt bij een in het Nederlands in onbruik geraakte werkwoordvorm, de voorwaardelijke wijs, die een mogelijkheid of wens uitdrukt. Sennett prijst de Italiaanse houding van sprezzatura, de kunst alles te doen en te zeggen met een zekere lichtvoetigheid en nonchalance, zonder het gewicht van het eigen ego in de schaal te leggen en de eigen obsessies het gesprek te laten domineren. Het zestiende-eeuwse begrip van civility, zoiets als hoffelijkheid, blijft voor hem een leidraad voor hoe het moet. Die vorm van beschaving gedijt, schreef hij in de jaren zeventig en nu opnieuw, bij het dragen van een sociaal masker en het loskomen van je eigen preoccupaties.

De beruchte wijk Cabrini Green in Chicago, waar Sennett opgroeide. Het gemeenschapshuis daar was zijn anker. Foto: Ralf-Finn Hestoft/Corbis

Steeds nieuwe taken
Keer op keer tekent Sennett op dat hij geen oude brombeer wil zijn die met weemoed terugdenkt aan betere tijden die nimmer hebben bestaan. Maar tegenover de hedendaagse vorm van kapitalisme kan hij met de beste wil van de wereld geen lichtvoetige houding innemen. Het is dat rauwe, flexibele kapitalisme dat ons het sociale masker heeft afgerukt, iedere vorm van bestendig, ritueel gedrag heeft vernietigd en samenwerking heeft doen ontaarden in competitie. De dramatisch gestegen ongelijkheid in zowel ontwikkelingslanden als de westerse wereld is voor hem een teken dat die vorm van ‘uitwisseling’ waarbij de winnaar alles opeist het gewonnen heeft. Een van de gevolgen is ressentiment, het gevoel bij hele volksstammen dat ze niet de erkenning krijgen die ze verdienen. Ze hebben een statusangst, die ze alleen kunnen bezweren door een door de reclame gevoed verlangen naar spullen. In het hedendaagse flexibele kapitalisme, waarin velen geen loopbaan meer hebben maar een serie jobs, zijn consumentengoederen het laatste houvast.

Deze kapitalismekritiek heeft de Amerikaanse socioloog al vele malen uitgewerkt, onder meer in The Culture of the New Capitalism (2006). De kern ervan is dat het snelle kapitalisme mensen heeft beroofd van alle vaste pijlers waarop ze hun carrière en zelfs hun levensverhaal kunnen stutten. Ze worden niet meer beoordeeld op de kennis en kunde waarmee ze hun vak uitoefenen, maar op hun vermogen zich mee te laten voeren in een maalstroom van steeds nieuwe taken en teams.

Op het eerste gezicht lijkt dit beeld een karikaturale uitvergroting van een eerder Amerikaanse dan Europese situatie. Maar ook aan deze kant van de oceaan en zelfs in het traditioneel veilige nest van de overheid begint het bestaan op de werkvloer sennettiaanse trekjes te krijgen. Tegenwoordig krijg je ook als overheidsdienaar een rapportcijfer voor je functioneren op basis van de mate waarin je volgens je manager over competenties als ‘initiatiefrijk’ en ‘communicatief’ beschikt. Wie oppert dat een vakinhoudelijke beoordeling van het werk dat je verzet wellicht ook een beetje mag meetellen, wordt als ouderwets weggezet.

Sennett staaft zijn diagnose niet alleen met soortgelijke observaties. De socioloog heeft in zijn leven talloze werknemers bevraagd. Begin jaren zeventig hield hij diepte-interviews met ongeveer honderd gezinnen uit de lagere middenklasse. Vaak verrichtten ze het type eenvoudige, mechanische arbeid in fabrieken en winkels dat de cultuurcritici uit die jaren afdeden als vervreemdend en zielloos. Maar het viel Sennett juist op dat de arbeiders trots ontleenden aan het werk dat ze deden en de positie die ze bekleedden. Over het algemeen praatten ze met respect over hun baas, die zijn gezag had verworven en niet afdwong. Ze vertrouwden hun collega’s en bleken op momenten van crisis goed te kunnen samenwerken. Veertig jaar later interviewde Sennett witteboordenwerkers die hun baan hadden verloren na de crash van 2008. Hij merkte dat ze nauwelijks een band voelden met hun oude werkplek en de mensen met wie ze ooit dagelijks zij aan zij naar hun computerscherm hadden zitten staren. Voor hun ontslag hadden ze steeds kortstondig in almaar wisselende teams en projecten gewerkt, en dat had elk gevoel van verbinding in de kiem gesmoord. Ook voelden ze zich louter slachtoffer en misten ze enig eergevoel dat hun aanzette mede verantwoordelijkheid op hun schouders te nemen voor de manier waarop alles was misgelopen.

Het zijn allemaal tekenen dat de sociale driehoek van autoriteit, vertrouwen en samenwerking in het hedendaagse kapitalisme in duigen is gevallen, vindt Sennett. Dat is in zijn ogen de diepere oorzaak van de onvrede over de managementcultuur waar nu krantenbijlagen over vol worden gepend. Het vertrouwen dat we hebben in de boven ons gestelden is enorm geërodeerd. Uit een grootschalige enquête in Engeland kwam dat maar liefst de helft van de werknemers meent dat zij het werk van hun baas beter zouden kunnen doen. Een even grote groep zou genoegen nemen met een salariskorting, als ze in ruil daarvoor een fijnere leidinggevende zouden krijgen.

In een mooi interview door Willem Witteveen dat in het boekje De mens als werk in uitvoering staat, vertelde Sennett dat hij nog een verschil ontdekte tussen de werknemers uit de jaren zeventig en die van nu. Waar ze destijds meestal goed in staat waren van hun leven een verhaal met een kop en een staart te maken, lukt dat hedendaagse werknemers nauwelijks meer. ‘Het is net alsof ze allemaal postmoderne romanschrijvers zijn geworden,’ zei Sennett. In zijn rede bij het in ontvangst nemen van de Spinozalens voegde hij daaraan toe dat de ‘postmoderne conditie’ filosofen of literatoren misschien vrolijk mag stemmen, maar dat Jan Modaal er diep ongelukkig en verward van raakt. ‘Als je een gewone werknemer bent, moet je je stem vinden. Dan moet je, zoals onze voorvaders uit de Renaissance, principes van continuïteit en eenheid vinden in de manier waarop je je concrete ervaring vertelt.’

Het psychologische gevolg is naar zijn overtuiging dat mensen zich in zichzelf terugtrekken. Deze diagnose lijkt op het eerste gezicht in strijd met Sennetts vroegere stelling dat we zuchten onder de tirannie van de intimiteit. Die dwingt je immers je hele hebben en houden op tafel te leggen. Maar het etaleren van je ego op Facebook is ook een manier om je in jezelf op te sluiten en de open ontmoeting in de publieke ruimte te ontlopen. Met instemming citeert Sennett de schrijfster Sarah Blakewell die schreef dat cyberspace ‘vol is met mensen die vol van zichzelf zijn’.

Het buurthuis
Niet zo mooi allemaal. Na tweehonderd bladzijden Together snak je dan ook naar inlossing van Sennetts belofte dat hij het niet zal laten bij berusting. Maar wie hoopvol aan het slotdeel Cooperation Strengthened begint, kan een gevoel van teleurstelling na lezing toch moeilijk onderdrukken. Sennetts toekomstvisioenen krijgen vooral gestalte door terug te blikken naar tijden die niet voor niets vervlogen zijn. Net als in zijn vorige boek De ambachtsman bezingt hij de middeleeuwse gildewerkplaatsen. De rituele gebaren van de ambachtsmannen aldaar belichaamden de sociale driehoek van autoriteit, vertrouwen en samenwerking, meent Sennett. Inspiratie zoekt hij ook in oude diplomatieke handboeken. Hij zingt de lof van de démarché, een brief waarin een diplomaat voorzichtigjes enkele ideeën in de lucht gooit als uitnodiging tot een gesprek in plaats van als declaratie van wat zijn land wil. En opnieuw schetst hij de voordelen van het dragen van een sociaal masker. Want als we niet gefocust zijn op het onthullen of karakteriseren van onszelf, schept dat juist de vrijheid een gemeenschappelijke sociale ruimte te ontdekken.

“Job Cohen is zo iemand met een sociaal masker”

Het fascinerendst is nog zijn zoektocht naar een manier om links weer sociaal te maken, om de sociaal-democratie weer het gevoel voor de gemeenschap terug te geven. Daarvoor zoekt hij inspiratie in het gemeenschapshuis in Chicago dat voor hem als kind een anker was. Sennett groeide als een van de weinige blanken op in de beruchte wijk Cabrini Green, toen al het afvalputje van de samenleving, later helemaal een stedelijke woestenij. In het buurthuis leerden de talloze bevolkingsgroepen samen Engels en konden ze cursussen volgen in traditionele ambachten als boekbinden. Voor jongeren was het een vluchtheuvel uit het bendeleven, een plaats waar ze hun huiswerk konden doen, schaak spelen en over de gefnuikte levens van hun ouders konden praten.

Decennia later had Sennett een reünie met dertig Afro-Amerikanen die waren opgegroeid in hetzelfde hoekje van het getto als hij. De deelnemers vroegen zich af waarom zij het hadden gered en nette banen hadden als brandweerman of winkelbediende, terwijl zovelen uit hun omgeving aan verslaving of misdaad ten onder waren gegaan. De oplossing van dat mysterie zochten ze in een plek of persoon die van doorslaggevende betekenis was geweest, en voor velen was dat het buurthuis. Daar hadden ze geleerd samen te werken en samen te leven. Het traditionele antwoord van links op het kwaad van het kapitalisme is een van boven opgelegde solidariteit. De sociaal-democratie is de betekenis van samenwerking van onderop vergeten, vindt Sennett. Daarmee lijkt hij zich in de rangen van de conservatieve gemeenschapsdenkers te scharen. Maar het cruciale verschil is, zegt hij zelf, dat die denken dat de gemeenschap zichzelf moet bedruipen, terwijl wie realistisch links is, beseft dat een kapitalistische samenleving economische steun nodig heeft.

In de slotpaginas van Together bezingt Sennett Norman Thomas, een groot gedeelte van de twintigste eeuw de leider van de Socialistische Partij van Amerika. Zijn ambitie was een huwelijk tot stand te brengen tussen de Europese vorm van sociaaldemocratie en een Amerikaanse voorkeur voor lokale actie. De man was weinig charismatisch. Op bevlogen ideeën was hij niet te betrappen. Bij bijeenkomsten ging hij nimmer als voorzitter op het podium zitten maar plaatste hij zich midden in de kring. Hij had een opmerkelijk talent mensen eruit te pikken die te verlegen waren zich uit te spreken. Wie in hoog tempo tot besluiten en conclusies wilde komen, dreef hij tot wanhoop. Maar hij was hoogst productief, vindt Sennett, als het zijn doel was mensen met verschillende achtergronden te laten wennen aan hun samenzijn en hen tot samenwerking te brengen.

Al is sprezzatura niet de eerste associatie die je bij hem hebt, onwillekeurig doet het politieke personage dat Sennett zo graag nieuw leven in wil blazen denken aan Job Cohen. In profielen is de wankelende leider van de Nederlandse sociaal-democratie al vele malen een sfinx genoemd. Hij draagt een sociaal masker, tot frustratie van de gastheren van talkshows wil hij zich niet laten kennen. Zijn bespotte taalgebruik is een en al voorwaardelijke wijs. Hoe wanhopig zijn adviseurs hem dat ook ontraden, zijn natuurlijke neiging is in debatten gemeenschappelijke grond met zijn gesprekspartners te zoeken. Graag gaat hij in buurthuizen kopjes thee drinken met mensen uit allerlei geloofsgemeenschappen en sociale klassen. De tragiek is alleen dat Cohen het levende bewijs is dat de door Sennett aanbevolen houding op dit moment van de politieke geschiedenis het beste recept is om jezelf buitenspel te plaatsen.

Richard Sennett, ‘Together. The Rituals, Pleasures and Politics of Cooperation’, Allan Lane, 324 p., € 18,95

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.