★★★½☆

Dienstreizen van een thuisblijver – Maarten ‘t Hart

door Jeroen Vullings

Geen waarachtigheid, maar vertelplezier en fabuleerdrift overheersen in Maarten ’t Harts autobiografische ‘Dienstreizen van een thuisblijver’.

Noli me tangere. Raak me niet aan. Die lijfspreuk van Jeroen Brouwers had ook van Maarten ‘t Hart kunnen zijn, want zijn autobiografische uitingen zijn doordesemd van eenzelfde luid geventileerde afkeer van de medemens en dito behoefte om met rust gelaten te worden. Opvallend is dat daar niets van te merken is als je deze auteurs ontmoet of in groter, vertrouwd gezelschap gadeslaat. Sympathieke persoonlijkheden zijn het dan, die vanuit hun ‘veste’ scherp bijhouden wat er in de verlokkende buitenwereld allemaal over ze gezegd en geschreven wordt. Hun noli me tangere staat daardoor niet alleen voor het gezochte isolement, maar behelst ook een smeekbede om aandacht. Liefde, voor mijn part.

Die ambivalentie is tevens aanwezig in het nieuwe deel van Maarten ‘t Harts autobiografische geschriften, Dienstreizen van een thuisblijver. Al die verzuchtingen dat hij zijn huis liever niet wil verlaten, om na aandrang van uitgevers een Lesereise in Duitsland te maken of aan een universiteit gastschrijver te worden, komen authentiek over. De redenen voor die huiselijkheid zijn duidelijk: de schrijver kan niet tegen laat opblijven en hij heeft geen rijbewijs. Maar even authentiek stijgt de teleurstelling uit dit proza op als contact met de medemens door onmacht of onbekende redenen gefnuikt wordt. Aan de Leidse universiteit, waar hij als gastschrijver geëmployeerd is, melden zich nauwelijks studenten aan voor zijn colleges over Dickens. Literatuurdocenten daar komen zelfs niet opdagen. Een andere keer, bij zo’n georganiseerde promotietournee van Nederlandse schrijvers naar Zweden, verheugt hij zich op kennismaking met Anna Enquist (‘de Schrijfster’). Hij heeft een fijnzinnig culturele openingszin voorbereid, maar Enquist negeert hem en gaat zware shag roken met andere gezelligerds. ‘t Hart lijdt als een kleine jongen die weer een afwijzing moet verduren.

Hij lijkt zijn onmacht tot sociaal contact te doorzien, maar doet er niets aan. Wat hem parten speelt – zo blijkt ook uit het einleuchtende verhaal over zijn mislukte strevingen als biograaf van S. Vestdijk – is dat hij eerst iemand aardig moet vinden en daar hangt hij dan het gunstige oordeel over diens werk aan op. Zo belangrijk is het menselijk contact voor hem, dat hij nochtans zegt te verafschuwen. Te persoonlijk, te weinig zakelijk voor een biograaf, maar als schrijver kan hij ermee uit de voeten. Toch blijft onduidelijkheid: wat heeft hij nou tegen bijvoorbeeld ‘peutertje Palmen’? Nadere motivatie ontbreekt bij al die vegen uit de pan richting collega’s.

Seks uitwasemende dominee

Dubbelhartigheid zit ook in zijn benadering van het genre. Wie verwacht dat ‘t Hart de waarheid secuur dient in zijn autobioproza, heeft het mis. Juist hier wekt hij de indruk handig schmierend gebruik te maken van de speelruimte tussen getuigenis en werkelijkheid, zoniet er grenzeloos op los te fantaseren. De schrijver eet zo welbewust van twee walletjes: hij wil zijn ei kwijt over serieuze zaken (van Darwins evolutietheorie tot het proces van Lucia de B.) én maakt van zichzelf een grotendeels fictief personage. Toch leest Dienstreizen van een thuisblijver overwegend als fictie, doordat ‘t Hart boutade aan boutade rijgt en zoiets als beoogde waarachtigheid bleekjes afsteekt tegen zijn vertelplezier en fabuleerdrift. Het zit hem zelfs in de kleinste details, die verleugening door de geboren fictieschrijver.

Zo vertelt hij dat zijn vader wilde dat hij arts werd om zich in te zetten voor ‘de lijdende mensheid’. Daar voelde hij niets voor: ‘Oprotten, die mensheid.’ Om daaraan, out of the blue, toe te voegen dat hij ‘als typische sterfbedauteur’ – is dat wel zo? – alsnog in dienst is getreden van de lijdende mensheid.

En dan: ‘Nabestaanden, voorrijdend in luxe stationcars of terreinwagens, leveren uit dankbaarheid vaak hele platencollecties van de overledene af.’ Misschien is dat wel een keertje gebeurd, na afspraak, maar de meervoudsvorm en gesuggereerde frequentie in deze, zijn even onwaarschijnlijk als de stroom Duitse echtparen die ‘s zomers presentjes komen afleveren bij de bewonderde schrijver, en vervolgens binnen genood willen worden dan wel bediend op ‘t Harts terras. Ik ben hem wel eens thuis gaan interviewen en de schrijver woont zo landelijk en afgeschermd dat zelfs de TomTom er voortijdig de brui aan geeft. Dat die Duitse koppels dat zo massaal klaren, is een wonder.

Zo gaat het door: van ‘t Harts private eye-achtige transactie met tippelaarsters achter het Amsterdams Centraal Station, via zijn veelbelovende ontmoeting met een (vrouwelijke) fan die hem voor Maarten Biesheuvel aanziet, tot zijn flirtage met een seks uitwasemende hooggelaarsde lesbische dominee, die hem uitnodigt in een sm-gewelf. Ja, de vrouw bestaat en ze roept heel wat op bij de schrijver, die daar veel gevoel voor heeft. Zo heet zijn redactrice bij De Arbeiderspers ‘Frau Lettinga’ en volgens de verhitte kunstenaar moeten er ‘dranghekken’ rondom haar geplaatst worden tegen geil manvolk. Krankzinnige fantasieën allemaal en daarom ontzettend grappig.

Honderden pagina’s divertissement, deze lezer beklaagt zich geenszins. Maar ‘t Hart is op zijn best als hij schrijft over wat hij het best kent (vooral zijn belevenissen in het literaire milieu): ‘Als ik ergens signeer en ik zie iemand verschijnen met een aktetasje, dan weet ik het al. Zo dadelijk zal dat tasje opengaan en wordt daaruit een ongepubliceerd manuscript opgediept.’

Hoogtepunt is zijn verhaal ‘Dienstreizen naar Duitsland’, over zijn dominante Duitse uitgeefster Frau Raabe die hem in dat land groot maakte, maar die nooit royalties uitkeerde. Ontroerend is het verhaal ‘Béla Szondi’, over de Hongaarse vertaler die zijn werk in dat land zou ontsluiten. Voor beide verhalen geldt dat de schrijver daarin iemand ontmoet die nog vreemder in elkaar steekt dan hijzelf – dat fascineert hem. Verwonderd registreert hij tijdens een werksessie bij hem thuis hoe de Hongaar zijn blinde vrouw de tuin instuurt. Ze knalt daar tegen een boom en daar kijkt de vertaler niet van op. Van de weeromstuit schrijft ‘t Hart over zijn relatie met zulke larger than life-figuren meer tongue in cheek – dat werkt. Zo schrijft en spreekt de vertaler erbarmelijk slecht Nederlands – ‘t Hart geeft dat weer, maar zegt er niets over.

Ook pakt het sterk uit als ‘t Hart niet zijn best doet om de leukste thuis te zijn, maar het laat bij het weergeven van rare conversatie. Zo dringen er in het verhaal ‘Een behulpzame bok’ twee Duitse matrones zijn huis binnen, die in hem een gevulde huwelijkskandidaat vermoeden. (Denkt hij.) Een van hen heeft joekels van nagels. Daar valt de schrijver op:

‘Können Sie noch bügeln mit ihre schöne Nägel?’ vroeg ik gekscherend.

‘Doch, doch,’ zei ze.

‘Und flicken?’

‘Flicken? Dass tut man heute doch nicht mehr,’ zei Frau Schellenberger enigszins verontwaardigd.

‘In Duitsland misschien niet, maar hier in Holland is verstellen nog heel gebruikelijk. Hier worden zelfs nog sokken geflickt,’ loog ik.

‘Ook in dit huis?’ vroeg Frau Schellenberger.

‘Ja, doch, gelegentlich,’ zei ik.

‘Wer flickt dann?’ vroeg ze streng.

‘Flicken gaat mij heel goed af,’ zei ik.

Tot zover. Na lezing van Dienstreizen van een thuisblijver weten we: het is zwaar om Maarten ‘t Hart te zijn. Voor een ander niet te doen.

De Arbeiderspers, 320 p., € 19,95

Gepubliceerd op: | 1 Comment


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.