Dat nooit meer – Chris van der Heijden
door Ronald Havenaar
In zijn ijver de rol van het oorlogsverzet en de betekenis van de Shoah te relativeren, gaat Chris van der Heijden ver. Te ver.
Henk van Randwijk, in de bezettingstijd oprichter en tot 1950 hoofdredacteur van Vrij Nederland, publiceerde in de eerste helft van de jaren zestig onder de titel In de schaduw van gisteren zijn oorlogsherinneringen. In dit boek rekende hij af met de illusie dat het Nederlandse volk tijdens de jaren ’40-’45 collectief verzet had gepleegd. De massa van de bevolking was weliswaar anti-Duits, aldus Van Randwijk, maar die gezindheid was flinterdun en ging niet verder dan het roepen van ‘Ozo’ (‘Oranje zal overwinnen’) of het maken van het V-teken. Voor het overige overheersten benepenheid en burgermansfatsoen, evenals ‘een vaderlands loyaliteitsgevoel jegens alles wat zich met de naam van wet en “hogerhand” aandiende.’ Verzet plegen, dat deed volgens Van Randwijk slechts een ‘handjevol’ Nederlanders.
Wat schrijft Chris van der Heijden in Dat nooit meer, zijn boek over de nasleep van de oorlog in Nederland? Volgens hem verkondigde Van Randwijk in In de schaduw van morgen dat de Nederlandse bevolking ‘overwegend in verzet’ is geweest. Waarom doet Van der Heijden dit? Hij typeert zichzelf in dit proefschrift als een ‘rebelse figuur’. Richt zijn opstandigheid zich ook tegen het wetenschappelijke voorschrift dat een bron er niet voor dient om gemanipuleerd te worden?
Van der Heijden noemt Van Randwijk in één adem met Loe de Jong, maker van de televisieserie De bezetting en schrijver van het veeldelige werk over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij waren volgens hem de prominente architecten van een goed-foutschema dat sinds de jaren zestig bepalend werd voor het beeld van de bezettingstijd. Van der Heijden verzette zich al eerder tegen dit beeld in zijn boek Grijs verleden (2001) en doet dat opnieuw in Dat nooit meer. Om de betekenis van zijn weerstand uit te vergroten, misbruikt hij niet alleen het werk van Van Randwijk, ook schildert hij de voorstanders van het collaboratie-verzetschema af als een ware gedachtepolitie. Tegenstemmen waren volgens Van der Heijden nauwelijks te horen. Er was in de jaren zeventig sprake van een ‘maatschappelijk klimaat waaruit elk relativerend perspectief op de oorlog verdwenen leek’.
De bezetting werd volgens Van der Heijden in deze periode een ‘politiek principe’. Vooral ‘radicaal links’ bepaalde met een verwijzing naar de oorlog wat goed en fout was in actuele kwesties. Vrij Nederland en ‘aanverwante organen’ (De Groene, De Gids, VARA, VPRO) speelden volgens hem in dit opinieklimaat een hoofdrol. Er was sprake van ‘een web met talloze vertakkingen en enkele knooppunten’. De linkse pers als opiniebepalende lobby: de politieke wereld van Chris van der Heijden is (hij zou zelf schrijven: lijkt) erg overzichtelijk. Soms geeft hij in de marge blijk van het besef dat hij versimpelt en overdrijft. In een noot geeft hij toe dat de in zijn boek prominent aanwezige Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein moeilijk als ‘links’ te typeren is.
Morele positie
Met zijn pleidooi voor een ‘relativerende visie’ gaat Van der Heijden in dit proefschrift ver. Zijn promotor Hans Blom oogstte in 1983 met de publicatie van zijn inaugurele rede In de ban van goed en fout? veel waardering voor het advies meer aandacht te besteden aan de massa Nederlanders die geen collaboratie of verzet pleegde, maar zich met schipperen en doormodderen door de bezetting heensloeg. Bijna twintig jaar later sprong de rebelse Chris van der Heijden met Grijs verleden (2001) op deze bandwagon.
Inmiddels heeft de erkenning dat de gemiddelde burger collaborateur noch verzetsheld was, in de geschiedschrijving het volle pond gekregen. Maar dit inzicht gaat Van der Heijden lang niet ver genoeg. Zijn passie voor grijs is zo groot dat hij morele oordelen zoveel mogelijk wil uitbannen, tot er nog nauwelijks verschil bestaat tussen daders en slachtoffers. Hij roept ten onrechte Abel Herzberg als getuige aan. Deze auteur schrijft in zijn Kroniek der jodenvervolging (1950) dat niet alleen Duitsers in staat waren tot de misdaden die tegen Joden gepleegd werden. Van der Heijden legt dit citaat uit als een weigering van Herzberg om een grens te trekken tussen daders en slachtoffers. Het is een voor de auteur van Dat nooit meer typerend geval van framing.
In een opsomming van groepen die door de oorlog zwaar werden geraakt, noemt Van der Heijden collaborateurs en Joden in één adem. Ook schrijft hij nadrukkelijk: alle (zijn cursivering) Nederlanders hadden het gevoel dat ze getroffen waren. Als daders zich slachtoffer voelden, dan waren zij slachtoffers.
Komt de massamoord op de Europese Joden ook in aanmerking voor relativering? Volgens Van der Heijden staat ‘de morele positie van de Shoah buiten kijf’. Het is niet helemaal duidelijk wat hij bedoelt. Hij schrijft in een vlotte maar vaak duistere stijl. Zijn taalgebruik is nogal eens verhullend en suggestief. Hij zegt dat de Shoah ‘als geschiedkundig fenomeen onderhevig is aan dezelfde inzichten als andere historische fenomenen’. ‘Historische veelvoud’ komt dan op gespannen voet te staan met ‘morele eenvoud’. Bedoelt hij met dit ‘veelvoud’ dat er op het unieke karakter van de Holocaust – racistisch gemotiveerd, systematisch georganiseerd en als industrieel proces uitgevoerd – wel wat af te dingen valt? Hij wekt die indruk waar hij bijvoorbeeld de stelling van Jeroen Brouwers onderschrijft (‘inderdaad’) dat de Japanse kampen even erg waren als de Duitse. Maar wat blijft er dan over van die ‘morele positie’?
Manipulatie van bronnen
Van der Heijden laat – meestal verhuld – merken dat hij de groeiende aandacht voor de Shoah, die volgens zijn waarneming sinds de jaren zestig niet te stuiten is, een bedenkelijke ontwikkeling vindt. Zijn bezwaren zijn van gevarieerde aard. Zo beklaagt hij zich dat er als gevolg van ‘de groeiende betekenis van de Shoah’ zo weinig aandacht is voor het lot van de kinderen van foute ouders. De Holocaust als kern van de oorlogservaring heeft volgens Van der Heijden inmiddels het karakter van ‘symbool’ gekregen. Dit heeft tot ‘groot ongenoegen’ bij ‘historici’ geleid omdat deze professionals ‘de eigenheid van het verleden proberen te behouden’. De grootscheepse aandacht voor de Shoah heeft volgens hem de verwerpelijke neiging versterkt om actualiteit en historische ervaring te verbinden en stimuleert beschuldigingen en schuldgevoelens.
Dat alles is een bedreiging voor het ‘relativerend perspectief’.
Ernstiger is nog dat de Shoah volgens Van der Heijden onlosmakelijk deel is geworden van wat hij de politieke ideologie van het Westen noemt: ‘aanvaarding van de Shoah-erfenis werd welhaast voorwaarde voor deelneming aan de westerse samenleving’. Het is duidelijk dat we volgens deze auteur in het Westen zuchten onder een politiek-moreel juk dat hoognodig afgeschud moet worden. Maar alweer: hoe kan die bevrijding gestalte krijgen zonder te tornen aan de ‘morele positie’ van de Shoah, die volgens Van der Heijden buiten kijf staat?
In Dat nooit meer heeft Chris van der Heijden een indrukwekkende hoeveelheid materiaal verzameld over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Dit resultaat wordt bedorven door de constructie van geforceerde patronen, de manipulatie van bronnen en de onbegrensde drang tot relativeren.
Chris van der Heijden, ‘Dat nooit meer. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland’, Contact, 928 p., € 69,95


Pingback: Dat_nooit_meer | TechRetriever