Wat goed en mooi is bij Karel van het Reve
door Carel Peeters
Een van de raadselen die de niet zo raadselachtige Karel van het Reve omgeven is dat hij zei dat het hem niet wilde lukken om uit leggen waarom literatuur mooi kan zijn. In het boek waarin alle interviews met Van het Reve bij elkaar staan, U mag alles over mij schrijven, zegt hij het nog eens in gesprek met Laura Starink: ‘Waarom literatuur mooi is, die vraag is niet te beantwoorden. Het is een algemeen menselijke eigenschap dat je bepaalde dingen mooi vindt, maar waarom is niet te zeggen.’
Wat is hier aan de hand? Het is toch niet zo moeilijk om te zeggen waarom iets mooi is, c.q. dat jij iets mooi vindt? Houdt Van het Reve zich voor de domme? Is er sprake van een diep filosofische kwestie die het onmogelijk maakt? Wil Van het Reve dat hij, of de literatuurkritiek, alleen objectief moet kunnen aantonen dat iets mooi is, en er anders het zwijgen toe doet? Van het voorbeeld dat hij geeft uit het begin van Max Havelaar zegt hij dat het hem nooit gelukt is te zeggen waarom het zo sterk is. Het gaat om de zin waarin Droogstoppel, de makelaar in koffie, zegt dat de lezer dit boek moet lezen ‘als ge makelaar in koffie zijt, of als ge wat anders zijt’. Van het Reve vindt deze zin ‘ontzettend sterk’, maar waarom, zegt hij er meteen achteraan, ‘dat kun je niet uitleggen. Dat is mij nooit gelukt. Wel kan ik zulke zinnen aanwijzen.’
Zou Van het Reve niet kunnen uitleggen dat die zin zo sterk is omdat Droogstoppel eerst expliciet zegt dat speciaal makelaars in koffie het boek moeten lezen, maar dat hij dat na de komma ineens helemaal niet meer belangrijk vindt? Deze verrassende tegenstrijdigheid zorgt voor een kleine botsing tussen de twee zinnen.
Mijn theorie is dat Van het Reve het misschien wel kan, maar niet wil uitleggen. Hij vindt dat literatuur niet uitgelegd moet worden, die moet voor zichzelf spreken. Hij wil graag zinnen aanwijzen die hij mooi of sterk vindt, maar ook nog gaan uitleggen waarom, dat doet de literatuur te kort. Dat is in je eigen armzalige woorden nog eens herhalen wat er staat. Daar zit natuurlijk wat in. Behalve dat die uitleg natuurlijk niet altijd uit armzalige woorden hoeft te bestaan.
De zin van Droogstoppel is je menigeen misschien helemaal niet opgevallen. Overheen gelezen. Het is goed dat iemand er dan op wijst en ook nog zegt waarom die zin effect heeft. In die eerste zinnen van Max Havelaar staat nog zoiets sterks, een zinnetje waardoor Droogstoppel zich meteen laat kennen. Hij schrijft: ‘Het is mijn gewoonte niet, romans te schrijven, of zulke dingen.’ Dat ‘of zulke dingen’ geeft meteen de kilometers afstand aan die hem scheidt van het schrijven literatuur. Het zijn dit soort details die er literatuur van maken. Dat is zelfs min of meer objectief vast te stellen.
Het is niet zo gek dat Van het Reve niet kan (of wil) uitleggen waarom iets goed is. Hij wil niet schoolmeesteren. Maar uitleggen hoeft helemaal niet op een schoolmeesterachtige manier te gebeuren. Een liefhebber van Van het Reve’s werk en de samensteller van een bloemlezing uit zijn werk, Arnon Grunberg, is niet zo bevreesd om uit te leggen waarom hij bepaalde zinnen mooi vindt. In zijn nawoord bij Stendhals De Kartuize van Parma heeft hij het over Stendhals superieure gebruik van bepaalde stijlmiddelen, zoals het ‘vergoelijkende understatement’. Hij geeft twee voorbeelden: ‘Hij trof er een aantal aardige, innemende jonge mannen aan die nog bevlogener waren dan hij, en erin slaagden al het geld te stelen dat hij bezat’. En: ‘Toen de meisjes – bij wie overigens geen spoor van baatzucht aanwezig was – de diamanten zagen, kende hun geestdrift voor hem geen grenzen meer’. Dat de uitleg niet met het vingertje gepaard hoeft te gaan bewijst Grunberg met zijn commentaar: ‘Dit zijn erg goede zinnen. Een moordenaar als moordenaar beschrijven, een dief als een dief, op geld beluste dames als op geld beluste dames, is al snel erg saai.’
Zoals Van het Reve niet kon of wilde uitleggen waarom een zin mooi was, zo vond hij het maar raar om een roman te interpreteren. Een boek moet zo geschreven zijn dat alles meteen duidelijk is. Deze afkeer van interpretatie behoorde tot wat ik Van het Reve’s hogere bekrompenheid noem. Hij kon zich wel degelijk in van alles grondig verdiepen, maar hij wilde van tijd tot tijd ook graag al iets weten voor hij er iets van wist. Dan beriep hij zich op zijn grote zelfvertrouwen. Dat er talloze romans of verhalen zijn die hun geheimen pas vrijgeven door allerlei passages en zinnen te combineren en te interpreteren, wilde hij niet aannemen. Terwijl zelfs Elsschot, op wie Van het Reve zo gesteld was, niet zo eendimensionaal is.
Het is waar dat hij wel iets voor de Russische formalisten (Sjklovski, Vinogradov, Tynjanov) voelde die het over de bijzondere eigenschappen van literatuur hadden. Die hielden evenmin van symboliek en psychologische interpretatie, maar ook niet van het te hulp roepen van de biografie van de schrijver, en dat doet Van het Reve wel in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur. Ze wilden weten welke eigenschappen van kunst of literatuur ze tot kunst en literatuur maakten, dus daar had Van het Reve een handvat kunnen vinden voor het beantwoorden van de vraag wanneer iets mooi genoemd mag worden. Maar Van het Reve’s belangstelling moet niet groot genoeg zijn geweest, ook al zegt hij in een van de interviews dat hij met die vraag al vanaf zijn vijftiende bezig is. Ook de theorie van Sjklovski (van wie hij de Nederlandse vertaling van De paardesprong inleidde) dat kunst ‘vreemd maken’ is wilde hij niet door dik en dun aannemen. ‘Als iemand iets mooi vindt dan interesseert mij alleen hoe zo’n proces in zijn werk gaat en dat proces achterhaal je niet met behulp van methodologisch gezeur. Hoe het wel moet weet ik ook niet, hoewel ik er al sinds mijn vijftiende jaar mee bezig ben.’ Het raadsel van het mooi in de literatuur wilde zich niet oplossen voor de van zelfvertrouwen blakende Karel van het Reve. Misschien moet hiervoor toch de Weense kwakzalver te hulp geroepen worden.

