Waarin een van de beste boeken van 2010 aan de vergetelheid wordt ontrukt

door Carel Peeters

Geen enkele van de meer dan vijfentwintig recensies in de Engelse en Amerikaanse kranten had iets aan te merken op The Hare with the Amber Eyes van de schrijver met de uitgesproken Nederlandse naam Edmund de Waal. Ze vonden deze familiegeschiedenis, cultuurgeschiedenis en politieke geschiedenis allemaal even voorbeeldig. Vandaar dat het boek ook het meeste genoemd wordt in de Engelse lijstjes van de beste boeken van het jaar. In de Times Literary Supplement duikt het maar liefst zes keer op en wordt onder meer aanbevolen door A.S. Byatt en Margaret Drabble. In The Guardian prijzen Julian Barnes (de schrijver van Flauberts papegaai) en Stephen Frears, de regisseur van My Beautiful Laundrette, het aan.

Er moet ons dus iets ontgaan zijn. Temeer wanneer blijkt dat het boek al in juli als Het knoopjeskabinet in Nederlandse vertaling is verschenen, en nergens is besproken. Het knoopjeskabinet is een door een hedendaagse nazaat onderzochte en vertelde micro- en macrogeschiedenis van een van de rijkste joodse families van Europa, de Ephrussi’s. Die geschiedenis wordt verteld aan de hand van een verzameling van 264 kleine Japanse figuurtjes van hout en ivoor die ‘netsukes’ worden genoemd. Dat zijn de ‘knoopjes’ van de Nederlandse titel, omdat ze ook gebruikt konden worden als een soort knopen aan tasjes of riemen. Het ‘kabinet’ staat voor de vitrine waarin ze door de jaren heen in Parijs, Wenen en Tokio werden bewaard en gekoesterd. De netsukes zijn heel kostbaar en kunnen allerlei vormen aannemen: een haas met ogen van barnsteen, een jongen met een samoeri-zwaard, een tijger die zich grommend omdraait, een innig liefdespaar, muizen die in elkaar verstrengeld zijn. Ze voelen speciaal prettig aan in de hand omdat ze eindeloos gepolijst zijn.

Charles Ephrussi

De netsukes vertegenwoordigen de kleine geschiedenis in het grote verhaal van de zich ontwikkelende rijkdom van de Ephrussi’s, de joodse familie uit Odessa die in de tweede helft van de negentiende eeuw in grote luister aan de Ringstrasse in Wenen en de Rue de Monceau in Parijs gingen wonen. Ze behoorden, net als de Rothschilds, tot de aristocratie van die tijd. De Ephrussi’s waren ‘les Rois de Blé’, de koningen van het graan, zoals James de Rothschild bekend stond als ‘le Roi des Juifs’, de koning der joden. Maar vanaf het einde van de negentiende eeuw, rond de Dreyfus-affaire, kregen ze te maken met het opkomende antisemitisme, en daarna met de jodenvervolging en Tweede Wereldoorlog.

Edmund de Waal is de kleinzoon van Henk de Waal, een toen in Engeland wonende bemiddelde Nederlander die in het begin van twintigste eeuw trouwde met barones Elisabeth Ephrussi, de dochter van Viktor en Emmy Ephrussi, de bewoners van het kolossale Palais Ephrussi aan de Ringstrasse. De Waal (1964) is een bekende ceramist in Engeland, van wie werk te zien is in het Victoria & Albert Museum en de Tate Gallery. Hij is ook hoogleraar keramiek aan de University of Westminster. Zijn speciale belangstelling voor Japans ceramiek leverde hem een uitnodiging op om een jaar in Japan te studeren. Hij was op zijn zeventiende al eens in het pottenbakkersdorp Bizen geweest. In Tokio woonde al jaren de broer van zijn moeder, oom Ignace. Die vroeg hem op een dag of hij hem wel eens het verhaal van de netsukes had verteld, die figuurtjes daar in de zwarte vitrine.

Zo kreeg De Waal de eerste glimp van een even illustere als dramatische geschiedenis. Na het overlijden van zijn oom, een paar jaar geleden, erfde hij de netsukes. En het nog fragmentarische verhaal er achter. Hij wilde er alles van weten.

De verzameling netsukes werd in 1870 in Parijs gekocht door baron Charles Ephrussi, een lid van de familie dat niets met graan had, maar alles met kunst. Omdat hij puissant rijk was werd hij de mecenas van verschillende kunstenaars, maar ook hoofdredacteur, en in 1885 eigenaar, van het invloedrijke tijdschrift Gazette de Beaux Arts. Charles Ephrussi kocht zijn netsukes in de hoogtijdagen van het ‘japonisme’ toen kunsthandelaren als Bling en Sichel schepen vol Japanse lakdozen, kasten, kamerschermen, bedden en snuisterijen lieten komen. Ook de schilders werden er door aangestoken, onder wie Vincent van Gogh.

Palais Ephrussi in Wenen

Charles Ephrussi was bevriend met Renoir, Degas, Manet en Pissarro. Hij verkeerde in de belangrijkste salons van Parijs waar ook de gebroeders Goncourt gezien konden worden, en Marcel Proust. Edmond de Goncourt behoorde niet tot zijn vrienden, getuige de stekelige aantekeningen over hem in zijn dagboek. Hij noemt hem ‘mal élevée’, slecht opgevoed, en ‘insupportables’, onuitstaanbaar. Meer indruk maakte hij op Proust, die meermalen zijn vol kunstschatten staande huis aan de Rue de Monceau bezocht. Dat leidde ertoe dat Charles Ephrussi een van de twee modellen werd voor het belangrijke personage Swann in A la recherche de temps perdu (de ander is de niet minder mondaine Charles Haas). Charles Ephrussi en zijn twee broers waren het middelpunt van bals, muzikale soirees, salons en recepties. Dat zorgde voor evenveel bewondering als afgunst.

Edmund de Waal haalt de geschiedenis van deze en andere ooms boven water door stad en land af te reizen, archieven om te spitten, gesprekken te voeren, kranten en tijdschriften te lezen. Niet alleen de talloze artikelen van Charles in de Gazette, maar ook de roddelrubrieken van de kranten waarin de feesten en ontvangsten van de Ephrussi’s worden verslagen. Zo leest hij ook hoe de rijkdom en macht van Ephrussi & Co steeds meer irritatie opwekt, speciaal bij de populaire demagoog en antisemiet Edouard Drumont die de rijke joodse families in Frankrijk bijvoorbeeld verwijt dat ze zich meester hebben gemaakt van alle historische panden. De Dreyfus-affaire doet de rest. Voor dat Charles in 1905 overlijdt schenkt hij de netsukes aan zijn neef Viktor en zijn vrouw in het Weense Palais Ephrussi.

Daar speelt het tweede deel van deze geschiedenis. Ook daar wordt op grote voet geleefd, maar ook hier krijgt het verwerven van kunst minstens zoveel aandacht als het vermeerderen van het fortuin. Met name dochter Elisabeth ontpopt zich, niet alleen als de eerste vrouw die aan de Weense universiteit promoveert, maar ook al jong als dichteres. In die hoedanigheid correspondeert ze met Rainer Maria Rilke, een vriend van haar vader. Ook in Wenen hebben de joodse families steeds vaker te maken met antisemitisme. Ignace, de oom in Tokio en de zoon van Viktor, vertelt Edmund de Waal dat hij eens hoog in de Alpen met zijn zuster Gisela aan het wandelen was. Het werd snel donker, maar gelukkig troffen ze een hut waar vrolijke geluiden uit klonken en en warme kachel was. Toen lieten weten wie ze waren werden ze meteen weggestuurd: joden zouden de berglucht verontreinigen. Zulke incidenten volgen elkaar op in de jaren die volgen, tot Oostenrijk in 1938 wordt bezet door de nazis en op een ochtend een groep nationaal-socialisten Palais Ephrussi binnenstormt. Het hele gebouw wordt overhoop gehaald en vernielingen aanricht. Waarna alle bezittingen (schilderijen, meubels, serviezen, het zilver) worden onteigend. Ook de 264 netsukes zouden dat lot hebben ondergaan, als de huishoudster Anna tijdens de dagen van de inventarisatie er niet elke dag ongemerkt een paar uit de vitrine had gehaald. Ze verborg uiteindelijk in een kussensloop onder haar matras. Zij mocht als enige op zolder in het Palais Ephrussi blijven wonen toen het gebouw door de nazis werd ingenomen om als kantoor te worden gebruikt. De Waal vertelt het allemaal nuchter, met veel saillante details en ingebed in wat er verder in Oostenrijk na de inname door Hitler plaatshad.

Toen de oorlog achter de rug was ging barones Elisabeth Ephrussi vanuit Engeland naar Wenen om te kijken of er nog iets over was van huis en bezit. Ze kreeg een rondgang door het Palais Ephrussi van een Amerikaanse officier want de Amerikanen hadden er nu hun kantoor. Zo zag ze dat er gewerkt werd aan haar vaders bureau en dat er nog schilderijen met portretten van haar voorouders aan de muur hingen. En wist ze dat er nog iemand op zolder woonde? Dat wist ze niet. Waarna Anna verscheen, en met haar de 264 netsukes. Die belandden uiteindelijk bij Elisabeths broer Ignace, de broer in Tokio.

Het knoopjeskabinet is een urbane ontdekkingstocht, goed geschreven, grondig gedocumenteerd. Edmund de Waal ging op zoek gaat naar de achtergrond van een geërfde kunstverzameling en stuitte op deze even illustere en dramatische familiegeschiedenis waarin het grote en kleine soepel in elkaar overlopen.

Het knoopjeskabinet verscheen bij uitgeverij Mistral in de vertaling van Willeke Lempens

Gepubliceerd op: | 1 Comment


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.