Tragiek en conflict in de polder
door Carel Peeters
Paniek in de polder, het nieuwe boek van de hoogleraar filosofie van kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit Jos de Mul, is voorzien van ‘een hartelijke aanbeveling van Afshin Ellian’. Dat valt op. Boeken worden zelden op de voorkant zo hartelijk aanbevolen, en zeker geen boeken over de politieke cultuur van Nederland van de afgelopen tien jaar. Op de achterkant gebeurt het wel door middel van citaten uit recensies van vorige boeken van de schrijver. Of juichende uitspraken over de schrijver in het algemeen.
Wanneer een boek op de voorkant ‘een hartelijke aanbeveling’ van iemand krijgt werkt dat nooit in het voordeel van het boek. Het krijgt een strik om die de lezer er misschien liever zelf om had gedaan. Een gewone inleiding zou iets anders geweest zijn, ook al is ook dat zelden een echte aanbeveling. Het boek heeft dan kennelijk een kruiwagentje nodig om op weg geholpen te worden.
De tweede hindernis die genomen moet worden voor Paniek in de polder is de ondertitel: Polytiek en populisme in Nederland. ‘Polytiek’ is een vermoeiend soort neologisme. Het lijkt in alles op het woord politiek, maar niet op een essentiële manier. Is het een woord dat ooit gemeengoed zal worden, ook al staat het misschien voor iets zinnigs? Ik betwijfel het. Het is een woord waarvan de afwijkende betekenis altijd meteen verklaard moet worden. Het is een woord met een bijsluiter.
De Mul beschrijft de paniek in het polderende Nederland van de afgelopen tien jaar. Door de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en door alle problemen die samenhangen met de islam, integratie, de multiculturele samenleving, neoliberalisme, Verlichtingsfundamentalisme, Ayaan Hirsi Ali, Geert Wilders en Rita Verdonk slingerde Nederland in die jaren tussen tolerantie, demonisering, fundamentalisme, gedogen, polderen en verketteren. Met als algemeen kenmerk: een angstige verhoging van de temperatuur van het debat. Van de vrijheid van meningsuiting werd volop gebruikt gemaakt, tot en met de noodzaak de gebruikers van die vrijheid te beschermen door body-guards.
Deze schets van de afgelopen tien jaar heeft De Mul nodig voor waar het hem eigenlijk om gaat: de indruk weg te nemen dat deze toestand iets heel uitzonderlijks zou zijn en niet bij een democratie hoort. Veel mensen denken dat democratie een rustige vredelievende staatsvorm is. Dat is een misverstand. De Mul citeert de Franse politicoloog Claude Lefort om dit misverstand uit de wereld te helpen: ‘De democratie is de enige samenlevingsvorm die het onophefbare sociale conflict dat aan de basis van elke maatschappij ligt, erkent. Meer nog, ze leeft van het conflict. Het is haar bron van energie en vernieuwing. De conflictualiteit kan in een democratie noch worden opgeheven, noch te boven gekomen.’
Deze van het conflict levende democratie heet een ‘seculier-polytheïstische staatsvorm’. De Mul noemt dat ‘polytiek’ omdat hij het ‘poly’ van de talloze seculiere groeperingen en vele geloven wil benadrukken: ‘De polytieke rechtstaat bevordert op actieve wijze levensbeschouwelijke pluraliteit en diversiteit.’ En niet alleen de groeperingen onderling, maar ook binnen die groepen. Dit verklaart waarom De Mul nog een andere politicoloog citeert, Serge Gutwirth, voor wie de democratie een rechtstaat is waarin de grootst mogelijke vrijheid wordt gegeven aan een zo groot mogelijk aantal mensen, ‘zonder dat het geheel in chaos vervalt.’
Het actief bevorderen van verschillen dat De Mul bepleit betekent dat hij hier ideeën uitwerkt waarover hij eerder het boek De domesticatie van het noodlot schreef. Daarin besteedde hij veel aandacht aan tragiek en conflict als behorend bij de democratische samenleving. Het pluralisme zorgt voor ‘tragische spanningen’ omdat het gaat om verschillen in ideeën, idealen en rechtsbeginselen. ‘Die spanningen’, schrijft De Mul, ‘doen vaak pijn, niet alleen fysiek (wanneer ze uitlopen op geweld), maar ook in religieus, moreel, intellectueel of esthetisch opzicht. Maar juist in het verduren van deze pijn toont zich de voor de polytieke staat vereiste tolerantie.’ Het verschil tussen polyptiek en politiek is dat polytiek weet om te gaan met tragiek. De tragische spanning moet wat De Mul betreft niet altijd worden opgeheven door een drastische eenzijdige beslissing, maar kan ook worden ondergaan.
In een misplaatste zucht naar nieuwe begrippen en woorden noemt De Mul dit ‘polymythisch leven’. Dit pluralistische leven is een voortdurend confrontatie en dialoog tussen verschillen. Vandaar dat De Mul een actief beleid tegen segregatie wil: wonen, onderwijs, werk en vrije tijd moeten zich niet afspelen in eigen wijken of scholen. Het verschil met de inmiddels verguisde multiculturele samenleving weet De Mul ondertussen niet overtuigend uit te werken. Het belangrijkste verschil steekt in het tragische element van de pluralistische samenleving. Dat tragische besef (dat je nooit het volle pond van je overtuigingen gerealiseerd krijgt) is een interessante kant van het pluralisme die al te absolutistische avonturen kan voorkomen. De Mul voegt er ook nog een gepaste hoeveelheid ironie aan toe. En hij vindt dat het met de ‘suprematie’ van de christelijke symboliek wel iets minder kan in Nederland. Op de Euromunten mag de bede aan God wel blijven bestaan, als er ook maar ruimte is voor hindoestaanse, boeddhistische, islamitische en atheïstische credo’s. Ook Nietzsche’s ‘God is dood’ kan er op. Het is duidelijk: Jos de Mul is uit op energie opwekkend conflict.
Paniek in de polder verscheen bij uitgeverij Klement.

