In Memoriam Doeschka
door Carel Peeters
Doeschka Meijsing hield van het stellen van Pertinente Vragen. Het was haar geliefde gezelschapspel. Ze speelde het met sardonisch genoegen. Halve antwoorden werden niet geaccepteerd. Van wie hou je het meest, van je vader of je moeder? Wat is de beste beginzin? Wie van Salingers Glass-kinderen staat het dichtst bij je, Teddy of Seymour? Welke muziek moet op je begrafenis gespeeld worden? Welke roman van Vestdijk gaat mee naar het eiland? Welke menselijke eigenschap is het belangrijkste? Op deze laatste vraag had ze een ondubbelzinnig antwoord waar ze ook niet lang over na hoefde te denken: trouw.
Dat antwoord lag op het eerste gezicht niet zo voor de hand. Ze was een liefhebber van liefhebben (‘Wat een vrouw!’, kon ze uitroepen). Het eeuwige verlangen (dat zo’n belangrijke rol speelt in haar werk) is per definitie ontrouw, wil steeds opnieuw bevredigd worden. Ze was gespitst op wat haar kon verrassen en tot bewondering kon brengen. Haar ironie en sarcasme zaten haar niet in de weg als het ging om van iets te houden. Ik weet niet of de zwarte zangeres Joan Armatrading in het begin van de jaren tachtig al haar nummer Let it last forever until we die had, maar ze had in die tijd een lied (Hold on to this promise?) met dezelfde strekking dat Doeschka uit haar hoofd kende. Zoals ze veel uit haar hoofd kende. Niet alleen de strekking van het lied beviel haar, ook de uiterlijke verschijning van Armatrading: een ruim afrokapsel, een strakke spijkerbroek en daarboven een ruim wit shirt. En een donkere jongensstem.
Toen Doeschka in 1975 haar essay ‘De zusjes van Shakespeare’ schreef voor De revisor was dat meteen een beginselverklaring over haar eigen toekomstige schrijverschap. Ze was solidair met het feministische verlangen naar meer vrouwen in de literatuur, maar ze moest niets hebben van de feministische ideologie waaraan die schrijfsters zich zouden moeten conformeren. Zij was voor een uitgesproken individualistische, lyrische literatuur, in de geest van Vestdijks essay ‘Het lyrische beginsel van de roman’. De roman was bedoeld voor het verbeelden van het persoonlijke, de ziel, de verbeelding, de innerlijke vrijheid en de autonomie, zowel voor de schrijver als voor de lezer: ‘Het menselijk innerlijk is alleen via de roman uit te beelden en de westerse psychologische roman is dan ook de bekroning van het genre’, schreef Vestdijk.
Het lyrische beginsel van de roman betekende dat de bron van het schrijven zich alleen maar in de individuele roerselen van de schrijver kon bevinden. Dat is wat de schrijver de wereld heeft te bieden: de vernuftige verwerking van zijn innerlijke roerselen. Dat is zonder twijfel romantisch, maar allerminst bezwaarlijk in handen van iemand die met de wetten van de verbeelding wist om te gaan als Doeschka. In elk van haar romans stond iets op het spel: er moest iets in woorden en beelden omgezet worden dat haar dwars zat, dat haar plaagde, dat haar onzeker probeerde te maken. Daar moest ze bovenuit zien te komen, alsof het overwonnen moest worden met woorden en beelden.
Wat haar dwars zat stond steeds in een gespannen verhouding tot wat eigenlijk de bedoeling was: een trouwe, harmonische, paradijselijke toestand. Het verlangen daarnaar was van alles wat ze schreef de achtergrond. Er was altijd dat verlangen naar achteloos jong en mooi, naar ongedwongen zwier, naar vrij als vogeltjes in de lucht.
Trouw is zo prominent aanwezig omdat de personages die min of meer haar alter ego’s zijn te maken hebben met een terugkerende moeder die haar laat vallen op cruciale momenten, die haar niet trouw is. Meijsings alter ego’s voelen zich afgewezen. Ze worden niet serieus genomen, worden niet omhelsd na het behalen van het eindexamen, krijgen niet de verhalen over hun moeders leven te horen waarom ze vragen (zoals in 100% chemie). In Tijger, tijger! leidt dit tot een climax waarin de moeder haar een aanstelster noemt. Dat komt de moeder op het verwijt te staan ‘dat je me uit de geschiedenis hebt laten vallen’. Meijsings alter ego’s ontwikkelen een speciaal zintuig dat verwanten herkent, eenlingen die ook buiten gesloten zijn.
De ontrouw van ‘de moeder’ leert Doeschka Meijsing langzaam iets, ook al blijft het altijd schrijnen, tot en met in Over de liefde, de ontrouwroman bij uitstek. Het verandert haar geleidelijk van een Platonist in een Aristoteliaan, van iemand die zoals Plato gelooft in het bestaan van het Idee van het Goede, Ware en Schone, tot iemand die het klein wil houden en zonder hoofdletters: die het bestaan van iets goeds, waars of schoons pas erkent als ze het in de dagelijkse praktijk is tegengekomen, en dat is niet zo vaak.
Ze wordt van een idealiste een realiste. Ook al doet ze er met moeite afstand van, ook het bestaan van het Idee van Trouw met een hoofdletter moet ze laten vallen: het idee Trouw moet plaatsmaken voor de zeldzame keren dat het echt zichtbaar is en standhoudt, en dat is ook niet zo vaak. Op deze manier moet ze in de verhalenbundel Beste vriend het Idee Beste Vriend opgeven. Dat is te hoog gegrepen, ze moet genoegen nemen met een goede vriend (‘een vriend voor mooi weer in goed genoeg’). Deze metamorfose tot realiste stelde haar ook in staat om heroïsch boven zichzelf uit te stijgen toen ze besloot haar ontrouwe geliefde niet helemaal de rug toe te keren en ook een deel de zorg op zich te nemen van het zoontje dat de geliefde bij een ander had gekregen.
De hoofdpersoon van De kat achterna heeft een boekje over speelgoed geschreven dat De wetten van de verbeelding heet omdat kinderen op speelgoed hun fantasie kunnen botvieren. Het is een programmatische titel. Meijsing creëerde haar eigen wetten van de verbeelding. Ze heeft de verbeelding zelfs tot het koninklijke instrument van het schrijven gemaakt. Dat haar proza zo’n indruk maakt heeft alles te maken met haar vermogen om de treffendste beelden te vinden voor waar het haar om gaat.
Vandaar dat ze het zo goed bij andere schrijvers herkent. Het grillige verlangen in haar werk, dat eeuwige verlangen dat haar Trouw onderuit probeert te halen, ziet ze in Beste vriend bijvoorbeeld perfect verbeeld door Socrates wanneer die de verlangende ziel voorstelt als twee gevleugelde paarden en een menner. Het ene paard van dit wagenspan van de menselijke ziel is nobel en gehoorzaam, het andere is wild en onbeheerst. Dat gaat niet goed samen. Het hoeft geen verwondering te wekken dat de rit met dit span uitermate onregelmatig verloopt: ‘We gaan rennen en schreeuwen en wild gebaren maken en voelen een opwindende kriebel achter onze botten en roepen dat we eraan komen, dat het hoogstens nog een kwestie van enkele seconden is. Ja, we branden van verlangen,’ schrijft ze.
Die opwindend kriebelende botten en dat ‘we komen er aan’ beheersten Meijsings energieke kant. Wie zich door dit verlangen laat leiden, en zich er onvoorwaardelijk aan overgeeft, ontwapent tegelijk zichzelf. Vandaar de kwetsbaarheid van de hoofdpersoon van Over de liefde, die onverwacht wordt afgewezen. Wat Doeschka in deze autobiografische roman restte was het gebruik van het wapen van de verbeelding, op een Dorothy Parker-achtige manier, luchtig maar bijtend.
Doeschka Meijsing en ik hebben van 1978 tot begin 1985 bij Vrij Nederland dagelijks tegenover elkaar gezeten voor het maken van de maandelijkse Boekenbijlage. Daarna werd de Boekenbijlage wekelijks en ging zij iets anders doen. Dat tegenover elkaar zitten was geen straf. Er moest geredigeerd, gecorrigeerd en getelefoneerd worden, er moesten medewerkers ontvangen en gesprekken gevoerd worden, anders zou alle tijd zijn opgegaan aan het pingpongspel van gevatte opmerkingen, het leveren van niet-aflatend commentaar op boeken en stukken, en de lyrische en lachende verdediging/afwijzing van het ene boek en de ene schrijver na de andere, gelardeerd met citaten, uit het hoofd. Doeschka’s zin om te leven was groot. Maar er zat iets in de weg. Het deugde volgens haar niet dat ze met haar snuggerheid en intelligentie niet gelukkig was. Dat klopte toch niet? Wat is er met mij aan de hand? Hier kwamen haar woeste geestigheid en verongelijkte melancholie vandaar.


