Hoe dom mag de winnaar van de Erasmusprijs 2012 zijn?
door Carel Peeters
Gesprekken met de hersenonderzoeker Dick Swaab verlopen zoals vroeger met Willem Frederik Hermans. Zoals Hermans met zijn morose wereldbeeld altijd gelijk had omdat het leven inderdaad met zekerheid op de dood uitloopt, zo reduceert Swaab alles tot het brein, van de liefde tot kwaadheid, van de schoonheid tot de religie. Het zijn louter neurologische reacties: ‘Het bewustzijn is het product van het samenspel van miljarden neuronen in een aantal hersengebieden’. Ongelijk heeft hij niet. Er is zelfs geen speld tussen te krijgen. En toch is deze reductie van een leven tot het brein armzalig, hoe spannend het hersenonderzoek verder ook mag zijn.
Ook al ben je geen cartesiaan die nog een scheiding aanbrengt tussen lichaam en geest, toch kan je vinden dat het brein niet alles is. Zoals de genen niet alles zijn, of de intelligentie. Aan Swaab is gaan kleven dat ‘alles’ al vroeg in de baarmoeder is vastgelegd. Dat vindt hij kletskoek, maar zijn antwoorden over hoe het dan wel zit zijn tegenstrijdig. In een gesprek met Margriet van der Heijden (NRC Handelsblad, 5 november 2011) lijkt Swaab een beetje nuance aan te brengen in dat ‘alles’ wanneer hij zegt: ‘Kennis kun je opdoen. Gedrag kun je bijschaven. Maar je karakter ligt vast’. Hier wringt iets: wanneer je karakter helemaal vastligt heeft het weinig zin om nog kennis op te doen. Het karakter kan niet vast liggen, want met dat karakter wordt geleefd. Dan verandert er vanzelf iets of door eigen toedoen. Er wordt vorm aan het karakter gegeven.
Even tegenstrijdig is het wanneer Swaab zegt: ‘Natuurlijk wordt er later nog heel veel ingevuld. Maar: je mogelijkheden en beperkingen liggen vast’. Swaab maakt van lichaam en geest eerst een genetische gevangenis. Daarna mag er nog wel iets door de tralies gelaten worden (‘ingevuld’), maar dat verandert niets aan die gevangenis, die mogelijkheden en beperkingen. Wat heeft die latere invulling dan nog voor zin?
De kritiek op de neuromonomanie van Swaab is vaak afkomstig van mensen die zeggen, zoals zijn eigen dochter, dat ‘er meer is’ dan de neuronen. Dat brengt de zaak meteen in de verdachte hoek van de spiritualiteit. Maar daar hoeft de discussie helemaal niet in te verzeilen. Het gaat er alleen maar om dat Swaab (en met hem menige hersenonderzoeker of neuroloog) te weinig erkent dat het menselijk bewustzijn, en dus de vrije wil, minstens zo belangrijk is voor het bestaan als de genetische basis van mensen. Er zijn andere hersenonderzoekers, zoals Antonio Damasio, die daar helemaal geen moeite mee hebben.
Swaabs beperkte laboratoriumvisie is verwant aan die van de Amerikaanse filosoof Daniel C. Dennett aan wie nu de Erasmusprijs 2012 is toegekend. Dennett ontkent dat mensen een apart bewustzijn, een geest, een zelf, een ik of een ziel hebben. Er zit geen geest in onze machine. We hebben geen ziel, ‘geen welwillende dictator die vanuit het hoofdkwartier de lakens uitdeelt’, zoals hij in Het bewustzijn verklaard schrijft. De geest is volgens Dennett een mierenhoop, ‘een voortdurende stroom van informatie’ zonder centrale bestuurskamer. Ook het ‘zelf’ is niet iets op zichzelf, ‘zelven zijn geen onafhankelijk bestaande zieleparels maar maaksel van de sociale processen die ons creëren’. Zo ook de vierde naam voor hetzelfde verschijnsel: het bewustzijn: het bewustzijn is geen magisch element dat toegevoegd wordt aan de materie.
In de ogen van Dennett bestaat het individu nauwelijks. Mensen zijn wat ze aan anderen over zichzelf vertellen en verzinnen. Dat noemt hij ‘het narratieve zelf’. Maar dat zelf is maar heel relatief, aangezien we die verhalen niet zelf vertellen. We zijn onderdeel van historische en sociale processen: ‘Onze verhalen worden gesponnen; voor het grootste deel doen we dat niet zelf; zij spinnen ons.’
Het verbazingwekkende aan deze kijk op mensen is dat alles wat mensen tot mensen maakt over het hoofd wordt gezien of wordt ontkend. Ook al wemelt het van de kuddedieren, toch kun je op elk moment van de dag mensen zien die zelfstandig, autonoom en vanuit persoonlijke drijfveren leven. Zij ondergaan de werkelijkheid op een onvervreembaar eigen manier, in het idioom van hun eigen geest en verstand – niets (of weinig) ‘sociale processen’. Het zijn mensen die wezenlijk van andere mensen verschillen omdat ze persoonlijke keuzes maken uit alles wat voorhanden is. Ze hebben een flexibele identiteit, ze hebben iets persoonlijks en onverwisselbaars, ze hebben een ‘zelf’ waar ze steeds bij kunnen terugkeren. Ze zijn zich niet alleen van de wereld bewust, ze hebben ook een actief bewustzijn. Dat zorgt ervoor dat ze zelf ‘spinnen’ en niet gesponnen worden, om het in Dennetts woorden te zeggen.
Voor Dennett bestaan zulke relatief autonome mensen niet. Hij gelooft niet dat mensen het bestaan op een persoonlijke, subjectieve manier onderdaan. Voor Dennett bestaat er alleen maar een soort collectief bewustzijn waar mensen een onderdeel van zijn. Wanneer je het bestaan op een persoonlijke manier ondergaat (wat betekent dat er sprake is van een soort zelf, een ik of een bewustzijn) hoeft dat niet te betekenen dat je een dualist bent die een scheiding aanbrengt tussen lichaam en geest. Antonio Damasio toont in Ik voel dus ik ben. Hoe gevoel en lichaam ons bewustzijn vormen aan dat emoties het vermogen om redelijk te denken bevorderen, zeker als het gaat om persoonlijke en sociale kwesties die een risico en een conflict in zich dragen.
Hoe dom mag de winnaar van de Erasmusprijs zijn? ‘Wat een mens kan, kan een computer ook’, heeft Dennett eens in een interview in Filosofie magazine gezegd. Een computer die ooit de boeken van Philip Roth, Ian McEwan, Hella Haasse of P.F. Thomése schrijft? Erasmus haalt zijn wenkbrauwen op.
Foto: Daniel Dennett, op de Second World Conference on the Future of Science, in Venetië, 2006. Door David Orban.

