Drie honderd jaar David Hume: eerst de hartstocht, dan de rede

door Carel Peeters

Een van de sympathiekste kanten van de drie honderd jaar geleden op 26 april 1711 geboren Schotse filosoof David Hume is dat hij soms radicaal consequent kon zijn. Hij staat bekend om zijn milde mentaliteit, zijn tolerantie en scepticisme, maar hij kon op een prettige manier iets tot een kwestie van principe maken als het om iets gewichtigs voor hem ging. Zoals het recht op zelfmoord.

Toen Hume in 1765 een tijd in Frankrijk verbleef als secretaris van de Engelse ambassadeur was hij een graag geziene gast in de salons, zoals die van de vermaarde atheïst baron d’Holbach. Diderot kwam daar ook regelmatig. Vandaar dat hij aan zijn vriendin Sophie Volland kon schrijven dat Hume zich erg druk had gemaakt om het lot van een Engelsman. Die was in de Seine gesprongen om zichzelf van het leven te benemen. De man was uit het water gehaald en door de politie opgesloten. Hij zou aan de galg worden opgehangen als Hume niet herhaaldelijk bij de rechtbank was geweest (‘twintig keer’) om het recht van de man te verdedigen om zich in de Seine te verdrinken. Er was immers geen verdrag tussen Frankrijk en Engeland waarin dat werd verboden.

Hume is dan ook de schrijver van het vermaarde essay ‘On suïcide’ waarin hij het recht verdedigt om een hoeveelheid bloed niet langer door je aderen te laten stromen, maar er buiten, volgens de methode Seneca. Hume’s consequente manier van denken zorgde ook voor zijn filosofische scepticisme: dat we niets met zekerheid kunnen weten. Hij kon zo consequent doordenken dat er steeds weer onzekerheid ontstond. Zelfs zoiets schijnbaar gewoons als oorzaak en gevolg was niet met zekerheid vast te stellen. Dat we het aannemen is gebaseerd op de verwachting dat iets weer zo zal verlopen, maar het is niet echt waar te nemen. Er is geen causaliteit, wat we zien is een opeenvolging van gebeurtenissen, geen aan elkaar geklonken ketting. Hume was wel zo verstandig zijn filosofische scepticisme niet op het dagelijks leven toe te passen. Hij was een empirist die zijn dagelijkse zintuigen als zijn betrouwbaarste bondgenoten beschouwde voor de kennis van de wereld. Ook de ervaring deelde daarin.

Dat Hume in Frankrijk bij de verlichte geesten zo’n hartelijk onthaal kreeg (aardig beschreven door Philipp Blom in zijn boek over ‘de vergeten radicalen van de Verlichting’ Het verdorven genootschap) was een verrassing voor hem. Hij had vanaf het begin geen geluk gehad met de uitwerking van zijn ambities. Het boek waarin hij op zijn achtentwintigste dacht de menselijke natuur op een nieuwe manier te hebben beschreven, The Treatise of Human Nature, verscheen in 1739 en werd ‘doodgeboren’. Er kwam geen reactie op. Iets meer geluk had hij met zijn Essays, Moral, Political and Literary die in 1741 verschenen, maar ook dat leverde hem financiëel weinig op. Hij probeerde zijn vriend de econoom Adam Smith op te volgen als hoogleraar ethiek, maar hij stond te bekend als een goddeloze om aanvaardbaar te zijn voor de ‘zeloten’, zoals A.J. Ayer zijn tegenstanders noemt.

In plaats daarvan werd hij bibliothecaris van de Faculteit van Advocaten in Edinburgh. Zijn salaris was bijna symbolisch, veertig pond per jaar. Vanaf 1754 weigerde hij het ook nog aan te nemen omdat de curatoren van de faculteit hadden geweigerd in te stemmen met de aankoop van drie boeken. Die zouden te onfatsoenlijk zijn. Een van de boeken was Fabels van La Fontaine. Hume bleef wel in de bibliotheek werken (tot 1757), omdat hij bezig was met zijn zesdelige History of England, een werk dat hij had ondernomen om zijn gebrek aan gehoor voor zijn filosofisch werk te compenseren. Juist deze geschiedenis zou hem grote vermaardheid bezorgen, al zag het daar aanvankelijk niet naar uit. Van het eerste deel over de eerste helft van de zeventiende eeuw werden in 12 maanden 45 exemplaren verkocht. Bovendien zorgde het voor een controverse omdat hij het gewaagd had een traan te laten voor de in 1648 onthoofde Karel I. Hij was zo teleurgesteld dat hij van plan was zijn naam te veranderen en een ander leven te beginnen. Daar zag hij vanaf toen een oorlog tussen Frankrijk en Engeland uitbrak.

Hume begreep na verloop van tijd dat zijn Treatise uit 1739 te weinig toegankelijk was geschreven. Dus besloot hij het te herschrijven, met als resultaat An Enquiry concerning Human Understanding (1758) en An Enquiry concerning the Principles of Morals (1751). Daarmee veroorzaakte hij een zachte revolutie omdat hij in ‘De Eeuw van de Rede’, de achttiende eeuw, diezelfde rede tot slaaf van de hartstochten maakte. Het waren de emoties, gevoelens, wensen en verwachtingen die het menselijke bestaan bepalen, de rede is er alleen de vernuftige vormgever van. Dat leek tegen de keer, aangezien het verstand in die eeuw het schijnbaar voor het zeggen kreeg. Maar dat is inmiddels een misverstand gebleken, aangezien de belangrijkste verlichters (Diderot, Grimm, Montesquieu, Rousseau en vooral Hume) de hartstochten als bron van alles beschouwden.

Hume werd in Frankrijk ‘le bon David’ genoemd. In Endinburgh is nu een Saint David Street, alsof hij een heilige was. Hume had iets dat hem tot aangenaam gezelschap maakte, en niet alleen zijn gezellige omvang. In zijn essays meandert hij je met een broodnuchtere logica en bijna ongemerkt naar een radicaal standpunt. Hij had ook, zoals hijzelf schrijft in een korte autobiografie acht dagen voor zijn dood, ‘a mild disposition’ en was ervoor gemaakt om de aangename kant van de dingen te zien, iets waar hij gelukkiger mee was dan als hij geboren was op een landgoed met tienduizend pond per jaar.

Vele gelovigen in zijn omgeving, onder wie, James Boswell, konden het niet uitstaan dat Hume in 1776 met zoveel gemoedsrust zijn dood tegemoet ging. Boswell bezocht hem dagelijks om te horen of hij al bereid was om in een leven na de dood te geloven. Hume piekerde er niet over. Hij las Lucianus’ dialogen over de dood in plaats van de Bijbel. Zijn vriend Adam Smith had meer begrip voor hem. Hij beschreef de laatste weken van Hume’s leven uitvoerig in een brief aan Hume’s uitgever William Strahan. Hij memoreerde Hume’s grappen over Charon. Hij zei dat hij Charon had gevraagd hem nog wat respijt te geven zodat hij het bijgeloof nog een dodelijke slag kon toebrengen. Smith wist niet dat Hume die slag al had klaar liggen om postuum te worden uitgegeven: zijn Dialogues concerning Natural Religion. Daarin staat dat het chriselijk geloof altijd al gepaard ging met wonderen, maar dat er nu een wonder nodig is wil een redelijk mens er nog in geloven. Zo is het.

Gepubliceerd op: | No Comments


© 2012 Vrij Nederland De Republiek der Letteren en Schone Kunsten Disclaimer. Site aangedreven door Wordpress. Ontwerp door Tim de Gier.