De tragiek van de emancipatie
door Carel Peeters
Luiheid en lafheid zijn er de oorzaak van dat een groot deel van de mensheid onmondig blijft, schreef Immanuel kant in zijn vermaarde antwoord op de vraag ‘Wat is Verlichting?’ De mensen zouden de moed moeten hebben om zelf na te denken (saupere aude), dan zouden ze van hun afhankelijkheid verlost kunnen worden. Minder dociel worden, minder knippen en buigen, zelf nadenken.
Volgens veel filosofen en sociologen heeft dat zelf nadenken de afgelopen tweehonderd jaar steeds meer plaats gehad: de mensen raakten geleidelijk geëmancipeerd, ze verwierven zich een volwaardige plaats in de samenleving en werden steeds zelfstandiger. In de jaren zestig van de twintigste eeuw sloeg het zelf nadenken definitief toe en werd het project van de Verlichting voltooid door de algehele golf van democratisering. Daar plukken we nog steeds de vruchten van.
In de jaren zestig werd afscheid genomen van de dociele jaren vijftig en ontstond een algehele mondigheid. Inspraak werd een vereiste, zelfverwerkelijking, zelfbepaling en zelfontplooiing werden noodzakelijk idealen, debat, discussie vanzelfsprekend en ‘menselijke autonomie’ het uiteindelijke doel. Iedereen moest zich ontwikkelen tot een mondig en zelfstandig individu en deed dat ook. De emancipatie raakte voltooid, zelfs voor vrouwen. Op een gegeven moment was emancipatie alleen nog nodig voor bepaalde groepen, voor emigranten of zigeuners.
Op dat moment, schrijft de filosoof Gijs van Oenen in zijn boek Nu even niet!, trekt de burger zich terug op zijn eigen eiland. Hij is zo geëmancipeerd dat hij bijna ontstijgt aan de samenleving. Hij zit op de troon van zijn eigen rijkje. Hier begint te ontstaan wat Van Oenen ‘de tragiek van de geslaagde emancipatie’ noemt. Nu de mens alles zelf kan bepalen en hem niets meer in de weg gelegd wordt, begint het op hem te drukken. Zelfstandigheid is niet alleen maar leuk. Hij verandert van een lust in een last. Waren er eerder tradities, familiegewoonten, verwachtingen waar je zonder meer aan voldeed, nu moest over alles zelf nagedacht worden, over de studie, de carrière, het huis, de partner, de kinderen. Er ontstond een permanente keuzestress, die volgens Van Oenen heeft geleid tot ‘interactieve metaalmoeheid’ – interactief omdat hij het gevolg is van voortdurend overleg en discussie.
Van dat te veel wil men af. Of men legt de eisen van de samenleving willens en wetens naast zich neer (fraude, corruptie, schoenen op de bank in de trein) of men laat de samenleving de keuze maken. Dat heet het uitbesteden van de moraal. Dat is een duidelijke indicatie dat de eerste haarscheurtjes in de zelfstandigheid verschijnen. Omdat de automobilist parkeert waar hij de kans krijgt, zijn er paaltjes neergezet om dat te voorkomen. Omdat diezelfde automobilist zo hard rijdt als hij maar kan als hij de kans krijgt, zijn er drempels gekomen; uit zichzelf rijdt hij niet rustig. De stoplichten voorkomen dat men elkaar in de prak rijdt. Hetzelfde met rotondes. En het alcoholslot zorgt ervoor dat de automobilist niet in wanhoop met zichzelf in gesprek hoeft over zijn slechte gedrag: dat wordt voor hem gedaan. Het is allemaal uitbestede zelfbeheersing.
Van Oenens cultuurfilosofische diagnose is dat we nu leven in een ‘interpassieve samenleving’ omdat de interactieve samenleving ons teveel is geworden. De onderhandelingssamenleving stelt te hoge eisen. Te veel democratie. Nu zouden we ook nog de burgemeester moeten kiezen, en de waterschappen en elke keer aan een referendum mee moeten doen. Nu even niet! in Van Oenens titel wil zeggen dat we genoeg hebben aan het voldoen aan onze eigen normen. Met name de huidige dertigers, die volgens Van Oenen de eerste generatie is die helemaal alleen zelfstandig over alles kan beslissen, voelen sterk de last van de lust. Het leidt tot keuzestress, depressie, dan wel tot zelfoverschatting of zelfgenoegzaamheid.
Tot de tragiek van de geslaagde emancipatie behoort ook dat de sociaal-democratische evenwichtigheid in de jaren negentig is overgegaan in de mores van het radicaal individualistische neoliberalisme, met als gevolg dat zelfstandigheid veranderde in egoïsme, eigenbelang, overdreven assertiviteit, eigen ik eerst en what´s in it for me?
Het is jammer dat Van Oenen in zijn boek te lang stilstaat bij Slavoj Zizek en Robert Pfaller als degenen die het lelijke begrip ‘interpassiviteit’ hebben bedacht. Dat zorgt voor onnodige verwarring, temeer omdat Van Oenen het begrip helemaal nieuw invult. Echt nieuw in zijn boek is de diagnose dat het huidige egoïstische neoliberalisme het gevolg is van het onvermogen om aan de normen van zelfbeheersing te voldoen. Egoïsme, narcisme, hebzucht zijn te sterke emoties. Men kan de zelfstandigheid niet aan, de Verlichting is een te zware opgave. De zelfstandigheid is omgeslagen in egoïsme. De collectieve emancipatorische cultuur, waarin de oude ankers niet meer voorhanden zijn en om zelfstandigheid wordt gevraagd, zorgt voor veel onzekerheid en daardoor voor narcisme. Van Oenen heeft het over het stoere solide individualisme van weleer waar Christopher Lasch aan herinnert in zijn boek De cultuur van het narcisme. Dat zorgde toen voor sterke persoonlijkheden, zoals dat van dichters en denkers als Walt Whitman, Emerson en Thoreau. Dat was lang voor de komst van het neoliberalisme.


